'Voor een relatief rijk land met een sterk uitgebouwde sociale zekerheid levert ons land in de aanpak van de kinderarmoede een middelmatige prestatie', stelt Frank Vandenbroucke, die zoals bekend de actieve politiek heeft geruild voor sociaal beleidsonderzoek aan de universiteiten van Leuven en Antwerpen. 'Dat is teleurstellend én zorgwekkend, want kinderarmoede kun je zien als een toonzettende factor voor sociale problemen in de toekomst.'
...

'Voor een relatief rijk land met een sterk uitgebouwde sociale zekerheid levert ons land in de aanpak van de kinderarmoede een middelmatige prestatie', stelt Frank Vandenbroucke, die zoals bekend de actieve politiek heeft geruild voor sociaal beleidsonderzoek aan de universiteiten van Leuven en Antwerpen. 'Dat is teleurstellend én zorgwekkend, want kinderarmoede kun je zien als een toonzettende factor voor sociale problemen in de toekomst.' Een belangrijk instrument in de strijd tegen kinderarmoede zijn de schooltoelagen. Die houden rekening met het gezinsinkomen, zodat de kansen van kinderen in het onderwijs daarvan niet afhangen. En ze bereiken de meest bestaansonzekere gezinnen. 'Waarop wordt dan gewacht als men effectief iets wil doen tegen kinderarmoede en voor een betere inkomensherverdeling', vraagt Frank Vandenbroucke met aandrang. Toen hij in de vorige Vlaamse regering nog minister van Onderwijs was, breidde Vandenbroucke het systeem van de schooltoelagen uit naar kleuters en kinderen in het lager onderwijs. Vorig schooljaar werden op die manier schooltoelagen toegekend voor ruim 50.000 kleuters, meer dan 100.000 kinderen in het lager onderwijs en bijna 125.000 leerlingen in het secundair onderwijs. Voor dat laatste niveau was er goed 52 miljoen euro ingeschreven in de Vlaamse begroting, voor het basisonderwijs 17 miljoen. Vandenbroucke baseert zich op gegevens van Europees inkomensonderzoek en op de jaarrapporten van Kind en Gezin. 'Als gekeken wordt naar gezinscriteria zoals inkomen, arbeid, huisvesting, gezondheid, het opleidingsniveau van de ouders en de ontwikkeling van de kinderen, is de situatie verontrustend. Zeker in grote steden zoals Antwerpen. Bovendien valt op hoe een laag opleidingsniveau jaar na jaar meer doorweegt. Dat is een paradoxale vaststelling voor een regio die de scholingsgraad in de voorbije twintig jaar heeft zien toenemen. Het wijst op een slecht verwerkte migratie van veel laaggeschoolden en op een falend leerplichtonderwijs, met veel te veel jongeren die zonder diploma de school verlaten. Dat voedt een vicieuze cirkel van lage scholing en kinderarmoede.' Kernpunt voor Vandenbroucke is dat kinderarmoede zeer nauw samenhangt met de vraag of een gezin inkomen uit arbeid haalt. En net op dat vlak is België in Europa eerder een negatief buitenbeentje, dat de Scandinavische landen, Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië moet laten voorgaan in de strijd tegen kinderarmoede. Het aantal kinderen in 'werk-arme' gezinnen in ons land is niet alleen bijzonder hoog, het armoederisico van de kinderen in die gezinnen is verhoudingsgewijze ook groot. In Belgische gezinnen die bijna uitsluitend van uitkeringen leven (14 procent), loopt de kinderarmoede op tot meer dan 80 procent (tegenover gemiddeld 68 procent in Europa). Vandenbroucke: 'Een tweedeling tussen haves en have-nots op onze arbeidsmarkt resulteert in een grote armoedekloof. Die wordt in ons land verscherpt door een bijkomende scheeftrekking in de deelname aan de arbeidsmarkt. België telt in Europa duidelijk meer gezinnen die nauwelijks of geen inkomen uit arbeid puren. Meer dan zestig procent van de arme kinderen blijkt bovendien uit die bijzonder werk-arme gezinnen te komen. Alleen Hongarije en Malta leggen op dat vlak nog slechtere cijfers voor.' Nog volgens Vandenbroucke bestaat er geen twijfel dat het armoederisico van kinderen in eenoudergezinnen - vaak alleenstaande moeders - groter is dan in andere gezinnen. 'Maar dit doet geen afbreuk aan de ijzeren wet dat een gezin - wat ook zijn samenstelling is - voldoende moet kunnen participeren aan de arbeidsmarkt. Anders belandt het in de bestaansonzekerheid. Voor een alleenstaande ouder is een deeltijdse baan zeker niet genoeg om rond te komen en als die meer dan twee kinderen heeft, brengt zelfs een voltijdse baan geen soelaas als ze niet goed betaald is. Het beleid zal moeten zorgen dat de inkomenssituatie van alleenstaande ouders op zo'n manier verbeterd wordt dat ze aangespoord blijven om te gaan werken, ook als ze dat eerst aan een laag loon moeten doen. In Groot-Brittannië is daarin grote vooruitgang geboekt, zodat de armoede bij alleenstaande moeders is teruggedrongen. Daar kunnen we alleszins van leren.' Ander onderzoek heeft aangetoond dat kinderarmoede ook teruggedrongen kan worden door de sociale toeslagen op de kinderbijslag ook toe te kennen aan gezinnen met lage arbeidsinkomens. Met een extra uitgave van een paar honderd miljoen zou dan meer dan 95 procent van de arme kinderen bereikt worden. Vandenbroucke noteert daarom met belangstelling dat alle Vlaamse partijen voorstellen hebben om de kinderbijslagen te hervormen, nu die door de zesde staatshervorming worden overgeheveld naar Vlaanderen (en ook naar Brussel en Wallonië). 'Het debat komt los en dat is goed. Positief is ook dat in diverse voorstellen de sociale toeslagen - die nu enkel voor specifieke groepen zoals werklozen, gepensioneerden en gehandicapte kinderen bestemd zijn - inkomensafhankelijk gemaakt worden. Maar er zijn valkuilen. Het CD&V-voorstel bijvoorbeeld om voor elk kind hetzelfde bijslagbedrag uit te trekken, dreigt grote gezinnen zuur op te breken. Het SP.A-voorstel vangt dat laatste op met een sociale toeslag die toeneemt met het aantal kinderen. Dat is meer doordacht. Maar zo'n gezin met drie kinderen kan dan wel in één klap 210 euro per maand verliezen als het een bepaalde inkomensgrens overschrijdt door meer de arbeidsmarkt op te gaan. Dan scheppen die toeslagen een werkloosheidsval en houden ze dat gezin bij de laagverdieners. Met getrapte inkomensgrenzen is dat te omzeilen, maar dan wordt het onvermijdelijk ook weer complexer.' Kinderbijslagen zijn voor Vandenbroucke hoe dan ook 'geen wondermiddel' om kinderarmoede aan te pakken. 'Je kunt dat doen door te focussen op inkomens uit arbeid en uitkeringen. Maar daarnaast moet ook naar de gezinsuitgaven voor bijvoorbeeld huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en kinderopvang gekeken worden. Die kosten kunnen gedrukt worden met kinderbijslagen, maar ook met een huur- of huisvestingspremie, een maximumfactuur voor medische zorgen en onderwijs, betaalbare kinderopvang enzovoort. In veel van die domeinen kan de Vlaamse regering nu al zelf beslissen. En door de nieuwe staatshervorming krijgt ze er nog bevoegdheden bij op het vlak van activering, huisvesting, zorg en kinderbijslag. Ik weet dat het een versleten begrip is, maar na de verkiezingen in 2014 moet een nieuwe Vlaamse regering met die mogelijkheden denken aan een masterplan tegen kinderarmoede.' Het nieuwe Jaarboek Armoede in België verschijnt deze week. DOOR PATRICK MARTENSIn gezinnen die bijna uitsluitend van uitkeringen leven, loopt de kinderarmoede op tot minimum 80 procent.