'Het is goed als je van mooie dingen houdt. Daardoor komt het natuurlijk dat je je onschuld hebt kunnen bewaren, je naïveteit, doordat je nog kunt kijken.'
...

'Het is goed als je van mooie dingen houdt. Daardoor komt het natuurlijk dat je je onschuld hebt kunnen bewaren, je naïveteit, doordat je nog kunt kijken.'Je zou zeggen: een compliment, en nog niet zo'n klein ook. Niettemin is het verspild aan de Duitse jongeman tot wie het gericht wordt, bij monde van een excentrieke en een beetje onheilspellende Roemeen, Mavrocordato geheten, op een tamelijk decadent feestje in het Teheran van toen nog de sjah, we schrijven 1979. Inderdaad heeft deze naamloos blijvende binnenhuisarchitect een opmerkelijk open oog - zolang het zijn vakgebied betreft dan. De grijze vloerbedekking in het hotel. De Zweedse faien-cetafeltjes en de sneeuwwitte schapenwollen dhurries in de kapitale villa waar het feestje wordt gegeven. De sjofelheid van het algemeen ziekenhuis waar hij vervolgens zijn vriend Christopher heen moet brengen (die is op de party door een glazen deur gegaan). Het lichtgrijze linoleum op de vloer van de Duitse ambassade, waar hij door de politie heen wordt gebracht nadat Christopher in het ziekenhuis is overleden (niet aan zijn snijwonden - hij was al veel langer ernstig ziek): dáárvan ontgaat onze jonge held allemaal geen enkel detail. Maar verder ziet hij in het land helemaal niets. Wat hij buiten tapijten, behang en decoratie en de luimen van zijn ex-minnaar Christopher waarneemt, glijdt van hem af als water van een eend. Dat de aanhangers van Khomeiny op het punt staan de sjah eruit te gooien en zijn tirannie te vervangen door hun theocratie - volstrekt keine Ahnung heeft hij ervan. Zijn algemene intellectuele bagage past dan ook ruim in een lucifersdoosje. De Zwitsers-Duitse schrijver-journalist Christian Kracht (°1966) gold na zijn romandebuut Faserland ('Vezelland', 'Rafelland') in 1995 meteen als een van de interessantste vertegenwoordigers van de popgeneratie in de Duitse letteren. Kosmopoliet (geboren in Zürich, verbleven in Canada, de VS, Zuid-Frankrijk en Noord-Duitsland, woont tegenwoordig in Bangkok) is hij, dandyesk en wel, niettemin een stuk minder dichtgeplamuurd voor de wereld om zich heen dan de holle hoofdpersonages die hij opvoert. Faserland beschreef een reis van noord naar zuid door de Bondsrepubliek der jaren negentig, aangedreven door alcohol, drugs en sigaretten en bekeken met de blasé blik van een ook al naamloze verteller. Precies door de blanco registratie van louter verschijnselen, die maar geen gebeurtenissen willen worden en elke betekenis lijken af te stoten, kon je het boek tegelijk lezen als volkomen transparant tijdsdocument én als bijtend commentaar. In 1979, zijn nieuwe roman, vernoemd naar het omineuze jaar waarin het islamitisch fundamentalisme zich met één klap op het wereldtoneel meldde, gaat Kracht nog een stap verder, letterlijk en figuurlijk. Zijn binnenhuisarchitect begeeft zich, na zijn oponthoud in Iran, op een pelgrimstocht rond de Tibetaanse heilige berg Kailasja, zoals Mavrocordato hem heeft aangeraden, om zich te zuiveren en te louteren. Maar, natuurlijk, Tibet is nog altijd wel verboden gebied, helemaal voor westerlingen. De verteller wordt gearresteerd en komt in de Chinese goelag terecht. Daar blijkt de profetie van Mavrocordato in Teheran ('jij, beste jongen, jij zult binnenkort worden gehalveerd, om daarna weer heel te worden') bewaarheid te worden, althans toch zeker voor de eerste helft: door de ontberingen die hij moet doorstaan, verliest de verteller zoveel gewicht dat hij ten slotte nauwelijks nog 38 kilo weegt. Dit alles wordt op een bestudeerd, maar zeer geslaagd wezenloze toon verteld, die vooral in de tweede episode effect sorteert. Het slot komt aan als een klap op een gong: 'Elke twee weken was er vrijwillige zelfkritiek. Ik ging er steeds heen. Ik was een goede gevangene. Ik heb steeds geprobeerd me aan de regels te houden. Ik heb me gebeterd. Ik heb nooit mensenvlees gegeten.'Bij verschijnen, herfst vorig jaar, werd deze roman in Der Spiegel 'een verontrustende tekst' genoemd, 'die als een blok donker graniet in het ( literaire) landschap ligt. Hard, koud, mooi, onbegrijpelijk, dreigend'. Dat is bijna niets te veel gezegd (al is het boek af en toe misschien iets te nadrukkelijk). Wat weet onze jonge held, met zijn lege hoofd, exquise smaak en perfecte beheersing van de luxelevensstijl die een bepaalde laag uit de westerse samenleving eropna houdt, als weerwerk te bieden tegen het totalitarisme van de Volksrepubliek, of tegen de dogmatische praatjes van een Iraanse café-eigenaar ('We hebben allemaal schuld op ons geladen, omdat we Amerika hebben toegelaten. We moeten allemaal boete doen. We zullen offers moeten brengen, ieder van ons. (...) (E)r is maar één ding sterk genoeg: de islam')? Niets. Helemaal niets. Hij heeft zich 'gebeterd'. Hij is 'een goede gevangene'. Il faut imaginer le prisonnier heureux. herman jacobsChristian Kracht, '1979', uit het Duits vertaald door Hans Hom, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 150 blz., a 16,95. In 1979 meldde het islamitisch fundamentalisme zich op het wereldtoneel.