In de jaren '70 en '80 ontwikkelden de onderzoeksteams van Marc Van Montagu en de onlangs overleden Jef Schell aan de Gentse universiteit een van de belangrijkste technieken om erfelijk materiaal te transplanteren van één organisme naar een ander. Ze gebruikten daarvoor de microbe Agrobacterium tumefaciens, die een ringvormig stukje van haar DNA, plasmide genoemd, naar de chromosomen van gewonde plantencellen kan overbrengen.
...

In de jaren '70 en '80 ontwikkelden de onderzoeksteams van Marc Van Montagu en de onlangs overleden Jef Schell aan de Gentse universiteit een van de belangrijkste technieken om erfelijk materiaal te transplanteren van één organisme naar een ander. Ze gebruikten daarvoor de microbe Agrobacterium tumefaciens, die een ringvormig stukje van haar DNA, plasmide genoemd, naar de chromosomen van gewonde plantencellen kan overbrengen. Biotechnologie biedt veel mogelijkheden. Zo kregen type 1-diabetici vroeger varkensinsuline toegediend, die minder goed werkt omdat ze in één aminozuur verschilt van onze eigen insuline. Daarom heeft men het menselijk gen voor insuline getransplanteerd in een bacterie en sindsdien worden grote hoeveelheden van die transgene (of genetisch gewijzigde) bacterie gekweekt om perfecte insuline te produceren. In de Verenigde Staten worden al op grote schaal ggo's gekweekt. De Amerikaanse publieke opinie ligt daar niet van wakker. Maar het gebruik van ggo's in de landbouw en de voeding maakt nogal wat EU-burgers - die minder vertrouwen hebben in de overheid en het bedrijfsleven - ongerust over hun gezondheid en over het milieu. Daarom hadden de vijftien lidstaten aan de Europese Commissie gevraagd een moratorium in te stellen. Ze wilden duidelijk de zaken wat voorzichtiger aanpakken dan de VS, Canada, Argentinië, Zuid-Afrika en China (samen produceren die landen ggo's over een oppervlakte zo groot als Frankrijk). Van oktober 1998 tot oktober 2002 had Europa geen ggo's meer toegelaten. Tot die tijd waren er achttien ggo's vergund op basis van een vorige richtlijn, die in werking trad in oktober '91. Maar de EU-landen wilden eerst een nieuwe richtlijn opstellen, die strenger oordeelt over milieu- en gezondheidsrisico's, die een vergunning voor ten hoogste tien jaar verleent, die meer publieksinformatie voorschrijft en die antibiotica-resistentiegenen in ggo's verbiedt. Politiek Europa besefte al enige tijd dat het moratorium niet zou standhouden, en men wou daarom een Europese wetgeving klaarstomen die de consument maximaal zou beschermen en informeren. Voorstanders hopen dat die strenge wetgeving vertrouwen zal wekken, en dat Europa nog tijdig op de (snel)trein van de biotechnologie in de landbouw zal kunnen springen. In 2001 werd dan ook een richtlijn Food and Feed goedgekeurd, die het toelaten (of verbieden) van ggo-voedsel en -dierenvoer op de markt en in het milieu regelt. Een bedrijf moet onder meer tests uitvoeren - te vergelijken met het testen van nieuwe geneesmiddelen - en het Europese Voedselveiligheidsagentschap EFSA onderzoekt het dossier dan grondig. Deze nieuwe regelgeving is van kracht sinds oktober 2002. Er zijn al twee types van katoenzaadolie in de handel gebracht in de EU en enkele andere dossiers zitten al vrij ver in de pijplijn. Het is tegen die richtlijn dat de Verenigde Staten begin mei klacht hebben ingediend bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). En president George W. Bush gaf onlangs een schot voor de boeg toen hij stelde dat de strenge Europese houding inzake ggo's het bestrijden van de honger in Afrika hypothekeert. Eigenlijk wil hij natuurlijk vooral ruim baan voor de Amerikaanse biotechbedrijven. Maar sommige Afrikaanse landen, zoals Zambia, willen geen ggo's omdat ze vrezen dat hun export naar de EU dan zou kelderen. De Commissie heeft twaalf lidstaten - waaronder België - verzocht een beetje haast te maken met het omzetten van Food and Feed in nationale wetgeving. Een richtlijn is namelijk een 'onrechtstreeks' instrument van EU-wetgeving: elke lidstaat moet de inhoud van een richtlijn vertalen in een eigen wet of decreet. Een verordening daarentegen is een echte EU-'wet', die in elke lidstaat tot op de letter gelijk is, en die dus ook veel sneller in werking kan treden. Over de omzetting van Food and Feed is nogal gebakkeleid binnen de federale ministerraad. Er was zelfs een wetsvoorstel ingediend door de groene kamerleden Leen Laenens en Martine Dardenne om de Belgische bioveiligheidsraad, die bestaat uit specialisten - en dat zijn meestal believers - aan te vullen met ethici en andere meer wantrouwige lieden. Op 2 juli is een volgende stap gezet in de Food and Feed-wetgeving, om aan de bezorgdheid van de Europese consument tegemoet te komen. Zo moet de herkomst van het voedsel tot in de details bekend zijn. Die zogenaamde traceerbaarheid is nodig om te controleren of voedsel zonder label wel degelijk ggo-vrij is, om eventueel na te gaan of er milieueffecten zijn bij de productie van ggo's, en om producten uit de markt te kunnen halen wanneer er vermoedens zijn van schadelijke effecten voor het milieu of de volksgezondheid. De tweede nieuwe verordening, over etikettering maakt dat de consument kan kiezen tussen ggo-vrij voedsel en niet-ggo-vrij voedsel, ook voor dierenvoer (dat is nieuw). De ontwerpverordening over etikettering had politiek nogal wat voeten in de aarde: ideaal zou zijn dat ggo-vrije producten 0 procent ggo's zouden bevatten, maar dat is praktisch niet haalbaar. De Raad wou 1 procent, het Europees parlement 0,5 procent. Uiteindelijk hebben ze een compromis gesloten: 0,9 procent. Het compromis bevatte ook nog een ander luik. Als de ene boer ggo-vrij voedsel en voer wil produceren, en de andere ggo-producten, terwijl de hele agro- en voedingsindustrie totnogtoe voor hen allebei werkte, dan vergt het creatief wetgevend werk om te vermijden dat ggo-vrije producten 'besmet' worden, en om te voorkomen dat de vereiste apartheidsmaatregelen en -investeringen de ggo-vrije producten veel duurder gaan maken. Het gescheiden naast elkaar bestaan van beide circuits noemt men de 'coëxistentie'. Daar stelden zich grote politieke problemen, omdat bijvoorbeeld het regionale parlement van Wales zijn regio volledig ggo-vrij wilde. Dat mag niet, repliceerde de Commissie prompt, want dat gaat in tegen het vrij verkeer van goederen en diensten. Een EU-verordening over de coëxistentie bleek politiek niet mogelijk en de lidstaten hebben nu een akkoord met het Europees parlement en de Commissie om dat te regelen met eigen wetten en decreten. Europarlementslid Bart Staes (Agalev): 'Het is een zeer goed akkoord. Een uniforme regeling voor de hele EU zou natuurlijk nóg beter geweest zijn, want nu kunnen producenten gaan shoppen: ze kunnen ggo's gaan kweken in landen waar de regels voor coëxistentie het soepelst zijn, of onbestaande. Maar het is in elk geval een grote stap vooruit. Mijn mailbox zat donderdag vol met tevreden commentaren uit de hoofdkantoren van Greenpeace en Friends of the Earth en van milieuverenigingen in diverse lidstaten. Ook in Wales, waar het allemaal om begonnen was, zijn de mensen zeer tevreden met deze ongebruikelijke toepassing van het subsidiariteitsprincipe: ze kunnen nu hun eigen reglementering opstellen.' Vergunningen voor ggo-zaaigoed laat Europa voorlopig nog door de lidstaten afhandelen - mits kennisgeving aan de Commissie - maar een richtlijn en een verordening hierover zijn in de maak. Ontbreekt nog: Europese wetgeving over afgeleide producten voor dierenvoer. De EU-wetgeving over ggo's is dus niet direct een glasheldere constructie zonder overlappingen en hiaten. Er is lang en moeizaam aan gezwoegd, terwijl de neuzen niet altijd in dezelfde richting wezen - en dat is eraan te zien. Veel inspraak van de burgers is er niet aan te pas gekomen, maar anderzijds hebben de EU en haar lidstaten deze vrij strenge wetgeving juist uitgewerkt omdat een groot deel van de Europese publieke opinie erg kritisch is. Het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA), verbonden aan het Vlaams parlement, heeft in mei een interessante inspraakoefening gemaakt (via een discussiepanel van leken en een publieksforum). Daarin kwamen zowel milieu, veiligheid als sociaal-economische aspecten aan bod, in Noord én Zuid. De sociaal-economische gevolgen voor de derde wereld komen niet aan bod in Europese wetgeving, maar juist die gevolgen van ggo-gebruik zouden wel eens het meest ingrijpend kunnen zijn. Enerzijds bieden ggo's in theorie enorme mogelijkheden om gewassen te beschermen tegen insecten, micro-organismen en schimmels, om grotere opbrengsten of voedingswaarde te realiseren, om gewassen beter bestand te maken tegen droogte of tegen zout in de bodem, en zelfs om voedselallergieën te voorkomen, zeggen specialisten. Anderzijds bestaat de vrees dat ggo's een extra concurrentievoordeel zullen vormen voor grote ondernemingen, ten nadele van de kleine boer, traditionele levenswijzen en het kleinschalig cultuurlandschap. Nee, zei professor Tullens, KUL-landbouweconoom, op het viWTA-publieksforum, ggo-technologie is juist schaal-onafhankelijk. Duizenden kleine boeren in China werken met ggo-zaad dat de overheid hen ter beschikking stelt. Voorts werken biotechnologen-zonder-grenzen samen met wetenschappers in het Zuiden. Maar het is natuurlijk de vraag of dat wel allemaal goed gaat lopen in ontwikkelingslanden met een zeer zwakke overheid en weinig bestuurskracht. En de grote biotechbedrijven staan waarschijnlijk niet te dringen om volop te investeren volgens de noden van al die kleine boeren in het Zuiden. Ben FaesBart Staes: 'Mijn mailbox zat donderdag vol met tevreden commentaren uit de hoofdkantoren van Greenpeace en Friends of the Earth.'