Al in april '97 legde Vlaams minister van Welzijn Luc Martens (CVP) in de commissie Gezin, Welzijn & Gezondheid van het Vlaams Parlement een "Oriëntatienota Vlaams Zorgbeleid voor Ouderen" neer. Die nota raakt echter maar niet op de politieke agenda. Dat is problematisch, want door de versnippering van de bevoegdheden (zie kader) en de middelen kan het Vlaams welzijnsbeleid niet inspelen op de nieuwe inzichten en de grote noden van de sector.
...

Al in april '97 legde Vlaams minister van Welzijn Luc Martens (CVP) in de commissie Gezin, Welzijn & Gezondheid van het Vlaams Parlement een "Oriëntatienota Vlaams Zorgbeleid voor Ouderen" neer. Die nota raakt echter maar niet op de politieke agenda. Dat is problematisch, want door de versnippering van de bevoegdheden (zie kader) en de middelen kan het Vlaams welzijnsbeleid niet inspelen op de nieuwe inzichten en de grote noden van de sector. Momenteel berusten de middelen vooral bij de federale overheid (de Riziv-forfaits) en de Vlaamse minister van Begroting (de bouwsubsidies). Jarenlang subsidieerde het Riziv echter een te klein aantal RVT-bedden (voor zorgbehoevende mensen). Nu wordt het aantal erkende RVT-bedden opgetrokken, maar in de rusthuizen blijft de werkdruk veel te groot.Luc Martens: Een aantal rusthuizen slaagde er niet meer in goed te werken met de financiering van de overheid en stelde "niet-gesubsidieerd personeel" tewerk. Hierdoor is het effect van de RVT-inhaalbeweging niet altijd overal even duidelijk. Maar nu al is zeker dat het onevenwicht slechts gedeeltelijk is opgelost. Binnen twee jaar al moet onderhandeld worden over de financiering van bijkomende RVT-bedden. Op dit moment hebben de Vlaamse ministers trouwens niet echt veel greep op problemen met werkdruk. Als het Vlaamse ouderenbeleid effectief de nodige middelen krijgt, kunnen we, bijvoorbeeld, een personeelsbeleid voeren dat inspeelt op de noden. Nu is dat federale materie - van de minister van Sociale Zaken en de minister van Tewerkstelling en Arbeid.U pleit daarom voor een herschikking van de bevoegdheden en de middelen in de ouderenzorg.Martens: De Vlaamse en federale middelen voor het personeelsbeleid, de werking en de infrastructuur van de rusthuizen moeten in één hand gebracht worden, zoals dat bijvoorbeeld ook voor het gehandicaptenbeleid is gebeurd. Omdat de sector er in Wallonië heel anders uitziet - met bijvoorbeeld zeer veel kleine privé-rusthuizen en gemiddeld minder zwaar zorgbehoevende residenten -, heeft het federaal beleid moeite om de noden in Vlaanderen juist in te schatten. De Vlaamse rusthuizen zijn al een tijdje met het kwaliteitsdenken bezig. Het beleid speelt in op die evolutie, wil de nieuwe ideeën op het terrein helpen waarmaken. Daar is een eigen beleid, daar zijn eigen middelen voor nodig. Wij moeten naar een systeem van autofinanciering, dat vermoedelijk dicht bij een enveloppensysteem zal aanleunen.De rusthuizen moeten uit de gezondheidssector gehaald worden en volwaardig deel uitmaken van het welzijnsbeleid?Martens: In rusthuizen wonen geen patiënten, maar bewoners. Op dit moment wordt het beleid te weinig gevoerd vanuit de noden van de rusthuisbewoners, en te veel vanuit de budgetten voor patiënten die in het Riziv voorhanden zijn. Over de geldstromen binnen het Riziv beslissen machtsblokken. Het Riziv-forfait dekt alleen de verpleegkundige, verzorgende en paramedische handelingen, subsidieert bedden volgens een systeem van scores op afhankelijkheidsschalen - de zogenaamde Katzschalen. Met de toegenomen zorgbehoevendheid zijn echter ook de Katzschalen aangepast. Uiteraard zijn de subsidies ontoereikend. Bij het wonen in het rusthuis komt veel meer kijken dan alleen medische ingrepen bij ziekte. Het logische "tekort" wordt verhaald op de bewoner, via de dagprijs. Een volwaardig welzijnsbeleid impliceert dat de verschillende dimensies van de bejaardenhulp op elkaar worden afgestemd. Het zorgaanbod moet inspelen op de noden van de ouderen. De dichotomie tussen thuis en rusthuis moet weg.Oudere patiënten kunnen anderzijds voor revalidatie niet altijd in ziekenhuizen of revalidatiecentra terecht.Martens: Deze mensen worden soms effectief naar een rusthuis doorverwezen, maar de middelen voor de revalidatie volgen niet. Dat moet veranderen. De media hebben weinig aandacht voor de stroomversnelling binnen de sector, voor het kwaliteitsdenken. Alleen de schandalen halen de pers.Martens: We hebben de globale toestand in Vlaanderen in kaart gebracht. De administratie van Welzijn kent de black points, houdt fiches bij van de probleemvoorzieningen en trekt conclusies. Een tweetal rusthuizen (in Knokke en De Haan) werden effectief gesloten, zoiets durfde men vroeger niet. In de toekomst zal de inspectie zich vooral op de zwakkere voorzieningen toespitsen. Daarnaast brengt het kwaliteitsdecreet binnen de sector een interne dynamiek op gang. De reacties op het decreet zijn positief, ook al zorgt op dit moment de implementering ervan voor extra werk. Bepaalde misbruiken zijn vandaag nochtans in een deel van de rusthuizen goed ingeburgerd. Er zijn, bijvoorbeeld, de kortingen van meer dan 10 procent op apothekerskosten, die nogal wat rusthuizen (gedeeltelijk) zelf op zak steken.Martens: Rusthuisbewoners moeten die kortingen zelf in handen krijgen. Die cijfers moeten open en bloot in de boekhouding terug te vinden zijn. In 2003 moeten alle Vlaamse rusthuizen een aantoonbaar kwaliteitsbeleid voeren?Martens: Ja. Het kwaliteitsdenken binnen de rusthuizen hebben wij vertaald in het "decreet op de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen". Vanaf 2003 moeten de Vlaamse rusthuizen een kwaliteitssysteem uitbouwen dat tot aantoonbare verbeteringen leidt, en dat een voorwaarde tot erkenning wordt. In het kader van dat kwaliteitsdenken wordt het vormingsbeleid een belangrijke peiler. Het beleid moet ook oog hebben voor de infrastructuur?Martens: Er zijn nu 58.000 woongelegenheden. Rekening houdend met de vergrijzing hebben we tegen omstreeks 2008 minstens 11.000 bijkomende woongelegenheden nodig. Daarnaast moeten heel wat bestaande woongelegenheden minstens gerenoveerd worden. Daar zijn nu onvoldoende middelen voor. Ook moet het aantal vierkante meter per woongelegenheid opgetrokken worden. De limiet van 55 vierkante meter bebouwde oppervlakte voor een gesubsidieerd rusthuis moet worden opgetrokken. Deze limiet leidt er nu toe dat gesubsidieerde rusthuizen slechts kamertjes van ongeveer 15 vierkante meter kunnen aanbieden. Dat is veel te klein! En we moeten af van bepaalde perfide mechanismen. Hoe is het mogelijk dat zelf een nieuwe vleugel bouwen (en financieren) van een rusthuis, goedkoper uitvalt dan te werken met een gesubsidieerde openbare aanbesteding. Blijkbaar leidt de formule door niet-relevante criteria en problematische procedurevoorwaarden en -termijnen tot een hogere kostprijs. Het financieringssysteem bestrijkt ook maar 60 procent van de kostprijs M.T.