In juni 1993 had het Belgische parlement een wet goedgekeurd ter bestraffing van oorlogsmisdaden. De wet kende aan Belgische rechtbanken een universele bevoegdheid toe om in deze zaken op te treden, ongeacht waar of door wie de oorlogsmisdaden waren gepleegd. De wetgever wou op die manier straffeloosheid verhinderen. Zonder het te beseffen legde hij daarmee de basis van wat tien jaar later zou uitgroeien tot de grootste Belgische diplomatieke crisis sinds de Tweede Wereldoorlog.
...

In juni 1993 had het Belgische parlement een wet goedgekeurd ter bestraffing van oorlogsmisdaden. De wet kende aan Belgische rechtbanken een universele bevoegdheid toe om in deze zaken op te treden, ongeacht waar of door wie de oorlogsmisdaden waren gepleegd. De wetgever wou op die manier straffeloosheid verhinderen. Zonder het te beseffen legde hij daarmee de basis van wat tien jaar later zou uitgroeien tot de grootste Belgische diplomatieke crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. In februari 1999 werd het toepassingsgebied van de wet uitgebreid tot genocide en misdaden tegen de menselijkheid. De wet hield er de naam 'genocidewet' aan over. Tegelijk werd bepaald dat staatshoofden, regeringsleiders en ministers zich niet kunnen beroepen op hun traditionele immuniteit. Zij konden dus voor een Belgische rechtbank gedaagd worden. De wetswijziging was geïnspireerd door de parlementaire onderzoekscommissie naar de genocide in Rwanda. In haar eindrapport had de commissie gesuggereerd om misdaden tegen de menselijkheid en genocide strafbaar te maken naar Belgisch recht. De commissie wou daarmee voorkomen dat de verantwoordelijken voor de Rwandese genocide zich nooit voor een rechtbank zouden moeten verantwoorden. En het werkte. In het voorjaar van 2001 vond in Brussel een proces plaats tegen vier medeverantwoordelijken van de Rwandese volkerenmoord. Zij waren na de gebeurtenissen van 1994 naar België gevlucht in de hoop zo aan rechtsvervolging te ontsnappen. In juni 2001 werden ze veroordeeld tot gevangenisstraffen van twaalf tot twintig jaar. Ook al was het niet de bedoeling van de wetgever, toch zou deze wetswijziging een ernstige diplomatieke crisis veroorzaken. Het begon met een klacht tegen de minister van Buitenlandse Zaken van de Democratische Republiek Congo, Abdulaye Yerodia, een van de belangrijkste medestanders van president Laurent-Désiré Kabila. In het najaar van 1998 werd in België een klacht ingediend omdat Yerodia zou hebben opgeroepen tot rassenhaat in Congo. In april 2000 vaardigde de Brusselse onderzoeksrechter Damien Vandermeersch een internationaal arrestatiebevel tegen Yerodia uit. Minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel was in alle staten. Onder zijn impuls voerde de regering een beleid van terugkeer naar Congo. Hij wou met Laurent-Désiré Kabila een vertrouwensrelatie opbouwen. Het arrestatiebevel tegen Yerodia doorkruiste zijn plannen. In oktober 2000 diende Congo een klacht tegen België in bij het Internationale Gerechtshof in Den Haag. Dat hof oordeelde in februari 2002 dat het arrestatiebevel tegen Yerodia onwettelijk was. Volgens het hof druiste het in tegen de immuniteit die het internationale recht toekent aan regeringsverantwoordelijken zoals een minister van Buitenlandse Zaken. In april 2002 oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep van Brussel dan weer dat misdrijven enkel vervolgd kunnen worden wanneer de verdachte zich in België bevindt. In het voorjaar van 2002 werden dus essentiële elementen van de genocidewet strijdig bevonden met het Belgische strafwetboek en het internationale recht. Dat kon voor regering en parlement een uitstekende gelegenheid zijn om zonder al te veel gezichtsverlies de scherpe kantjes van de genocidewet af te vijlen. Het was toen immers al evident dat de wet werd misbruikt om politieke redenen. Het tegendeel gebeurde. In juli 2002 dienden negen senatoren een wetsvoorstel in als antwoord op het besluit van de kamer van inbeschuldigingstelling dat misdrijven enkel kunnen worden vervolgd indien de verdachten zich op Belgisch grondgebied bevinden. De negen senatoren wilden de universele toepasbaarheid van de wet veilig stellen, ongeacht de plaats waar de vermoedelijke dader zich bevond. Wel stelden ze voor om voortaan rekening te houden met de gebruikelijke regels van het internationale recht in verband met de immuniteit van hoogwaardigheidsbekleders. De regering besloot de voorstellen van de negen senatoren te steunen. Eind januari 2003 keurde de Senaat het wetsvoorstel goed. Het zou echter nooit door de Kamer van Volksvertegenwoordigers raken, omdat de klacht tegen Yerodia zich ondertussen tot een diplomatieke storm had ontwikkeld. In 2001 en 2002 was er een waar rechtbanktoerisme op gang gekomen. Aangezien de genocidewet geen enkel aanknopingspunt met België vereiste, kwamen van over de hele wereld politieke activisten naar het land afgezakt om klachten in te dienen: tegen de voormalige presidenten van Iran en van Tsjaad, tegen de Iraakse president Saddam Hoessein, de Palestijnse leider Yasser Arafat en de Cubaanse president Fidel Castro, tegen de presidenten van de Centraal-Afrikaanse Republiek, van Congo-Brazzaville, van Mauritanië en van Rwanda. In juni 2003 was het aantal klachten opgelopen tot negenendertig. De genocidewet verplichtte het Belgische gerecht om naar elke klacht, hoe ongegrond ook, een onderzoek in te stellen. En het moet gezegd dat enkele onderzoeksrechters hier maar al te graag op ingingen en zich met plezier tooiden met de toga van het wereldgeweten. De klachten tegen figuren als Saddam Hoessein of Fidel Castro brachten de Belgische regering niet in verlegenheid. Helemaal anders was het gesteld met de klacht die in juni 2001 werd ingediend tegen de Israëlische eerste minister Ariël Sharon, wegens zijn rol in de moordpartij in de Libanese vluchtelingenkampen Sabra en Shatila waarbij in 1982 honderden Palestijnen waren omgebracht. Verhofstadt en Michel brachten medio november 2001 een bezoek aan Jeruzalem, tijdens een rondreis door het Midden-Oosten in het kader van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie. De ontvangst die hen in Jeruzalem te beurt viel, was ijskoud. In de daaropvolgende maanden voerde de Israëlische regering de druk stelselmatig op. Tel Aviv riep de pas benoemde Israëlische ambassadeur in Brussel terug voor overleg. Hij bleef twee maanden weg. Een jaar later zouden ook de relaties met Washington tot onder het vriespunt dalen. In maart 2003 dienden zeven Iraakse families een klacht in voor het bombardement van een schuilkelder in Bagdad waarbij in februari 1991 meer dan vierhonderd burgers om het leven waren gekomen. Beschuldigden waren George Bush Sr., die op het ogenblik van de feiten president van de Verenigde Staten was en wiens zoon op het ogenblik van de klacht president was; voormalig chef van de generale staf Colin Powell, nu minister van Buitenlandse Zaken; Dick Cheney, toen defensieminister en nu vicepresident; en Norman Schwarzkopf, de bevelhebber tijdens de Golfoorlog van 1991. Het was nu duidelijk dat het hele buitenlandse beleid van de Belgische regering door het misbruik van de genocidewet werd gegijzeld. De eerste die dat besefte, was Louis Michel. Hij begon bij Verhofstadt aan te dringen op een ingrijpende wijziging van de genocidewet. Voor zijn part mocht de hele wet zelfs naar de prullenmand. Maar Michel was de gevangene van zijn eigen imago en beleid. Hij wou niet openlijk voor een wijziging pleiten. Hij profileerde zich graag als de vader van de ethische buitenlandse politiek van België en wilde in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van mei 2003 niet bekend worden als de grafdelver van de genocidewet. Guy Verhofstadt zelf aarzelde. Tijdens zijn maandenlange werk in de Rwandacommissie was hij sterk betrokken geraakt bij het drama dat zich in 1994 had afgespeeld. Hij had gelezen hoe de genocide zorgvuldig was voorbereid door extremistische Hutu's. Hij had geluisterd naar opnames van de haatboodschappen waarin Radio Mille Collines opriep om zoveel mogelijk Tutsi's af te slachten. Tijdens zijn bezoek aan Rwanda had hij gesproken met kinderen die hun ouders met machetes hadden zien afmaken. En hij voelde zich medeverantwoordelijk omdat hij destijds, als oppositieleider, de terugtrekking van de Belgische blauwhelmen had geëist. Nadat de Belgische militairen waren vertrokken en de blauwhelmen in aantal waren gehalveerd, konden de genocidairs ongestoord en wekenlang hun gang gaan. In de ogen van Verhofstadt bood de genocidewet België een mogelijkheid om een klein stukje van die morele schuld af te lossen. De druk op België werd wel steeds groter. De Amerikaanse defensieminister Donald Rumsfeld verklaarde dat ministers, diplomaten en militairen van de Verenigde Staten niet meer naar het NAVO-hoofdkwartier in Brussel zouden komen. De binnenlandse en buitenlandse pers speculeerde openlijk over het vertrek van een aantal internationale instellingen uit Brussel. De Amerikaanse zaakgelastigde in Brussel, Michael Fitzpatrick, vertelde de diplomatieke adviseur van Verhofstadt dat Washington verschillende scenario's onderzocht: een negatief reisadvies voor België voor Amerikaanse zakenlui en toeristen, een verklaring die België voortaan als een hostile country bestempelde, het terugtrekken van Amerikaanse diplomaten en militairen uit België, en zelfs een boycot van de haven van Antwerpen. Het mes stond de regering op de keel. Niet ingrijpen zou gevolgen hebben voor de groei, de werkgelegenheid en de welvaart. Einde maart en begin april vond op het kabinet van de eerste minister dagenlang meerderheidsoverleg plaats waaraan ministers, parlementsleden en kabinetsmedewerkers deelnamen. Ze zochten koortsachtig naar een uitweg. Louis Michel en minister van Justitie Marc Verwilghen pleitten voor een radicale wijziging van de genocidewet. De parlementsverkiezingen die gepland waren voor mei 2003, wierpen echter hun schaduw vooruit. Socialisten en groenen stelden zich onbuigzaam op. Voor hen kon alleen een minimale aanpassing van de wet door de beugel. De meerderheidspartijen raakten het onderling niet eens. Om de dreigende catastrofe af te wenden, keurden liberalen in april 2003 dan maar een wijziging van de genocidewet goed met een wisselmeerderheid van Vlaamse christendemocraten en het extreemrechtse Vlaams Blok. De belangrijkste wijziging bestond erin dat in de procedure een politieke filter werd ingebouwd. In geval van een politiek gemotiveerde klacht zou de ministerraad voortaan de mogelijkheid hebben deze door te verwijzen naar een andere staat, op voorwaarde dat die voldoende garanties bood op het vlak van democratie, rechtsstaat en mensenrechten. De nieuwe wet kon onmiddellijk worden uitgetest. Op 14 mei 2003 werd een klacht ingediend tegen generaal Tommy Franks, de bevelhebber van de Amerikaanse troepen in Irak. Zes dagen later al besliste de ministerraad om de klacht aan het Belgische gerecht te onttrekken en ze door te verwijzen naar de Verenigde Staten, die dan zelf konden beslissen of ze generaal Franks wilden vervolgen. Maar ook dit ging niet zonder slag of stoot. Volgens de nieuwe wet konden klachten enkel worden doorverwezen naar staten die de democratie en de billijke rechtsgang respecteerden. De regering moest tonen dat dit het geval was met de Verenigde Staten. De Belgische ambassadeur in Washington, Frans van Daele, bestelde bij het gerenommeerde advocatenbureau Squires, Sanders and Dempsey een juridisch advies. Het advocatenkantoor kwam inderdaad tot de conclusie dat generaal Franks in de VS een billijk proces zou krijgen, indien die zouden besluiten om hem op basis van de doorverwezen klacht te vervolgen. De wet had gewerkt. De klacht was in recordtempo aan het Belgische rechtssysteem onttrokken. Toch had de hele procedure een hoog surrealistisch gehalte. De Amerikaanse regering was trouwens niet overtuigd. Washington besloot de volledige afschaffing van de wet te eisen en het NAVO-hoofdkwartier in Brussel als hefboom te gebruiken. Defensieminister Rumsfeld nam, na lang aarzelen, op 12 juni in Brussel deel aan een vergadering van de ministers van Defensie van de alliantie. Hij hield een snijdend betoog tegen de genocidewet: de Verenigde Staten zouden een beslissing over de bouw van een nieuw NAVO-hoofdkwartier in Brussel blokkeren zolang de genocidewet niet was afgeschaft. Het werd trouwens ook vlug duidelijk dat de wetswijziging van april 2003 geen einde maakte aan de klachtencarrousel. Op 18 juni 2003 moest de ministerraad zich buigen over nieuwe klachten tegen de zittende president George W. Bush, buitenlandminister Colin Powell, defensieminister Donald Rumsfeld, justitieminister John Ashcroft en nationaal veiligheidsadviseur Condoleezza Rice. Enkele dagen later volgden klachten tegen de Britse premier Tony Blair en zijn Canadese collega Jean Chrétien. Als klap op de vuurpijl werd op 20 juni 2003 een klacht ingediend tegen Louis Michel zelf, wegens de levering van Belgische machinegeweren aan Nepal. In de binnen- en buitenlandse pers werd de draak gestoken met een land dat door The New York Times als Absurdistan werd betiteld. Dit alles speelde zich af tegen de achtergrond van een bijzonder moeilijke regeringsformatie. De liberale en socialistische regeringspartijen hadden de verkiezingen van 18 mei overtuigend gewonnen. De groene regeringspartijen hadden een pak slaag gekregen. De christendemocratische oppositie had een teleurstellend resultaat geboekt. Liberalen en socialisten waren onderhandelingen begonnen over de vorming van een nieuwe regering, zonder de groenen. De gesprekken schoten niet op, omdat vooral de socialistische partijen versterkt uit de stembusgang waren gekomen. Zij beschikten nu in het parlement over bijna evenveel zetels als de liberalen en eisten dat het programma van de volgende regering meer hun richting zou uitgaan. Op vrijdag 20 juni 2003 keerden Verhofstadt en Michel in de vooravond met een regeringsvliegtuig terug uit Thessaloniki, waar ze hadden deelgenomen aan een Europese top. Michel bracht de genocidewet opnieuw ter sprake. Hij wou niet langer de risee van de hele wereld zijn. Hij was het met Verhofstadt eens dat de verantwoordelijken van de genocide hun straf niet mochten ontlopen. Ook in de toekomst moesten de schuldigen voor een Belgische rechter gebracht kunnen worden. Maar er moest een einde komen aan de klachtencarrousel die België internationaal volledig dreigde te isoleren. Verhofstadt besefte zelf ook dat het zo niet verder kon. De volgende ochtend belde hij met zijn diplomatieke medewerker. Of die een nieuwe wet kon schrijven. Al op 22 juni 2003 werd op het formatieberaad een akkoord bereikt om de genocidewet grondig af te zwakken. Gedurende twee weken bereidden kabinetsmedewerkers op het kabinet van de premier de nieuwe wet voor. Twee professoren van de rechtsfaculteit van de Universiteit Gent, Gert Vermeulen en Tom Vander Beken, werkten de teksten uit. Er volgden nog bikkelharde onderhandelingen en er was een demarche nodig van de Belgische ambassadeur in Washington bij voorzitter Elio Di Rupo van de Parti Socialiste om deze erop te wijzen dat het geduld van de Verenigde Staten op was en dat er geen ruimte meer was voor een zoveelste halfslachtige wetswijziging. Een politiek akkoord werd bereikt op 12 juli, en op 21 juli legden de kabinetsmedewerkers de laatste hand aan de teksten, terwijl buiten de fanfare speelde ter ere van de nationale feestdag. UIT: PETER MOORS, MISTER NICE GUY. VIJF JAAR BUITENLANDBELEID VAN GUY VERHOFSTADT DOOR DE OGEN VAN ZIJN DIPlOMATIEKE ADVISEUR, UITGEVERIJ VAN HALEWYCK, LEUVEN, 292 BLZ., 27,50 EURO.