Als ik Dumeni Columberg bezig hoor over onze communautaire twistpunten, dan denk ik: het zou toch goed zijn mochten we ons boekje in het Frans of het Duits vertalen."
...

Als ik Dumeni Columberg bezig hoor over onze communautaire twistpunten, dan denk ik: het zou toch goed zijn mochten we ons boekje in het Frans of het Duits vertalen." Professor Els Witte begrijpt niet hoe het Zwitserse parlementslid na een blitz-bezoek aan ons land oplossingen van zijn confederatie op ons ingewikkelde land wil overplanten. Ook premier Jean-Luc Dehaene (CVP) beweert nu verbaasd te zijn over het rapport. De Zwitser pleit voor goede wil, verdraagzaamheid en openheid, maar speelt tegelijk recht in de kaart van het niet om zijn verdraagzaamheid bekend staande FDF. "Tegen de grondwet", oordeelt de premier over de aanbevelingen. De reactie van Dehaene kwam ruim laat. Het rapport was namelijk al aanvaard door de bevoegde commissie van de Raad van Europa. Het beveelt België aan om het verdrag ter bescherming van de nationale minderheden te ratificeren. FDF-voorman Georges Clerfayt droomt ervan om via deze kleine omweg de Franstaligen in de Rand als een door de Vlamingen onderdrukte historische minderheid voor te stellen - hoewel deze recente inwijking allerminst historisch kan worden genoemd. Als er iemand de Belgische constructie had kunnen toelichten aan de door het land razende Zwitser, dan wel Dehaene. De premier had Columberg ook kunnen doorverwijzen naar Els Witte. De rector van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) stichtte in 1979 als professor hedendaagse geschiedenis het Centrum voor de Interdisciplinaire Studie van Brussel. Sindsdien bestudeert zij met een schare collega's de taaltoestanden in en om de hoofdstad. Dit jaar publiceerde zij "Taal en Politiek", een erg interessant historisch overzicht van de Belgische casus. Witte schreef het boek samen met Harry Van Velthoven (Hogeschool Gent). Het boek analyseert de sociaal-economische, filosofische en vanzelfsprekend ook communautaire breuklijnen in de Belgische taalpolitiek. Witte en Van Velthoven grijpen voor hun analyse terug naar de taalsociologie. Die levert ook een verklaring voor de huidige moeilijkheden met de Franstaligen in de Vlaamse rand rond Brussel: de Franstaligen blijven hun taal nog altijd superieur vinden.ELS WITTE: In België kwamen twee talen met een verschillende status met mekaar in contact. Let op: deze opdeling doet geen uitspraak over de waarde van een cultuurtaal, wel over de sociale waarde die eraan wordt gehecht. In België kijken de Franstaligen neer op het Nederlands, in Canada is datzelfde Frans de lagere-statustaal. Maar goed, in het jonge België had het Frans dus het meeste prestige en de grootste internationale reputatie. Deze taal kwam in de negentiende eeuw in contact met een nog niet gestandaardiseerde cultuurtaal: vorige eeuw werden in Vlaanderen vooral lokale dialecten gesproken. De standaardisering van het Nederlands was hier een traag proces. Daarbij komt dat eentaligheid een soort natuurlijke reactie is, omdat het aanleren van een tweede taal een inspanning vergt. Dat verklaart mee waarom sprekers van een hogere-statustaal weigeren een zogenaamd lagere taal te spreken. Er is een sociale barrière. Het Frans was in België de taal van de sociale mobiliteit, van wie het wilde maken en dus van de macht. Franstaligen vinden tot vandaag dat de gebruikers van de lagere taal - bij ons het Nederlands - omwille van de sociale mobiliteit hun prestigetaal moeten aanleren. Dat heeft bij ons tot de verfransing van Brussel geleid. In Wallonië leidde de idee van superioriteit van het Frans dan weer tot de assimilatie van Nederlandstaligen. De taal werd er gewoon opgelegd. Vele tienduizenden Vlaamse arbeiders die er zich vestigden, werden er onder meer door de socialistische vakbonden gedwongen om zich te assimileren. Zo werden de Vlamingen niet alleen opgenomen in de klassenstrijd maar ook in de Franse cultuur. Dat vormde één geheel.Het Nederlands moest worden verdedigd.WITTE: Er ontstond een tegenbeweging, waarin onder meer de taalminnaren een rol speelden. Zeker zo belangrijk was evenwel het algemeen meervoudig en vervolgens enkelvoudig stemrecht. Grote groepen niet-verfranste Vlaamse mensen kregen zo voor het eerst politieke macht. Het beeld van een burgerlijke samenleving, met het Frans als enige officiële taal, werd door de feiten tegengesproken en de lagere-statustaal kon zich verder ontwikkelen. Meer algemeen constateren we dat lagere talen en cultuurgroepen altijd naar dezelfde strategie grijpen. Ze zoeken bescherming in taalwetten. Maar die taalwetten zijn eigenlijk maar een eerste stap. De toepassing van de taalwetten moet vervolgens nog eens worden afgedwongen. Ook bij de faciliteiten gaat het over de toepassing van de taalwetten.De bedreigde taal moet twee keer betalen: eerst voor de taalwet, dan voor de toepassing ervan.WITTE: Meestal blijkt dat de toepassing van de taalwetgeving binnen de unitaire staat problemen oplevert. Wanneer, zoals in Vlaanderen, meer mensen de bedreigde taal beginnen te gebruiken - doordat de middengroepen sterker worden of het onderwijs democratischer wordt - volgt er een radicalisering. Er wordt gepleit voor een territoriale bescherming. Ook dat is een reactie tegen de hogere-statustaal. Onder meer de Franstaligen in België beschouwen het als een individueel recht om overal hun eigen taal te spreken. Doordat de gebruikers van de hoge-statustaal er ook in slaagden om hun taal door sprekers van de lagere-statustaal te laten overnemen, schuift de taalgrens op. De zwakste collectiviteit verliest daardoor veel van haar leden en wil zich achter een grens beschermen. Deze evolutie is al bezig sinds de grote taalwetten van de jaren 1930. Aanvankelijk streefde de Vlaamse Beweging, gematigd, naar tweetaligheid. Het waren de Walen die de territorialiteit als principe naar voor schoven. Maar dan alleen voor Wallonië.WITTE: De sprekers van de hoge-statustaal verzetten zich tegen individuele tweetaligheid, toen de Vlaamse Beweging nog in die richting dacht. Het territorialiteitsprincipe haalde het op verzoek van de Franstaligen. Hoe kwamen de faciliteiten tot stand?WITTE: In grensgebieden ontstaan vanzelfsprekend de meeste conflicten tussen twee taalgemeenschappen. Vandaar de moeizame afbakening van de taalgrens en de moeilijkheden met de faciliteiten. In de Brusselse rand was er contact tussen het door de taalwet van 1932 officieel tweetalige Brussel en het eentalige Vlaanderen dat Brussel volledig omringt. De uitwijking van de midden- en hogere klasse naar de groene rand maakte de problematiek nog ingewikkelder. Op zich verschilde Brussel wat dat betreft maar op één punt van Antwerpen of Gent: Franstaligen die naar de Vlaamse randgemeenten uitweken, vonden dat daarmee ook het tweetalige gebied uitdeinde. Dat is het grote conflict waarvoor op Hertoginnedal in 1963 een compromis werd afgesloten. Wat hield dat compromis in?WITTE: Het principe van faciliteiten was niet nieuw, het woord wel. De taalwet van 1932 bepaalde al dat wanneer een bepaald percentage anderstaligen - meestal dus Franstaligen - in een taalgrensgemeente woonden, zij van speciale taalregelingen konden gebruikmaken. In 1962-63 stonden drie groepen tegenover elkaar.WITTE: Tot de radicale Vlamingen behoorde binnen de CVP de Groep van Acht met Jan Verroken en Jos De Saeger. Zij wilden het principe van de territorialiteit doordrukken. In de lijn van het Centrum Harmel uit de jaren vijftig, waren zij voorstander van grenscorrecties. Maar eens dat gebeurd, was de taalgrens de grens. Tegenover hen stonden de radicale Franstaligen die het tweetalige gebied Brussel wilden uitbreiden, in het meest vergaande geval tot heel Vlaams-Brabant. Een derde niet onbelangrijke groep werd gevormd door de unitaristen, waarvoor minister van Binnenlandse Zaken Arthur Gilson (PSC) model stond. Zij bepleitten de verzoening: in de plaats van grenscorrecties zouden er faciliteiten komen voor Franstaligen. Gilson had het over een gastrecht. Er zouden ook faciliteiten in Waalse gemeenten komen.WITTE: Aanvankelijk was er sprake van zestien gemeenten waar Franstaligen faciliteiten zouden krijgen en van drie gemeenten waar Vlamingen faciliteiten zouden krijgen. Maar daar is het al onmiddellijk misgegaan. Het is immers altijd hetzelfde: de Franstaligen wensen de eentaligheid van hun gebied niet op te geven. Dat wordt in de discussies altijd vergeten. Van die wederkerigheid is dus niets in huis gekomen. Uiteindelijk kwam op Hertoginnedal een compromis uit de bus. De faciliteiten werden ingevoerd. De hele discussie gaat sindsdien over het statuut van die faciliteiten. Ieder had zijn interpretatie.WITTE: De Franstaligen zagen faciliteiten als een stap naar verdere tweetaligheid. De Vlamingen zagen het als een uitdovende maatregel, bedoeld om de inwijkelingen te integreren. Jos De Saeger probeerde op een bepaald moment nog om de faciliteiten te beperken tot de Franstaligen die op dat moment al in de Vlaamse gemeenten woonden. Zonder succes. Andere elementen speelden mee in de verfransing van de Rand.WITTE: De vastgoedsector verdiende veel geld aan de inwijking van kapitaalkrachtige Brusselaars. Een aantal gemeentebesturen werkte actief mee aan de residentiële verkavelingen en veel grondeigenaars zagen hun bezit in waarde stijgen. Ook de Vlaamse middenstand stond niet zo afkerig van de Franstalige nieuwkomers. Middenstand, vastgoedsector, notarissen, lokale besturen en anderen: ze hadden allemaal hun invloed op de politieke milieus. De faciliteitenregeling was een typisch Belgisch compromis, en dus vaag.WITTE: Beide kampen konden zo de regeling als een overwinning aan hun achterban voorstellen. De Vlamingen bleven bij hun interpretatie dat de faciliteiten uitdovend waren en dat de inwijkelingen zich moesten integreren. Dat zegden ze ook met zoveel woorden in het parlement, maar het staat niet in de wet. Nergens. Met als gevolg dat het taalbeeld in de zes faciliteitengemeenten nog zeer weinig verschilt van de situatie in de negentien Brusselse gemeenten. Het belangrijkste verschil is dat de administratie Nederlandstalig is. Het feit dat de Franstaligen door de faciliteiten in hun eigen cultuur thuis konden zijn, vergrootte ongetwijfeld de aantrekkingskracht van die Vlaamse gemeenten. De faciliteiten hebben tot een de facto tweetaligheid in de zes geleid. Dat proces zet zich door, want de uitwijking is niet gestopt. De rondzendbrief van Peeters was een signaal dat de Vlaamse regering het houdt bij de Vlaamse interpretatie van de faciliteiten.WITTE: We zouden eens goed moeten bestuderen of er geen andere middelen zijn. Maar het gaat nog altijd om hetzelfde principe: Franstaligen weigeren vanuit een zekere superioriteit respect op te brengen voor de Nederlandse taal en cultuur. Intussen hebben ze er een argument bij: ze vormen de meerderheid in de zes gemeenten.WITTE: Het is nu ook een demografisch probleem en dus nog ingewikkelder. Door de staatshervorming van 1988 is de toepassing van de taalwetgeving een materie voor de Vlaamse overheid. De oprichting van de provincie Vlaams-Brabant versterkte de Vlaamse voogdij nog. Dat neemt niet weg dat er in die gemeenten grote meerderheden Franstaligen wonen. Verandert de houding tegenover het Nederlands niet?WITTE: In bepaalde hooggeschoolde Brusselse groepen is een positieve evolutie vaststelbaar. Dat Franstaligen hun kinderen naar Nederlandstalige scholen sturen, betekent dat het prestige van Nederlands als cultuurtaal is gegroeid. Daar is hard aan gewerkt. De Vlaamse gemeenschap investeerde in de Nederlandse cultuur in Brussel. De media en het onderwijs hielpen bij de standaardisering van de taal, de universiteiten maakten de taal wetenschappelijk aanvaard. Er is de opbloei van de literatuur en het theater, er zijn de betere contacten met Nederland. Nu nog zeggen dat het Nederlands een lagere status heeft, is onze taal onrecht aandoen. Maar op dat groeiende respect wordt politiek onvoldoende ingespeeld. Charles Picqué (PS) doet dat wel, maar iemand als Hervé Hasquin (PRL) volgt duidelijk niet. Dan hebben we het nog niet over het FDF. Het blijft dus een vicieuze cirkel, zolang de Franstaligen niet aanvaarden dat ze in Vlaanderen wonen en de aanhechting van die gemeenten bij Brussel hun politieke doelstelling blijft.WITTE: Daarom juist moeten we eens goed nadenken hoe wij de Franstaligen ervan kunnen overtuigen dat ze in Vlaanderen wonen. Met een initiatief als De Randkrant stapt Vlaanderen op een open wijze naar de bevolking. Als we ervan uitgaan dat de faciliteiten bestaan en dat de Franstaligen respect moeten opbrengen voor onze taal, dan stel ik de vraag of de rondzendbrief wel verstandig was. De houding van de Vlaamse regering is alleszins een signaal tegen de verderschrijdende verfransing. Maar we moeten dat bekijken tegen de achtergrond die ik schetste: de Franstaligen passen in Wallonië het territorialiteitsprincipe toe, maar vinden dat zij in de rest van het land het individuele recht hebben om overal hun eigen taal te spreken. Dat is een kwestie van mentaliteit. Het komt altijd neer op de twee verschillende statussen. Als twee talen met een ongelijk prestige tegenover elkaar staan, ontwikkelen zich twee verschillende strategieën. Daarom ben ik nog niet zo zeker dat een massale inwijking van Nederlandstaligen in de zes, die gemeenten zal vernederlandsen. Als de Franstaligen zouden aanvaarden dat Vlaanderen zoals Wallonië het territorialiteitsprincipe toepast, is het probleem van de baan.WITTE: Dat is zo. En let op: Vlaanderen zal nooit zo ver gaan als Wallonië deed met de Vlamingen. Wij staan zeer open tegenover anderstaligen. Doen alsof wij op assimilatie aansturen, is dan ook absurd. Het gaat over integratie: Franstaligen moeten alleen aanvaarden dat ze in Vlaanderen wonen. Is het zo moeilijk om voldoende Nederlands te kennen om de meest elementaire zaken te verstaan? Misschien moeten we wat dat betreft meer inspanningen doen om de Franstaligen over de brug te halen. Misschien moeten we onze aanpak wat differentiëren, beter aanpassen aan de verschillende sociale groepen in de zes gemeenten. Want het klopt niet dat elke Franstalige inwijkeling rijk is. In Kraainem of Drogenbos kwamen veel arbeiders wonen. Ik verwijt de overheid dat ze onvoldoende beleidsvoorbereidend werk doet. In België is de taalstrijd nog altijd niet beslecht. Gaan we het gevecht nog eens op Europees niveau overdoen?WITTE: De mechanismen zijn in ieder geval dezelfde, met dat verschil dat niet het Frans maar het Engels domineert. Op internationale wetenschappelijke congressen is het Engels zo dominant dat zelfs rectoren van Franse universiteiten in het Engels het woord voeren. Binnen de Europese Unie zullen de Nederlandstaligen het zeer moeilijk hebben. We zitten als middelgrote taalgroep op de wip bij elke discussie over het taalgebruik. Bij elke lidstaat die toetreedt, zal die discussie zwaarder worden. Daarom is het zo belangrijk dat wij samen met de Nederlanders deze uitdaging aangaan. Het is dan ook spijtig dat de Nederlandse Taalunie te veel met de taal zelf en te weinig met de politieke aspecten ervan bezig is. We moeten naar gezamenlijke strategieën zoeken om het Nederlands te beschermen. Misschien kunnen de Nederlanders even bij ons aankloppen. We kunnen hen alvast inzicht verschaffen in de mechanismen die aan het werk zijn. Dat is nu eens een terrein waarop wij een voorsprong hebben. Kunnen de faciliteiten ooit worden afgeschaft?WITTE: De faciliteiten kunnen nooit los worden gezien van het gehele communautaire probleem. Het compromis van 1988 en nadien 1993 legde de faciliteiten vast. Het zal veel, wellicht te veel, kosten om dat ongedaan te maken, ook al omwille van de demografische situatie die intussen is gegroeid. Hoe gaan we dat probleem dan wel oplossen? Hopelijk op een beschaafde manier. We moeten meer investeren om de Franstaligen over de brug te krijgen. Nederlandstalige lessen zijn nu eenmaal duurder dan een rondzendbrief. Vlaanderen zou beter een sterk onthaalbeleid uitwerken om het respect voor onze taal en cultuur af te dwingen. Dat is veel zinvoller dan een rondzendbrief die wordt geïnterpreteerd als repressieve maatregel en die het hele debat van 1962-1963 weer doet oplaaien. Zonder resultaat. Els Witte en Harry Van Velthoven. Taal en politiek. De Belgische casus in historisch perspectief. VUBPress. 1998. 180 blz.Peter Renard