Eind februari lanceerde ex-Kamervoorzitter Herman De Croo (Open VLD), om zich op zijn oude dag nog wat bezig te houden, een Belgisch Referentiecentrum voor de Expertise over Centraal-Afrika. Het begon met een tweedaagse bijeenkomst waarop - zoals te vrezen viel - weinig nieuws te rapen viel, laat staan een grote doorbraak in het oplossen van de vele problemen van Congo.
...

Eind februari lanceerde ex-Kamervoorzitter Herman De Croo (Open VLD), om zich op zijn oude dag nog wat bezig te houden, een Belgisch Referentiecentrum voor de Expertise over Centraal-Afrika. Het begon met een tweedaagse bijeenkomst waarop - zoals te vrezen viel - weinig nieuws te rapen viel, laat staan een grote doorbraak in het oplossen van de vele problemen van Congo. De Franse hoogleraar Roland Pourtier gaf er wel een mooi beeld van Congo als een land zonder hart dat gedoemd is om via de rand te werken. Het binnenland is immers bedekt met een uitgestrekt en ondoordringbaar regenwoud, zodat Congo zowat gedwongen is om zijn economische activiteit vooral in de grenszones uit te oefenen. Wat een samenwerking met de buurlanden bijna verplicht maakt. De belangrijkste buitenlandse actor in Oost-Congo zijn niet de Verenigde Naties, zeker niet België, zelfs niet China, maar Rwanda. Het kleine land met de grote mensen blijft prominent actief in de regio. Daarvoor gebruikt het al tien jaar lang het argument dat een gewapende Rwandese oppositie vanuit Oost-Congo opereert en zo de Rwandese stabiliteit bedreigt. Die gewapende oppositie is een van de vele verkrachtende milities in het gebied. Net als de strijders van Tutsigeneraal Laurent Nkunda, van wie kwatongen beweren dat hij actief door Rwanda wordt gesteund. Dat is althans de teneur van de digitale - en soms goed gemaakte - nieuwsbrieven uit Oost-Congo die de wereld rondgaan, en die barsten van de oncontroleerbare verhalen en de complottheorieën over de vuile rol die de Rwandese president Paul Kagame speelt in het stimuleren van het geweld in Congo. Er zitten soms zelfs minutieuze (al dan niet fictieve) verslagen in van geheime ontmoetingen tussen Rwandese en Congolese kopstukken om de destabilisering van de regio in stand te houden. De Rwandese oppositie in Europa is uiteraard ook georganiseerd, en spuit eveneens het ene digitale bericht na het andere, het ene al betrouwbaarder en interessanter dan het andere. Boeiend was een recente analyse van de in Brussel verblijvende balling Paul Rusesabagina, de man die wereldberoemd werd omdat zijn personage de ster werd van de Hollywoodfilm Hotel Rwanda. Hij redde als manager het leven van 1268 mensen die tijdens de genocide naar het Hôtel des Mille Collines in de Rwandese hoofdstad Kigali gevlucht waren. Hij is bij Kagame echter uit de gratie gevallen, en is naar eigen zeggen het voorwerp geworden van een lastercampagne, met als basisstelling dat hij een negationist van de genocide is geworden. In februari werd aan de Université Libre de Bruxelles een boek voorgesteld waarin zijn rol als redder van de mensen in het Mille Collines ter discussie wordt gesteld. Hôtel des Mille Collines wordt er zelfs als een concentratiekamp in beschreven. Het boek is volgens hem geschreven door de propagandamachine van Kagame, die daarvoor kroongetuigen omkocht (inbegrepen notoire volkenmoordenaars aan wie strafvermindering is voorgespiegeld). Rusesabagina hekelt de voortdurende politieke recuperatie van de genocide door Kagame. Hij schetst hoe Kagame ngo's (ook internationale, zoals African Rights) gebruikt om zijn gedachtegoed te verspreiden. Hij meent dat de Rwandese vereniging voor overlevers van de genocide, Ibuka, vooruitgeschoven wordt om hem in diskrediet te brengen. Die zou daarvoor in ons land de vereniging Communauté Rwandaise de Belgique (CRB) inschakelen, een organisatie die hij omschrijft als 'een exclusieve club die opereert als een krachtige lobby voor Kagame, en die daarbij de overlevenden van de genocide in België inzet'.