Aan de junizon kan het niet hebben gelegen - die deed haar best. En aan het decor al helemaal niet. In de uitlopers van de Landes, benoorden Biarritz, tussen pijnbomen, varens en frambozenhout ligt de poepsjieke Studio du Manoir. Daar is Raymond van het Groenewoud met een stel muzikanten neergestreken om zijn nieuwe cd op te nemen - de vorige, Tot morgen, dateert van 1998. 'Ineens was de goesting er weer. Het heilige moeten. Maar nu ik hier drie dagen ben, vraag ik me alweer af: moet ik hier eigenlijk wel zijn? Er komt toch altijd weer veel meer geduld bij kijken dan ik kan opbrengen.'
...

Aan de junizon kan het niet hebben gelegen - die deed haar best. En aan het decor al helemaal niet. In de uitlopers van de Landes, benoorden Biarritz, tussen pijnbomen, varens en frambozenhout ligt de poepsjieke Studio du Manoir. Daar is Raymond van het Groenewoud met een stel muzikanten neergestreken om zijn nieuwe cd op te nemen - de vorige, Tot morgen, dateert van 1998. 'Ineens was de goesting er weer. Het heilige moeten. Maar nu ik hier drie dagen ben, vraag ik me alweer af: moet ik hier eigenlijk wel zijn? Er komt toch altijd weer veel meer geduld bij kijken dan ik kan opbrengen.' In een schriftje heeft hij zijn goede voornemens genoteerd. 'Ik wil deze cd met liefde behandelen en het bijhouden van een dagboek is een manier om bij de les te blijven. 't Zal wel behoorlijk boy-scoutachtig en kinderlijk klinken, maar kinderlijkheid is niet iets waar ik bang voor wil zijn - al moet je er ook niet mee koketteren natuurlijk.' Hij leest voor: 'Het is niet voor mezelf. 't Is niet voor Humo-lezers eerst, 't is ook voor Sint-Pieter (en ik moet niet beschaamd zijn). Het enige wat je kan doen, is je best doen, helderheid en diepte zoeken, grapjes vermijden. Goede tekst volstaat niet, een cd is geluid, 't moet dus zo indrukwekkend mogelijk klinken. Alleen mag dat geen blinkende verpakking zijn van een mager voorwerp.' We zitten aan de rand van het zwembad, en er is die dag hard gewerkt. Eindeloos gepriegel. Een gitaarriedeltje dat over moet. Een baslijn die 'gerepareerd' moet worden. Klinkt het niet te veel als De Kreuners? Het moet vuiler, het moet vettiger, het moet 'met een randje'. De producer achter de mengtafel is Raymonds nieuwe geliefde Christine Verschorren. Hij leerde haar kennen in een Brusselse studio, tijdens de opnames van de soundtrack voor Dominique Derudderes Iedereen beroemd. 'Ik wist meteen dat ik ooit met haar een cd wilde opnemen, omdat ze mij de kans gaf in de studio nog meer mezelf te zijn: een enthousiaste, gevoelige amateur. Misschien omdat zij Franstalig is, slaagt ze erin mijn stem precies te laten klinken zoals ik vind dat ze moet klinken: zij zit niet te mierenneuken over de uitspraak van een woord. 't Is nu bijna een stem zoals ze in de huiskamer klinkt. Dat fascineert mij: de fantastische leugen om een waarheid te bewerkstelligen.' Maar er wringt iets. 's Avonds aan tafel zit de stemming er goed in, daar niet van, en maître Bernard - de kok die het gastenverblijf runt - bereidt de heerlijkste terrines, maar overdag in de studio is de irritatie bijna tastbaar. Drie maanden later, als de cd is afgemixt en we op het appartement van Van het Groenewoud in Brugge nog eens napraten, bekent hij: 'De opnames zijn niet in volstrekte harmonie verlopen. Dat risico loop je als je je ergens veertien dagen terugtrekt met mensen die elkaar amper kennen. 't Was niet zo dat Christine en ik slow-dansend de studio ingingen en tegen de rest zeiden: kom er maar bij. Maar Christine was wel bijzonder streng. Ze vond dat een paar muzikanten - ik was daar één van, dus ik mag het zeggen - hun huiswerk niet goed gemaakt hadden. Dat hebben we flink moeten uitzweten. Als ik er achteraf op terugkijk, vind ik het bijna abnormaal dat je drie maanden van de wereld kunt afstappen om dan uiteindelijk buiten te komen met een schijfje. Dan ben ik toch weer liever een bakker die iedere dag een brood bakt. Ik wil optreden. Dat blijft voor mij de essentie.' Argwaan en blokkering ziedaar het daaglijks refrein in mijn leven als Vlaming 't doet zo'n deugd bekrompen te zijn Dikke koppen vol kooplust in het meubelpaleis kleffe echos's van luxe uren zeiken over de prijs ( uit 'Zwerven in de woestijn') 'Dat woord blokkering staat er natuurlijk niet voor niets. Als ik het zou moeten filmen, zie ik een bruine dorpskroeg voor mij, met een aantal stamgasten aan een formicatafeltje. En als je daar binnenstapt, word je loensend getaxeerd. Je hoeft daar niet eens andersgekleurd voor te zijn. De gesprekken gaan gewoon door, sotto voce, en je weet dat het over jou gaat en je voelt je op je ongemak. Je bent de buitenstaander. We doen vaak schamper over de oppervlakkige levensstijl van de Amerikanen, maar die vragen je op zijn minst waar je vandaan komt. Ik zal tot mijn laatste dag wel een curieuze zendeling blijven, maar ik wil graag wat meer levenslust in het straatbeeld zien. Waar ik niet tegen kan, is die gemelijkheid, die achterbaksheid, die rolluiken voor het gezicht. De lafheid ook ten opzichte van deze BV bijvoorbeeld. Voor mijn part mogen ze op mij toestappen en vragen: zijdegij Raymond van het Groenewoud? Maar nee, ze stoten elkaar aan, ze beginnen te fluisteren en als ze twintig meter verder zijn, roepen ze me na. Achterdocht en agressiviteit gaan hand in hand natuurlijk, dat maakt van het Vlaams Blok zo'n gevaarlijk fenomeen. Het is altijd de schuld van iemand anders. Ik heb het geluk gehad dat er in mijn ouderlijk milieu veel over psychoanalyse gepraat werd en daarvan heb ik geleerd dat je er beter van uit kunt gaan dat het sowieso je eigen schuld is. Dat is dan misschien niet de gehele waarheid, maar het heeft het voordeel dat je nooit één seconde moet wachten om er iets aan te dóén. Dat heb ik ook in relaties. Ik begin natuurlijk wel met razend te zijn op de ander, maar toch.' Zing je lied van verdriet mijn kind zing je lied van gemis leg je hoofd in mijn schoot, mijn kind denk aan wat er niet is Leg je hoofd hier in mijn schoot in je uren van kou ik laat je nooit in de steek, mijn kind altijd hou ik van jou. ( uit 'Een jongen uit Schaarbeek') 'Niet direct een pop-rocknummer, meer een wiegelied. Het moest door een vrouw gezongen worden, en dat kon voor mij alleen maar Sarah Bettens zijn. Oorspronkelijk heette het Lied van troost, maar dat klonk bij nader inzien toch te middeleeuws. Ik heb het geschreven toen ik echt op de bodem van de hel was aanbeland. Pijn, verdriet, wanhoop, niet-vervuld verlangen naar een vrouw die niet beschikbaar was. Dat klinkt behoorlijk bot, alsof je het over een hoer hebt die eventjes bezet is, maar zo voelde ik het wel. Liefdesverdriet is niet per definitie tienerverdriet, daar ben ik inmiddels wel achter. Enfin, ik grabbelde naar de radio in de hoop een liedje te horen dat me kon troosten, iemand die zei: trek het je niet aan. Maar ik hoorde alleen maar blikken pulp. Toen zat er niets anders op dan zelf zo'n liedje te schrijven. Ik wil het nu niet opnieuw over die arme Whitney Houston hebben die het altijd gedaan heeft, maar over dat hele legioen zangers en zangeressen dat zelfs de mooiste, eenvoudige woorden voos en onecht laat klinken. Daar krullen niet alleen mijn tenen van, ik word echt overspoeld door golven van razernij omdat ik wéét dat het anders kan. Je kunt je voorstellen welke kronkelwegen ik bewandeld heb om niet te moeten schrijven: altijd hou ik van jou. Maar het kon alleen op díé manier gezegd worden. Je moet het menen. Laat honderd zangers zingen "ik hou van jou" en je pikt er meteen de artiest uit. Prefab-gevoelens zijn altijd gênant. Voor waarachtigheid moet je bij iemand als Jacques Brel zijn, denk je dan algauw. 't Is allemaal een kwestie van timing en dosering. Brel zei véél, dat was zíjn vorm, die heel goed harmonieerde met zijn wezen. Ik houd meer van de suggestie. Ik kan het ook wel extravert maken hoor, zoals in mijn versie van Je veux de l'amour. Ik weet dat dat commerciëler is, maar ik kan mezelf niet constant verloochenen.' Ik ben blij ik ben blij zoals een arbeider op 1 mei 'Het hoeft niet allemaal even diepzinnig te zijn, nietwaar. Het gaat ook om ritmepatronen. Deze cd swingt zoals ik vind dat swing moet swingen. Ik maak nu zo'n vijfendertig jaar rock, pop en funk mee en als het gaat om hechte, strakke, dansbare muziek zijn de twee grootste figuren Bob Marley en James Brown. Bob Marley met zijn Wailers en James Brown met zijn Famous Flames. 't Moet van alle franje ontdaan zijn: vier of vijf instrumenten die - één, twee, drie, start! - rechtdoor ploegen. Het lijkt poepsimpel, maar tienduizenden groepen slagen daar nooit in, omdat iedere muzikant wil scoren. Als iedereen er dingetjes begint bij te breien, wordt het algauw modderig. De drie grote muzikale revoluties die zich aan mij hebben geopenbaard, zijn jazz, rock en techno. Telkens voelde je dat een generatie iets van zich afschudde en zei: dit is onze taal. En telkens werd die taal vervloekt en beschouwd als wel érg armzalig. Onzin natuurlijk. Iedereen ontwikkelt zijn trance op zijn eigen manier. Ik houd van techno, maar tegelijkertijd besef ik dat een liedje veel langer leeft als er behoorlijk wat melodie in zit. Ik wil de slagersjongen op de fiets en de kuisvrouw ook in ere houden. Als ik mezelf in mijn gemijmer laat gaan, zit ik algauw teksten te maken waar wel een bepaalde toonhoogte bij past, maar geen melodie. Daar moet ik mee uitkijken. Het heeft heel lang geduurd voor ik mijn stem gevonden had. Ik schaamde me voor mijn stem, ik vond ze veel te nasaal en te kneuterig. Er moest nog grain op komen, zoals de Fransen dat zeggen, een soort korrel. Pas vanaf Meisjes klonk het zoals ik wilde. Iedere stempedagoog zou het me hebben afgeraden, maar de gouden raad van Rod Stewart indachtig heb ik me jarenlang de pleuris gezongen. Op bals ging ik soms zes uur achter elkaar te keer: singing your ass off. Het grote werk gebeurt in de schaduw, zoals de grote Bob Dylan al zei. Van hem heb ik ook geleerd dat je een tekst niet moet zingen maar spugen.' Het liefste zou ik sterven het liefste ging ik dood waarom zoiets verbergen de waarheid moet soms bloot Er is geen enkele drijfveer de zaden zijn verdroogd de knoken zijn zo roestig de geest wil straal omhoog ( uit 'Geef die jongen zijn zaligheid') 'Als ik dat voor een publiek zing, zie ik de gezichten betrekken. Héb ik eens een treffelijke melodie, en verpest ik het weer door de tekst. Daar heb ik wel een handje van: met Italianen is me dat destijds ook gelukt. Natuurlijk ben ik niet van plan me op te hangen, maar het doet zo'n deugd om het eens te kunnen uitschreeuwen dat je dood zou willen. Ik stond eens bij de Inca-nederzetting Machu Picchu in de Andes, in Peru, waar de bergen hoog maar toch niet besneeuwd zijn - ik vertel dat omdat de mensen niet moeten denken dat ik nooit verder kom dan Brugge of Genoelselderen. Het was een machtig gezicht, ik voelde me klein en nietig, en ik wilde heel graag mijn lichaam achterlaten om opgenomen te worden in het geheel, zonder nog een poot te moeten uitsteken. Dat komt heel dicht bij religieuze gevoelens, ja. Ik sta nog altijd heel enthousiast in het leven. Dat komt natuurlijk ook omdat ik weer zo verliefd ben als een aap, zoals op deze cd wel duidelijk te horen zal zijn. Of ik een speciaal gen voor verliefdheid heb? Dat zou kunnen natuurlijk. Op de een of andere manier voel ik me steeds meer thuis bij vrouwen, waarbij zij dan weer beweren dat ze veel vrouwelijkheid in mij herkennen. Voor veel mensen is ouder worden een beproeving, terwijl ik - hout vasthouden! - er tot nu toe vooral het plezier van inzie. Je leert dingen los te laten en je niets meer aan te trekken van wat maatschappelijk aangewezen is. Je gooit meer en meer ballast overboord. Ik heb besloten het mezelf zoveel mogelijk naar de zin te maken. Als de daartoe benodigde ledematen blijven functioneren, wil ik tot mijn tachtigste blijven optreden, al kan ik me het leven ook wel zónder voorstellen. Het forceren van het jeugdige vind ik een gruwelijke zaak: voor mij geen facelift, geen Mick Jagger-toestanden, geen speciale supplementen waardoor het bloed van samenstelling verandert en je je tien jaren jonger voelt. Zoals iedereen langzamerhand wel weet, ben ik sterk beïnvloed door Gerard Reve. Ik heb veel van zijn brieven gelezen en daar komt regelmatig de zin in voor: "Ik zal maar mijn eigen tuin aanharken." Die boodschap begrijp ik. Om niet gek te worden, moet ik me zo min mogelijk van de buitenwereld aantrekken en vooral bezig blijven.' Een mooie dinsdagochtend ik wandel door het rood het meisje ligt te slapen en ik, ik ga om brood ( uit 'Koffie & Brood') 'Ik ben een zondagskind, dat besef ik ook wel: voor het geluk geboren. Maar dan gaat het over hele kleine dingetjes. Het geluk dat je haast toevallig doorstroomt als je 's ochtends wakker wordt, de zon schijnt, je hebt je eerste koffie naar binnen gewerkt en je luistert naar het gegons van muziekjes in je hoofd - meer moet dat niet zijn. Mijn moeder, die de cd ook al heeft gehoord, zat zich te verkneukelen omdat het haar deed denken aan de manier waarop Heinrich Böll over de geneugten van het dagelijks leven schrijft. Ik heb Böll nooit gelezen, maar je kunt in slechter gezelschap verkeren, lijkt mij. Vroeger had ik zelfs een oom die Mozart erbij sleurde als hij mijn Leven & Werken overschouwde. Geluk is ook: na een behoorlijke dosis pulp te hebben verwerkt een interview lezen met Bernard Kouchner, de oprichter van Artsen zonder Grenzen en nu minister van Volksgezondheid in Frankrijk. Zoiets overvalt me dan ineens. Dat doet behoorlijk veel deugd: er blijken nog mensen te bestaan die mij echt iets te vertellen hebben. Het is weer eens wat anders dan al die interviews met voetballers die zo prettig op hun fermette wonen met hun vrouwtje. Maar dat doe ik mezelf aan natuurlijk. Ik hóéf dat niet te lezen. Ik begin aan mezelf te wennen. Vroeger wilde ik bijvoorbeeld, als ik naar video-opnames van een optreden keek, mijn motoriek veranderen. Dat gestuntel als ik van de piano naar mijn gitaar slof, dat heeft echt geen naam. Maar intussen heb ik geleerd dat onhandigheid iets aandoenlijks kan hebben - de fans zouden trouwens niets anders meer willen. Ik besef ook wel dat ik Nurejev niet ben. Ik kan me beter op het liedjesmaken concentreren. En het zal altijd op mijn manier gaan. Ik herinner me nog van heel lang geleden een colloquium van het kleinkunsttijdschrift Tliedboek, toen een zekere André De Bruyn er zijn beklag over deed dat er geen verhaal meer wordt verteld in liedjes vandaag de dag. Als voorbeeld van een goedgemaakt liedje-met-een-verhaal gaf hij Heer Halewyn. Ik hoorde het echt in Keulen donderen. Ik weet ook wel dat Brel en Brassens nog een discipline beoefenden waarin ze met A begonnen en bij Z eindigden. Ik kan daar best jaloers op zijn, maar mij lukt het niet en volgens mij is het ook nergens voor nodig. Ik assembleer beelden, ik roep een sfeer op, bij mij zijn het associaties die de revue passeren. Ik vind het al mooi als regel twee en regel vier rijmen, 't is al zo'n merde om daaraan vastgeketend te zitten. Voor een jongen uit Schaarbeek is dat al heel wat. Er bestaat een foto van mij, gemaakt door Patrick de Spiegelaere, waarop ik zo'n Sinatra-hoed draag. Ik dacht onmiddellijk aan a kid from Hoboken. En omdat ik onze taal niet te min vind, leek Een jongen uit Schaarbeek mij hip genoeg om de titel te worden van een nieuwe cd.' De cd 'Een jongen uit Schaarbeek' ligt begin oktober in de winkel. De gelijknamige theatertournee start op 4 oktober in het Cultureel Centrum van Strombeek-Bever. Foto's: Patrick de SpiegelaerePiet Piryns