'Soms heb je de indruk dat de zomer de eenzaamheid genereert', zegt Robert Devriendt. L'été solitaire d' une adolescente heet het werk waaraan hij bezig is. Een stuk of negen minutieuze, lichtende schilderijtjes ter grootte van een hand. Ze vormen een rij aan de wand van het helder witte ateliertje. Puzzelstukken uit een incestverhaal dat we zelf moeten opbouwen. Mij blijft het felle rood van een geranium bij, en een roze handtas aan de rand - een sacoche van Yves Saint-Laurent, op basis van een foto die hij in Parijs nam. In galerie Air de Paris exposeerde hij onlangs onder het thema sensualité et explosion, in de Brusselse Ravensteingalerij confronteerde hij het orgasme van een vrouw met een terreuraanslag in Irak: twee explosies, wreedheid, zich laten gaan, de controle verliezen.
...

'Soms heb je de indruk dat de zomer de eenzaamheid genereert', zegt Robert Devriendt. L'été solitaire d' une adolescente heet het werk waaraan hij bezig is. Een stuk of negen minutieuze, lichtende schilderijtjes ter grootte van een hand. Ze vormen een rij aan de wand van het helder witte ateliertje. Puzzelstukken uit een incestverhaal dat we zelf moeten opbouwen. Mij blijft het felle rood van een geranium bij, en een roze handtas aan de rand - een sacoche van Yves Saint-Laurent, op basis van een foto die hij in Parijs nam. In galerie Air de Paris exposeerde hij onlangs onder het thema sensualité et explosion, in de Brusselse Ravensteingalerij confronteerde hij het orgasme van een vrouw met een terreuraanslag in Irak: twee explosies, wreedheid, zich laten gaan, de controle verliezen. Hij neemt ons mee naar café Cranenburg, de beste plaats op de markt. Een publiek van toeristen en Bruggelingen, bediend door de vriendelijkste kelners in de stad. De luifels zijn in het verplichte donkergroen, zoals bij alle andere zaken in de buurt. 'Wie bepaalt dat? Een heel klein comité! Ik ben voor de diversiteit, mensen hebben verschillende ideeën, en uiten zich verschillend. Dáár moet men alle dingen aan aanpassen.' Wie dat wil, moet een sluier kunnen dragen. In Air de Paris paradeerde een man in een Amerikaanse legerbroek. Dat vond hij minstens even choquerend, nu de Amerikanen in Irak zitten. Wat een cynisme. En toch is het niet verboden. Uit zijn verhalenbundel Schilderen (Merz, 2001): 'Ik zie mijzelf over het marktplein stappen, als een onvermijdelijk snijpunt van mensen en gedachten, met een eigen mythe, een verhaal waarvan de aanzet over mij gelegd werd als een deken over een kinderbed.' De toren van de Halletoren is hem van jongsaf een doorn in het oog. Hij zou het belfortgebouw liever zonder zijn toren zien. Niet dat ze er een vliegtuig in moeten laten vliegen. De verhoudingen kloppen niet. Als van een superslanke persoon met kleine voeten, die zo zou kunnen omvallen. De toren, de trots van Brugge, is niet zijn trots. Als kind op het internaat van de broeders Xaverianen in de Nieuwstraat, was het beiaardspel het enige geluid van buiten wat tot hem doordrong, 's avonds in zijn bed. Als hij het nu hoort, is het voor hem onveranderlijk kwart over negen. Robert Devriendt (50), boerenzoon uit Wingene, was dertien toen hij leerde tekenen via de Famous artists course, een correspondentiecursus. Hij spaarde Soubry-punten voor reproducties van schilderijen van beroemde meesters. Die nam hij mee naar zijn kamertje in het Brugse internaat. Kijken naar Rubens' portret van Hélène Fourment, naar de fêtes galantes van Antoine Watteau, troostte hem. 'Kunst was een redmiddel uit de gevangenis van de realiteit, de chambrettes en de beiaard', zegt hij. Als hij 's morgens om kwart voor zeven zijn lessenaar opentrok, keek hij naar een winterlandschap van Jan Saverys. Het gaf hem het gevoel thuis te zijn. Hij schilderde een landschapje met een huis en hing het op in zijn chambrette. De volgende morgen was het weg. De afkeer van gesloten systemen dateert van toen. Begin jaren negentig betrok Devriendt een klein atelier in een oud en vunzig herenhuis in de Pieter Pourbusstraat, achteraan uitkijkend op de Augustijnenrei. In de buurt woonden ooit Vlaamse Primitieven. Vandaag maakt het huis een piekfijn opgeknapte indruk. 'In Brugge zijn er bijna niets anders dan duistere ateliers. Er zijn weinig huizen met heel hel en fel licht. En als kunstenaar kun je niet altijd een luchtig en ruim atelier betalen', zegt hij. Ook zijn schilderijen van toen hadden een donkere toon. In de viswinkel kocht hij vissenkoppen, hij nam dode vogels mee om ze af te schilderen. Het stonk in zijn atelier. In de bossen van Beernem ging hij wanhopig op zoek naar de natuur, zag stukken van dode bomen die hem deden denken aan oude schilderijen. Kan ik nog schilderen als Jacob van Ruisdael, vroeg hij zich af. Hij besefte dat hij een geïdealiseerd beeld van de natuur had. Het bestond niet. Het had nooit bestaan. De meeste van zijn schilderijen belandden in de container. De kleur van de stad is alle tonen van grijs. Tenminste voor mij, geboren en uitgeweken Bruggeling. De middeleeuwse gebouwen - de echte als de valse -, de straatstenen, het water, de mist, de herinnering en de droom. Voor de schilder Robert Devriendt is het bruinrood. 'Het is een beetje te warm voor mij', zegt hij. 'Te warm, baksteenrood. Ik ben altijd blij als ik over de grens ben, en in Frankrijk plotseling dat grijs zie.' In zijn werk zoekt hij de kleuren op waar hij op dat moment behoefte aan heeft, zoals mensen met een glucosetekort naar suiker grijpen. Net schilderde hij in rood en roze, 'het zachtste roze, het hardste roze, geen bloed, maar iets dat zweemt naar het blauwachtige'. Na drie dagen moest hij weg van het rood, het maakte hem ziek. Iets dicteerde hem dat hij nu parelgrijs nodig had. Er schuilt een helende kracht in kleuren, daar is hij van overtuigd. Mensen moeten de dingen opzoeken waaraan ze behoefte hebben, zodat ze weer in evenwicht komen. De behoefte aan bepaalde kleuren ziet hij altijd terugkeren bij kunstenaars. Het Goya-geel, het mooiste, citroenachtige geel. Met de vormen is het eender. Rechte vormen, organische vormen, vormen waar een soort verlangen in zit, zoals 'Arabische schrifttekens, daar zit bijna een soort van weemoed in verborgen. Totaal anders als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld het gotisch schrift. Je hebt nood aan bepaalde vormen en kleuren. En de nood verandert voortdurend, absoluut. Als je 's morgens opstaat, wat zou je willen zien? Een Velasquez? Een Tuymans? Of een klein beeldje? Zo functioneert dat, kunst. Naar een behoefte die moet worden ingevuld.'Twee weken geleden noteerde hij na een wandeling: 'In deze stad ben ik altijd een beetje op vakantie.' Bij een glas bier laat hij zijn liefde en haat voor Brugge de vrije loop: 'In zekere zin heb ik een hekel aan Brugge. Als ik zie waar er overal bloembakken gezet worden waar er geen zouden mogen staan, dan denk ik: wie beslist dat allemaal? En aan de andere kant denk ik soms, gelukkig dat er in Brugge toeristen zijn. Veronderstel, Brugge zonder toeristen, dat is veel erger dan Zwevezele. Er is een soort van zelfgenoegzaamheid in het zogenaamde respect voor de traditie. Soms zouden ze de traditie met opzet moeten breken.'In een klassieke Brugse straat zou hij metalen kokers, plastic en aluminium willen zien, respect voor hedendaagse vormen. Daarom maakt het transparante paviljoen op het Burg-plein hem gelukkig. De Japanse architect Toyo Ito bouwde het in 2002 voor 'Brugge culturele hoofdstad van Europa'. Een soort glazen honingraat, omringd door water, een kleine doorgangsruimte met een meditatief karakter. 'Van dergelijke gebouwen mogen er nog een stuk of vijftig bijkomen. Dat is een opluchting, ongelofelijk. Ik heb dat nodig. Als je te veel zoet hebt gegeten, heb je nood aan iets dat zuur is. Als ik al die sculpturale venstertjes zie, dan zeg ik, ik wil iets kouds, beton wil ik hebben! Lelijk beton, hoewel beton in feite net heel mooi is, beton is niet lelijk.'Van het Burg-plein via de Hoogstraat komt men in een lange straat die naar de Kruispoort loopt. De Langestraat is een normale straat, amper belast met Brugse stijlclichés. Langestraat en Verbrand Nieuwland, waar het atelier van de schilder ligt, vormden niet zo heel lang geleden een wat onveilige buurt. Op de hoek van de straat werd op een ochtend een man aangetroffen met een beitel in zijn hoofd. In het huis naast dat van de schilder werd vals geld gedrukt. Veelkleurig, volks, uitbundig en enigszins rumoerig is de buurt wel gebleven, hoewel er geen vijftig cafés meer zijn zoals toen. Alle leeftijden, beroepsklassen en diverse nationaliteiten zijn er vertegenwoordigd. Tweedehandswinkeltjes en handelszaken met iets bijzonders waar de schilder mij attent op maakt. Het lot van de Langestraat lijkt nog onbeslist: fris, en stemmig ingerichte panden staan er naast haveloze en leegstaande. Het kan er trendy worden, maar ook doodbloeden. De Marokkaan van de Oase met zuiderse specialiteiten, voeding, sjaals, potten en waterpijpen, geeft zelf les in koken. In de etalage staat een gesloten aarden pot waarin tajines klaargemaakt kunnen worden. 'Als je niet kunt koken, moet je daarmee beginnen', beweert Devriendt. Al het eten in de pot zonder opening, laten stoven en klaar. Maar we staan al bij de wapenwinkel van Jan Ruysschaert. De schilder wil niet doorgaan voor een wapenfanaat, maar bewondert de schoonheid van een rijk bewerkt geweer. Hier kocht hij zijn jagers-tas om zijn boeken in te stoppen. De etalage van Dag & Zonne puilt uit van rariteiten. Hij geeft toe vaak te kijken naar de oude juwelen, hun fantastische kleuren, de schittering. 'De schittering is altijd datgene wat leven doet, het licht vangt en het licht weerkaatst', zegt hij. Een groen glinsterende broche, een andere in een moeilijk te bepalen blauw tussen kobalt en ultramarijn. Manchetknopen, groenblauw en purper, 'dat is er even over'. Goedkope glitter? Daar heeft hij geen moeite mee. Hij denkt aan de schilder Vincent van Gogh, die op een kinderlijke manier gekleurde draadjes bewaarde om opeenvolgende kleuren te bepalen. Zo'n etalage 'is eigenlijk een schilderij'. De kringloopwinkel Leefbaar Wonen ligt helemaal aan het eind van de lange straat, daar is het nu te laat voor. Rechtsomkeert, terug richting Burg. Vlak voor de brug waar het water van de Groenerei, de Sint-Annarei en de Coupure samenkomt, staat een bankje. 'Als je daar aan de oever zit, heb je de indruk dat je op een boot zit. Dat je wegvloeit. Het water beweegt en het is alsof je zelf beweegt tegenover het water.' Onlangs mailde hij me een verhaal door van een wandeling langs dit traject. Nu, aan het begin van de Hoogstraat, bekent hij een leugen te hebben opgeschreven. De winkel met het tiental flat screens met hun 'helgroene Beyoncé-kleur, een leger van miljoenen pixels', bestaat niet. De werkelijkheid moest een draai krijgen. Trouwens, bestaan de vierkante trottoirtegels dan niet uit glinsterende hokjes als van pixels? In de Hoogstraat kondigt zich opnieuw het decor-Brugge aan. Maar tussen twee kolossale, gerestaureerde gebouwen zit een smalle steeg. In de spleet groeit onkruid langs vervallen muren. Plastic zakken op de grond. Plots kunnen we achter de coulissen kijken, achter het decor van de cultuur. Het doet hem verlangen naar lege ruimten in de stad, die langzaam overwoekerd worden door de natuur. 'Een lege ruimte geeft zo veel mogelijkheden, alsof je een stap terug doet. De cultuur verdwijnt en je houdt alleen de oorspronkelijke dingen over.' Als hij in de Steenstraat wandelt, kan hij de Inno wegdenken, de H&M en het plaveisel, dan 'ben je letterlijk met je voeten weer op aarde'. Dat beeld koestert hij, want het druist in tegen de bestaande decors. 'En een decor moet aan bepaalde wetten voldoen. Beïnvloed door mode, door politieke macht. Dat zijn allemaal decors. Als het mij te veel wordt, dan denk ik, het is maar een decor, je kunt het gewoon wegschuiven. Als mij iets echt ergert, draai ik de knop om, en dan zie ik een persoon, een elleboog, een paard dat voorbij stapt. Je kunt zeggen, paarden en koetsen, dat steekt tegen, dat is kitscherig. Maar wat is er lelijk aan een paard? Zie even dat haar voor dat oog hangen, dat is een fragment dat mij gelukkig maakt.'Langs de Mallebergplaats en de in haar oude pracht bewaarde winkelruimte van Rombaux, waar hij zijn muziek vandaan haalt. Om de hoek in de Philip Stockstraat, Huis Van Loocke, zijn schilderswinkel. Hij vindt de zaak warmte uitstralen, eerlijk amateurisme. Françoise begroet ons vriendelijk en kek. We lopen naar het rek met zijn favoriete Rembrandt-olieverf, alle nodige informatie in code op de tube. Fijne penselen, een moeilijke zaak om de juiste te vinden, en een dure aangelegenheid. We duiken weg in het donkere labyrint van het Celtic Ireland café. Elke avond gratis optredens met Keltische muziek, een wereldwijde rage die maar niet overwaait. De schilder komt er geregeld ter verpozing na het werk in het atelier. Om te lezen, om een seafood chowder te eten. We houden het bij een 'pint Mayners Original', een 'vintage' cider die naar champagne en een zacht bier smaakt. De goden waren eigenlijk Mayners Original drinkers. Toen hij eenmaal doorhad dat de 'echte' natuur niet bestond, deed er zich een eerste grote breuk voor in het werk van Robert Devriendt. Hij trok van een duister naar een klaar atelier waar het licht overal aan en onder kan. In dit heldere, objectieve licht begon hij opgezette dieren te schilderen. Geen dode dieren, want hij gaf ze een blik. En een lumineuze glanzende huid die zich mengt met de verfhuid, vat van ontelbare gedachten. Soms wenen de dieren, en dan kunnen het zelfportretten zijn. Een in het atelier rondslingerend schilderijtje, niet groter dan een hand, heet Zelfportret als wenend hert. Een mens verhoudt zich vaak tot een ander als een acteur in een soort drama, weg van het natuurlijke, bekneld door gesloten systemen. De hem voorgespiegelde vrijheid is maar schijn. De nieuwe technologie belooft de wereld te redden, de armoede op te lossen en de perfecte oorlog te voeren. Maar ze maakt ons vooral machteloos. De schilder reageerde 'bijna undercover': met opgezette dieren. En de toeschouwer vond het mooi omdat hij dacht dat alles echt was. Het was, echter, de illusie van een illusie. Twee dagen na het tweede en laatste bezoek aan de schilder Robert Devriendt in Brugge, bereikte mij per e-mail de volgende tekst: 'Gisteren zou onze wandeling een heel ander karakter gehad hebben. Alles schitterde: de verleidelijke posters in de trendy etalages van de winkelstraten, de gouden prints op de T-shirts van de toeristen, de glanzende vacht van paarden die de stilte met een flamencoritme onder hun hoeven vertrappelden. Ik werd verblind door het chroom van een gloednieuwe Mercedes die tot in het centrum van de stad was doorgedrongen. HET LICHT stuitte op de dingen, splitste zich onophoudelijk als op een geslepen edelsteen en bereikte je via ontelbare weerspiegelingen. En dan de zoete geur van parfums... Het had iets van een futuristisch schilderij, van films die over elkaar geprojecteerd werden. Nergens vond je blik enige rust. Je werd voortdurend meegesleept in de beweging van mensen en dingen. Je moest al heel zorgvuldig inzoomen om erin te slagen iets langer dan een paar seconden te bekijken. Ik stapte een koele boekhandel binnen en vond er niets waardoor ik aan de zuigkracht van de beweging op het grote plein kon ontsnappen. Hoe heerlijk om de 'vrije' blik (in tegenstelling tot het gedwongen parcours dat een gids de toeristen oplegt) zijn gang te laten gaan en de stemmingen te ondergaan die deze rusteloze blik genereert. Ik dacht: zoveel dingen die mij positief stemmen, zoveel dingen die mij voortstuwen...'Door Jan Braet - Foto's Nick Hannes