Bij het aanhoren van de toespraak van de samensteller en, even later, bij het bekijken van de tentoonstelling Fatale Vrouwen in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, (tot 17.8) ontkwam men niet aan de indruk, een rad voor de ogen te worden gedraaid. Hoe Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam, erin slaagde om elk schilderkunstig kwaliteitsoordeel te verzwijgen en het onderwerp uitsluitend op zijn merites als verstrooiend verhaal, als voorloper van opwindende cinema of in kringen van muziektheatermakers gegeerd verzamelobject te taxeren, wees op een kwalijke begripsvervaging waarmee de meeste schilderijen op de tentoonstelling dan inderdaad bleken te zijn geïnfecteerd.
...

Bij het aanhoren van de toespraak van de samensteller en, even later, bij het bekijken van de tentoonstelling Fatale Vrouwen in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, (tot 17.8) ontkwam men niet aan de indruk, een rad voor de ogen te worden gedraaid. Hoe Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam, erin slaagde om elk schilderkunstig kwaliteitsoordeel te verzwijgen en het onderwerp uitsluitend op zijn merites als verstrooiend verhaal, als voorloper van opwindende cinema of in kringen van muziektheatermakers gegeerd verzamelobject te taxeren, wees op een kwalijke begripsvervaging waarmee de meeste schilderijen op de tentoonstelling dan inderdaad bleken te zijn geïnfecteerd. Hun makers - in Antwerpen vertegenwoordigd door Alexandre Cabanel, Hon. John Collier, Sir Edward John Poynter, Frederick Sandys, John William Waterhouse, Hubert Draper, Jeno Gyarfas, Sir Lawrence Alma-Tadema en James Tissot -, allen werkzaam in de tweede helft van de negentiende eeuw, waren er alleen op uit, een prikkelend en modieus onderwerp te behandelen met opzienbarende effecten om de smaak van het publiek te strelen. Dat deze schilders, verblind door een drang naar succes, met hun spektakelzucht de doodsreutel van de verheven historieschilderkunst inluidden, is een kunsthistorisch gegeven waarvan de ontkenning op een merkwaardig reactionaire houding wijst, zeker wanneer ze vandaag, meer dan een eeuw later, de kop opsteekt. Cabanel en co verlustigden zich, wanneer ze de Fatale Vrouw als een verleidelijk en noodlottig monster afschilderden, in een romantische voorstelling van zaken die op een goedkoop derivaat van een klassiek mythologisch thema berustte. Hun tot gezwollen theatrale poses verstarde beelden wenden vernuftig gekunsteld, psychologisch raffinement alleen maar voor, zonder dit ook maar van ver te kunnen benaderen. Gaat het hier immers niet om voorbeelden van quasi-naturalistische nabootsingskunst, waarin de karikaturen van een antiek heldinnenmodel de in kitsch zwelgende schilders fataal werden? De mentale finesses van de Femme Fatale werden zoveel overtuigender begrepen en dwingender uitgewerkt door kunstenaars die Haar van meet af aan als een gevaarlijk hersenspinsel opriepen uit een web van slingerende lijnen, suggestief getekend of indringend geëtst, met een minimum van kleur en een maximaal contrast tussen de veilige zone van het licht en het dreigende duister. Beeldend kunstenaars uit de invloedssfeer van het symbolisme vonden aansluiting bij de vruchtbare verbeelding van schrijvers en dichters van wie zij vaak de romans, verhalen en gedichten van tekeningen voorzagen. Aubrey Beardsleys fatale vrouw is de Salomé uit Oscar Wildes gelijknamige toneelstuk, behoorlijk afwijkend van de bijbelse figuur. Voor zijn zeer gestileerde lijncliché De Climax (Salomé) voerde Beardsley dan ook een door Johannes de Doper afgewezen koningsdochter op, een heks met messcherp gesneden zwarte haren die het nog druipende, afgehakte hoofd van de Doper in een kwaadaardige omhelzing knelt. De Naamse kunstenaar Félicien Rops, gevraagd om de verhalenbundel Les Diaboliques van Jules Barbey d'Aurevilly te verluchten, tekende de samenzwering tussen sfinx, vrouw en duivel als een grappige omarming van het mythische wezen door een naakte vrouw, aandachtig gadegeslagen door een oude duivel in avondkledij. Rops hield zijn Femmes Fatales geloofwaardig door een lichtvoetigheid van toon waarmee hij zelfs met het blasfemische en het pornografische flirtte zonder boertig te worden. Zijn keuze voor de subtiele middelen van de tekenkunst - een medium dat hij uitstekend beheerste - hielp hem om suggestief op de verbeelding te werken en het bombastische effect van hen die alles dik in de verf zetten, te vermijden. Als een triomfantelijk naakte vrouw met een rozenkroon, Christus verdringend van zijn plaats aan het kruis om de heilige Antonius tot ontzetting te brengen, zo stelde Rops zich La tentation de St. Antoine voor, een gegeven dat door de roman van Gustave Flaubert opnieuw geactualiseerd was. Dat de Fatale Vrouw cosa mentale is, blijft op de tentoonstelling jammer genoeg onderbelicht. Toch vormen de tekeningen van Jan Toorop, Georges de Feure, Fernand Khnopff, Beardsley en Rops een duidelijk herkenbare ruggengraat te midden van een tentoonstellingscorpus vol kleurrijk verpakte kitsch. De verrassing komt op het eind met een pertinente keuze litho's van de Noorse kunstenaar Edvard Munch, die hun bezwerende kracht behouden doordat ze een eigen zaal met rode wanden opeisen. Hoe vreesaanjagend en verlokkelijk Munchs vrouwelijke wezens ook mogen zijn, opduikend als harpijen of vampieren, hun aura beperkt zich tot het aardedonkere domein van de nachtmerrie waarin ze hun weerloze mannelijke slachtoffers verstikken. Verstrengeld in haar eindeloos lange, donkere haren, herkennen de minnaars uiteindelijk hun worgengelen. Voor de duur van een nare droom. Al blijft voor de fragielste naturen de mogelijkheid dat ze eraan bezwijken. Jan Braet