Vroegen ruisten ze nog, de zinnen. Zij het soms wat hortend. Zo opent de befaamde roman De leeuw van Vlaanderen (1838) van Hendrik Conscience: 'De roode morgenzon blonk twyfelachtig in het oosten, en was nog met een kleed van nachtwolken omgeven, terwyl haer zevenkleurig beeld zich glinsterend in elken dauwdruppel herhaelde'. En zo gaat dat maar door. Het valt weer na te lezen in de zopas verschenen herdruk van de eerste uitgave van dit boek. Het is een draak van een roman, waarvan het verhaal vandaag hooguit nog een jeugdboek kan stofferen. Als hij toch deze nieuwe, tekstkritisch verzorgde editie verdient, is dat alleen om historische redenen, al krijgen die in het begeleidende essay van Karel Wauters helaas te weinig reliëf.
...

Vroegen ruisten ze nog, de zinnen. Zij het soms wat hortend. Zo opent de befaamde roman De leeuw van Vlaanderen (1838) van Hendrik Conscience: 'De roode morgenzon blonk twyfelachtig in het oosten, en was nog met een kleed van nachtwolken omgeven, terwyl haer zevenkleurig beeld zich glinsterend in elken dauwdruppel herhaelde'. En zo gaat dat maar door. Het valt weer na te lezen in de zopas verschenen herdruk van de eerste uitgave van dit boek. Het is een draak van een roman, waarvan het verhaal vandaag hooguit nog een jeugdboek kan stofferen. Als hij toch deze nieuwe, tekstkritisch verzorgde editie verdient, is dat alleen om historische redenen, al krijgen die in het begeleidende essay van Karel Wauters helaas te weinig reliëf. Niet toevallig wordt deze oer- Leeuw van onder het stof gehaald - en terecht - in het jaar dat de zevenhonderdste verjaardag van zijn onderwerp wordt herdacht, de Guldensporenslag van 11 juli 1302. Het was De Leeuw van Vlaanderen die deze tevoren niet zo bekende veldslag een plaats gaf in de volkse verbeelding, waardoor onder meer 11 juli Vlaanderens officiële feestdag kon worden. Met zijn historische romans creëerde Con- science tal van iconen van een grotendeels verbeelde Vlaamse geschiedenis, van de Kerels van Vlaanderen tot de Boerenkrijg. Samen vormen ze de kern van het arsenaal aan historische mythen van het flamingantisme. Geen geringe prestatie voor een schrijver. Conscience was net 26 toen zijn Leeuw verscheen. Over zijn intenties liet hij weinig twijfel bestaan. Alleen al de inleiding bij de roman maakt hem tot een verrassend compleet bijbeltje van de toen, net als Conscience, nog erg jonge Vlaamse beweging. Hij schetst erin een even romantische als betwistbare geschiedenis van 'Vlaanderen', om het contrast te benadrukken tussen de glorie van vroeger, met de Guldensporenslag als symbool, en het verval van het Vlaamse 'volk' in zijn eigen tijd, de eerste jaren van het Belgische koninkrijk. Wanneer hij in de slotzin van het boek zijn lezers oproept om 'de heilige voorbeelden uwer Vaderen' niet te vergeten, maakt Con- science van de tot mythe herknede geschiedenis het kernargument voor zijn politieke streven. Toch krijgt de politiek bij Conscience een slechts beperkte definitie. In opvallend scherpe termen legt hij de redenen van het Vlaamse verval bij de inquisitie en de Spaans-katholieke censuur van de zestiende en zeventiende eeuw. De repressie heeft volgens hem de in de volkstaal geschreven literatuur gesmoord en zo de weg geopend voor de verfransing, wat een toch wel erg smalle maatschappelijke analyse is. Geen wonder dat hij dan tot de corporatistische conclusie komt dat alleen de literatuur - maar ook niets meer dan dat - het 'in eenen laffen slaep vervallen' Vlaanderen kan doen 'herleven'. Zo verhief hij zichzelf en zijn collega's tot de voorhoede van een Vlaamse renaissance. In Consciences tijd betekende dat herleven concreet: de Franstalige overheersing in België breken, opdat ook Nederlandstaligen 'ambten' zouden kunnen verwerven. Als programma viel dat dus wel heel beperkt uit. Het kon dan ook voor slechts een klein deel van het toen 'reëel bestaande' Vlaanderen relevant zijn, namelijk de kleine laag van geletterden. Conscience riep zeker niet op tot een volksrevolutie en haastte zich bijvoorbeeld om 'den doorluchtigen persoon' van koning Leo- pold I - die hem gul subsidieerde - van alle verantwoordelijkheid voor de taaltoestanden vrij te pleiten. Dat laatste illustreert goed de essentie van de negentiende-eeuwse Vlaamse beweging. Ze richtte zich tot een beperkt publiek en wilde de Belgische natie versterken. En zo zag de toenmalige elite haar ook. De Vlaamse component gaf België de specificiteit die verantwoordde waarom dat jonge, pas in 1830 gestichte landje toch zijn (in het buitenland sceptisch bekeken) autonomie verdiende. Vooral tegenover het altijd expansieve Frankrijk kon het geen kwaad die 'eigenheid' extra in de verf te zetten. De flaminganten vormden toen dus geen bedreiging voor België, integendeel. Dat benadrukt ook de in augustus overleden ULB-historicus Jean Stengers in het zopas, postuum verschenen tweede deel van zijn studie over de geschiedenis van het Belgisch nationaal gevoel, waarvoor hij, gezien zijn verzwakte gezondheid, de hulp inriep van een coauteur, zijn collega Eliane Gubin. In de negentiende eeuw (die zich uitstrekte tot 1918), aldus Stengers en Gubin in hun helder en inzichtelijk geschreven Le grand siècle de la nationalité belge, heerste een ondubbelzinnig Belgisch patriottisme, gebaseerd op trots op de eigen onafhankelijkheid, de grondwet en het economische succes van het land. Zo percipieerden buitenlanders het ook en verder bestonden intern geen spanningen die dat oprechte nationale gevoel bedreigden. Zowel de Vlaamse als de socialistische beweging stelden het Belgisch-nationale kader niet ter discussie, terwijl de vaak hevige politieke verdeeldheid tussen klerikalen en liberalen al evenmin de wil tot samenleven in de Belgische staat verzwakte. En al stellen Stengers en Gubin het niet zeer expliciet, toch valt in hun betoog op dat dit negentiende-eeuwse Belgische patriottisme vooral werd gedragen en gepropageerd door de machthebbers van het moment, de (Franssprekende) burgerij. Zij had de Belgische staat naar haar beeld en gelijkenis gemodelleerd en wilde alle anderen van politieke medezeggenschap uitsluiten. Haar politieke verdeeldheid verborg een verregaande consensus over de grondwettelijk verankerde vrijheidsprincipes en over het bestaande sociaal-economische bestel. Het liberaal-klerikale dispuut lijkt dan haast een schimmenspel dat is bedoeld om de politieke agenda bezet te houden. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde alles. Sinds Conscience legde Vlaanderen een hele weg af, om uit te groeien tot de vrij autonome Vlaamse Gemeenschap van vandaag. Welke identiteit erachter schuilgaat, is de laatste jaren het voorwerp van veel debat. De Antwerpse Lessius Hogeschool organiseerde er begin dit jaar een studiedag over, maar ging daarbij niet op zoek naar originele analyses of kritische tegenspraak. Ze ging de weerhaken uit de weg en hield het bij establishmentvisies. De titel van het verslagboek van de studiedag, Vlaamse identiteit: mythe én werkelijkheid, reveleert al - wellicht onbewust - de twijfels, om niet te zeggen het geschipper in de omgang met de Vlaamse identiteit. Blijkbaar blijft het moeilijk om de complexiteit van nationale mythen en gevoelens te accepteren, nu ze worden gerelativeerd door de deconstructie waarmee de postmoderniteit hen is gaan zien als wat ze zijn: producten van de verbeelding. Het boekje opent met een (soms al te beknopt en daardoor niet altijd voldoende genuanceerd) overzicht van de Vlaamse geschiedenis. KUL-hoogleraar Louis Vos blijft erin trouw aan de stellingen van zijn leermeester Lode Wils. Die benadrukte altijd het katholieke overwicht in de Vlaamse beweging, waardoor hij, zo luidde vaak de kritiek op zijn werk, blind bleef voor de bijdrage van niet-katholieken aan de Vlaamse emancipatie. Het was zijn manier om zijn aversie voor het Vlaams-nationalisme te uiten en de gematigdheid te herwaarderen waarmee de katholieke partij altijd heeft geprobeerd de flaminganten aan boord te hijsen en te houden. Na Vos' aperçu volgt een nogal pretentieus en verward artikel waarin UCL-hoogleraar Ludo Beheydt het probeert te hebben over de Vlaamse en Nederlandse culturele identiteit, maar niet veel verder komt dan enkele conservatieve gemeenplaatsen over ditjes en datjes. Het grootste deel van het boekje is gevuld met bijdragen van Lessius-docenten die trachten te beschrijven hoe het buitenland tegen Vlaanderen aankijkt. Dat levert nogal wat vermakelijke anekdoten op, al luidt de conclusie meestal dat die internationale perceptie (al te snel 'identiteit' genoemd) bestaat uit een mix van onwetendheid en clichés - wat bezwaarlijk een originele vaststelling mag heten. Een overbodig boekje. Marc ReynebeauHendrik Conscience, 'De leeuw van Vlaanderen of de Slag der Gulden Sporen. Tekstkritische editie door Edward Vanhoutte met een uitleiding door Karel Wauters', Lannoo, Tielt, 537 pag., a 39,95. Jean Stengers en Eliane Gubin, 'Histoire du sentiment national en Belgique des origines à 1918. Tome 2: Le grand siècle de la nationalité belge', Racine, Brussel, 237 pag., a 22,95. Paul Gillaerts, Hilde van Belle en Luc Ravier (redactie), 'Vlaamse identiteit: mythe én werkelijkheid', Acco, Leuven-Leusden, 157 pag., a 21,95.HENDRIK CONSCIENCE HAD MAAR EEN HEEL BEPERKT POLITIEK PROGRAMMA.