Toen de Amerikaanse oud-president Jimmy Carter op 10 december de Nobelprijs voor de vrede kreeg, werden twee dingen duidelijk. Eén: de zachtaardige, moedige Carter (78) verdiende de prijs al lang, voor zijn rol in het Camp David-akkoord tussen Israël en Egypte in 1978, en voor het goede werk dat hij sindsdien in de hele wereld heeft verricht.
...

Toen de Amerikaanse oud-president Jimmy Carter op 10 december de Nobelprijs voor de vrede kreeg, werden twee dingen duidelijk. Eén: de zachtaardige, moedige Carter (78) verdiende de prijs al lang, voor zijn rol in het Camp David-akkoord tussen Israël en Egypte in 1978, en voor het goede werk dat hij sindsdien in de hele wereld heeft verricht. Twee: het Nobelcomité begint zijn eigen geloofwaardigheid aan te tasten. Waarom kreeg Carter de prijs plotseling in 2002, een jaar waarin hij niets opvallenders deed dan in, zeg, 1984 of - zijn politieke 'topjaar' - 1994? Omdat de Noren hun prijs openlijk misbruikten voor politieke doeleinden. De verfoeide George W. Bush moest 'een schop' krijgen vanwege zijn Irak-beleid, zei voorzitter Gunnar Berge, en Carter werd voor dat oneigenlijke doel gebruikt als wapen. Vermoedelijk heeft Bush zijn schouders opgehaald over het rotje dat naar hem was gegooid. Maar de affaire wierp een schaduw over de prijs. Het leek tijdens de ceremonie alsof dit besef - een heel lichte verongelijktheid - in Carters aangenaam zuidelijke accent doorklonk toen hij in Oslo mooi sprak over oorlog en vrede, geweld en menselijkheid. Indirect gaf hij zijn verre opvolger Bush wel advies: 'De Verenigde Naties is de beste plek om de verschillen te beslechten die altijd bestaan tussen landen.' En: 'Oorlog mag soms een noodzakelijk kwaad zijn. Maar hoe noodzakelijk ook, het blijft een kwaad.'De diepgelovige Carter is tijdens zijn lange carrière van publieke dienst en activisme wel gewend geraakt aan politieke machinaties, aan weerstand, te late waardering en andere al te menselijke eigenschappen. James Earl, kortweg Jimmy, werd op 1 oktober 1924 geboren in Plains, een plaatsje met 650 inwoners in de zuidelijke staat Georgia. Al 150 jaar moesten de Carters, pindaboeren, hard werken om rond te komen. 'We hadden elke dag te eten, maar we hielden niets over. Het was geïsoleerd, maar niet eenzaam', heeft Carter gezegd. Hij was een pientere, blonde jongen, en maakte als eerste in zijn familie de middelbare school af, met goede cijfers. Omdat zijn oom, die hij verafgoodde, marinier was, wilde Jimmy ook naar de US Naval Academy in de staat Maryland. Hij was daar vanaf 1943 een uitmuntende student en een fanatieke sporter. Jimmy wilde admiraal worden, maar de dood van zijn vader in 1953 riep hem terug naar Plains. In 1946 was Elea-nor Rosalyn Smith zijn vrouw geworden, en samen werkten ze hard om de boerderij te moderniseren. Dat lukte, en de Carters klommen op tot de hogere middenklasse. Het protestantse geloof van de baptisten heeft Carter altijd vastgehouden. Hij bidt en gaat ter kerke, en God en Jezus zijn veruit zijn belangrijkste inspiratiebronnen. De filosofen die hem het meest beïnvloedden, staan verankerd in religie en in de strijd tegen sociaal onrecht: de Deen Søren Kierkegaard en de Amerikanen Paul Tillich en Reinhold Niebuhr, die geldt als de grootste theoloog in de Amerikaanse geschiedenis. In biografieën komt steeds Carters favoriete bijbelcitaat naar voren: 'Ik sta voor de deur en klop, als iemand mij hoort en opendoet zal ik bij hem binnenkomen en we zullen eten. Ik met hem en hij met mij.' (Openbaringen 3: 20.) Die filosofie van naastenliefde, van gast-vrijheid, respect en openheid, heeft Carters leven van begin tot heden gekenmerkt. In de jaren zestig wilde Carter handen en voeten geven aan de progressieve ideeën van de Democratische Partij die hem al sinds zijn schooltijd aanspraken. Het was tijd om de politiek in te gaan. 'De eer van public service', noemt Carter dat. Hij werd in 1962 gekozen in de staatssenaat van Georgia, en in 1970 volgde het gouverneurschap. Hij wist daar aandacht van ver buiten de staat te trekken. Carter vond en vindt verspilling zonde en decimeerde de bureaucratie: van 300 overheidsbureaus in Atlanta bleven er 22 over. Bovendien liet hij een portret van de zwarte burgerrechtenleider Martin Luther King in het Capitool ophangen naast andere beroemde Georgians. Het was de eerste zwarte die er een plek kreeg en dat leidde tot een fikse controverse - die Carter stoïcijns liet overwaaien. Het portret hangt er nog steeds. In 1974 besloot hij dat het tijd was voor ' bigger and better things'. Hij ging als Democraat de strijd aan met Gerald Ford, de man die Richard Nixon na het Watergate-schandaal (1973) had opgevolgd. De campagne was interessant. Dit was niet de tijd van Monica Lewinsky en Big Brother, maar wel die van Watergate. De pers en het publiek begonnen beter en kritischer te kijken naar politici. Carter gaf in september een interview met het blad Playboy; op zichzelf al een opvallende keuze voor een zuidelijke baptist, getrouwd en bijbelvast. Oprechtheid kenmerkte de kandidaat, zoals ook de interviewers van Playboy wisten. En dus antwoordde Carter eerlijk op een vraag: Ja, hij had 'vele malen in zijn hart lust voor vrouwen gevoeld'. Het is een niemendalletje vergeleken met Clintons buitenechtelijke avonturen, maar in 1976 veroorzaakte de ontboezeming een storm. De controverse leek hem eerst te schaden in de peilingen, maar uiteindelijk versloeg hij Ford ruim. Carter begon aan een bewogen termijn in het Witte Huis die geen goede waarderingscijfers zou krijgen. Hij gebruikte het woord compassie ruim twintig jaar voordat George W. Bush ermee aan de haal zou gaan in zijn inmiddels geheel vergeten 'conservatisme met compassie', waarmee hij campagne voerde. Carter wilde de overheid 'competent en compassionate' maken. Hij was een morele president, dat wil zeggen: 'Overtuiging, niet opportuniteit, en principe, niet politiek, bepaalden zijn presidentschap' schreven zijn voormalige topadviseurs Zbigniew Brzezinski en Stuart Eizenstat. Op zijn allereerste dag in het Witte Huis vaardigde hij een generaal pardon uit voor alle jongens die de dienst in Vietnam hadden ontweken. Hij boekte succes op buitenlandgebied, zoals de afspraak met Panama dat dit land in 2000 zelf de zeggenschap zou krijgen over het kanaal, dat de VS toen beheerde. Met de Sovjet-Unie kwam er het SALT II-wapenverdrag. Het hoogtepunt was het Camp David-akkoord, waarin hij de Israëlische premier Menachem Begin en de Egyptische president Anwar Sadat tot een historische vrede wist te bewegen. Niemand begreep waarom Carter hiervoor in 1979 niet de vredesprijs kreeg die hij dit jaar wel ontving. (Begin en Sadat deelden de prijs in 1978.) De vraag is of Carter voldoende politicus was, en niet te veel 'dominee', om in Washington en de wereldpolitiek succes te hebben. In eigen land worstelde hij met de gevolgen van de oliecrisis en kreeg hij een nieuw energiebeleid niet van de grond. De inflatie was hoog en zijn financieel-economische plannen brachten weinig resultaat. Op milieugebied speelde Carter veel klaar: hij kreeg wetgeving door een onwillig Congres om autofabrikanten schonere wagens te laten maken. En sinds Teddy Roosevelt aan het begin van de twintigste eeuw was er niet zoveel land toegevoegd aan de Nationale Parken, wat de redding van delen van de Noord-Amerikaanse wildernis betekende. Hij werd vooral opgeslokt door grote bewegingen op het wereldtoneel. De Sovjet-Unie viel Afghanistan in 1979 binnen en hoewel Carter fel protesteerde bij het Internationaal Gerechtshof en de VN deed niemand iets, ook Amerika niet. Veel verder dan een boycot door de westerse landen van de Olympische Spelen in 1980 kwam Carter niet. Zijn nadruk op de mensenrechtenschendingen in de Sovjet-Unie gaf wel inspiratie aan dissidenten als Andrei Sacharov, en aan groepen die later de democratische revoluties in Oost-Europa zouden leiden, zoals Solidariteit in Polen. Een drama speelde zich in de tweede helft van Carters presidentschap af in Iran. In Teheran werden op 4 november 1979 zeventig Amerikanen gegijzeld, en 444 dagen lang kon Carter niets doen. Hij probeerde het wel, maar de bliksemactie die de gijzelaars naar huis moest brengen, mislukte volledig. Dit was rampzalig voor het beeld van Amerika en van Carter in het bijzonder. Ironisch genoeg werden de laatste 53 vrijgelaten op 21 januari 1981 - de dag nadat Carter het roer had overgegeven aan Ronald Reagan, de man die hem verpletterend had verslagen bij de verkiezingen van 1980. Carter heeft gesuggereerd dat deze 444 dagen hem een tweede termijn hebben gekost. Teleurgesteld, maar zeker niet gebroken verliet hij Washington. Er kwamen in totaal zestien boeken. De titels verraden zijn bevlogenheid: Keeping Faith (1982), The Blood of Abraham (1985), Living Faith (1996). Maar de titel van zijn favoriete boek zegt ook veel: Oorlog en Vrede van Leo Tolstoi. Carter had inmiddels vier kinderen en de stroom kleinkinderen (nu acht) was op gang gekomen. Aan de beelden van Carter met al dat grut zie je dat de oud-president een geweldige grootvader is, met rare grappen, goed advies, een luis-terend oor en, als nodig, een streng woord. Hij startte het Carter Center in Atlanta, een stichting die democratie, vrijheid en mensenrechten wereldwijd stimuleert, en conflict en 'menselijk lijden' wil bestrijden. Hij kan hier zijn christelijke overtuiging combineren met activistische, progressieve politiek. Carter zei toen hij de Nobelprijs kreeg, dat die wel een blijk van waardering zou zijn voor zijn werk met het Center, en - hier lachte hij zijn gulle lach - vast niet voor zijn presidentschap. (De overwegingen van het comité blijven vijftig jaar geheim.) Een ander succesvol initiatief was Habitat for Humanity, een stichting die helpt betaalbare huizen te bouwen en te financieren voor mensen zonder veel geld. Hij is als elder statesman betrokken gebleven bij de politiek. In 1994 was hij druk bezig als onderhandelaar van Bill Clinton. Eerst in Noord-Korea, waar hij hielp het sunshine-beleid tussen Noord en Zuid op gang te krijgen. De ontspanning hield jaren stand, maar uiteindelijk ging het noorden verder met de ontwikkeling van atoomwapens, en de totale isolatie van de communistische staat keerde terug toen Bush Noord-Korea in 2001 bij de 'as van het kwaad' voegde. Blijvend succes was er voor de rol van Carter in Haïti, ook in 1994. Hij bemiddelde en wist een militaire interventie door de VS te voorkomen. In de VS staat Carter niet bekend als een grote of zelfs enigszins succesvolle president. De gijzeling in Iran is de meest gehoorde associatie met de periode die de wankele brug vormde van Nixon naar twaalf Republikeinse jaren onder Reagan en Bush senior. Amerikanen hebben nog wel eens veel tijd nodig om de grootheden in hun midden zélf te zien. Maar een voormalige medewerker, Jack Watson, zei kort geleden: 'Iemand heeft eens gezegd, en ik ben het daarmee eens, dat Jimmy Carter de enige man is in de Amerikaanse geschiedenis die het presidentschap gebruikte als een opstapje naar grootse dingen.'Op 10 december keken tweehonderd mensen op het Carter Center naar de live-uitzending van de prijsuitreiking in Olso. Ze waren blij en ontroerd, vooral toen Carter de uitspraak van zijn oude lerares, Julie Goldman citeerde: 'We moeten ons aanpassen aan veranderende tijden, maar ook vasthouden aan onveranderlijke principes.' Carter glimlachte toen hij dit zei, en sommigen herinnerden zich dat hij diezelfde woorden had aangehaald op een koude januaridag in 1977: de dag dat hij president werd. 'Ik ben zo trots dat hij de prijs krijgt nu hij nog onder ons is' zei Carolyn Clifford, zelf ook 78, die voor het Center werkt. 'Ik denk dat het een Amerikaanse eigenschap is dat we de prestaties van grootse mensen niet herkennen en waarderen tot ze dood zijn.'Jimmy Carter is springlevend. Hij fietst, jaagt, leest, bidt, bestrijdt landmijnen en vecht voor mensenrechten. En hij is altijd gewoon les blijven geven aan de zondagsschool van de Baptist Church in Plains. Het is mooi dat de minst gewaardeerde naoorlogse president met de meest principiële levenshouding nu geëerd is met de Nobelprijs. Dat zou niets te maken moeten hebben met de Noorse kritiek op president Bush, en alles met de intrinsieke goedheid van deze zuiderling. Diederik van Hoogstratencarter had de prijs in 1979 moeten krijgen voor het camp david-akkoord.