Nu pas - en geen week eerder - kunnen we terugkijken op de twintigste eeuw, en op het hele tweede millennium. De eeuw is voorbij, er kan niets meer aan toegevoegd of van afgenomen worden. Ze bestaat nog alleen in de herinnering.
...

Nu pas - en geen week eerder - kunnen we terugkijken op de twintigste eeuw, en op het hele tweede millennium. De eeuw is voorbij, er kan niets meer aan toegevoegd of van afgenomen worden. Ze bestaat nog alleen in de herinnering.Ondertussen is iedereen het terugblikken moe, want dat hebben we een jaar geleden al uitgebreid gedaan. Een jaar te vroeg, want al staat het iedereen vrij een eeuw te definiëren zoals hij wil en haar te laten beginnen en eindigen wanneer hij verkiest, het is gebruikelijk bij het tellen te beginnen van één, niet van nul, en dus ligt het voor de hand de jaren van de 21ste eeuw te tellen vanaf 2001, en niet vanaf 2000. Als men de nieuwe eeuw toch vanaf 2000 wil laten beginnen, dan is het maar consequent om het nieuwe millennium ook vanaf de 20ste eeuw te laten aanvangen, en niet vanaf de 21ste. Dat zou dan betekenen dat de millenniumovergang plaatsgevonden heeft bij het begin van de 20ste eeuw, dus op 1 januari van het jaar 1900. Of beter nog, om helemaal consequent vanaf nul te tellen, op 0 januari 1900, dat is de dag vóór 1 januari 1900, dus op 31 december 1899. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die deze opvatting verdedigde en dus is het maar logisch de nieuwe eeuw ook niet in 2000, maar in 2001 te laten beginnen. Nu dus. Vanaf nu zouden de media moeten uitpakken met kronieken en relazen van de voorbije eeuw en van het voorbije millennium, juist nu iedereen de opgerakelde materie hartsgrondig beu is. Wat op tijd komt, komt te laat voor een publiek dat het gewoon is zijn eten opgediend te krijgen voor het helemaal gaar is. Precies op tijd, en dus hopeloos te laat, volgt hier de terugblik die ikzelf zou willen werpen op de kalenderperiode die afgesloten is. Welke periode? Veel meer dan de eeuwwisseling, is de millenniumovergang de bijzondere gebeurtenis van het moment. Van een millennium een overzicht bieden is echter onbegonnen werk. Het probleem is niet dat er te veel gebeurt in duizend jaar, maar dat we zelf te veel veranderen om nog op een samenhangende manier het geheel te kunnen overschouwen. Dat blijkt al bij het stellen van een eenvoudige vraag, zoals bijvoorbeeld de populaire prijsvraag van elk jaar: 'wie was de belangrijkste man of vrouw van het afgelopen jaar?' Het Amerikaanse weekblad Time houdt met die kwestie jaarlijks een wereldwijd publiek in spanning. Welnu, laten we de vraag stellen: wie was de belangrijkste man of vrouw van het millennium? Allerlei namen komen voor de geest: Newton, Gutenberg, Pasteur, Napoleon, Shakespeare, Marie Curie, Edison, Bach, Michelangelo, George Washington, Keizer Karel, moeder Theresa, Leonardo da Vinci, Einstein... Tot 'man van de eeuw' (niet van het millennium) koos Time vorig jaar Einstein (een keuze waar ik me graag bij aansluit). Zij impliceert meteen dat geleerdheid hoger geschat moet worden dan elke andere kwaliteit die een mens een plaats in de geschiedenisboeken kan bezorgen. Als we datzelfde criterium toepassen op het afgelopen millennium, luidt de vraag: wie was de geleerdste man of vrouw van de voorbije duizend jaar? Wie zeker voor de titel in aanmerking moet komen, is Thomas van Aquino, de dertiende-eeuwse scholasticus. Thomas' Summa Theologica is een magistrale synthese van theologie, metafysica en kosmologie, wellicht de grootste intellectuele prestatie ooit geleverd. Maar door de naam nog maar te opperen, voelt men hoe kansloos de idee is om in onze tijd op een algemene instemming te kunnen rekenen. Nog maar weinig mensen hechten betekenis aan de geleerdheid van Thomas, en naast die van Einstein lijkt ze irrelevant geworden. Ongetwijfeld zouden op de drempel van de 21ste eeuw meer mensen Einstein de titel van grootste geleerde van het hele millennium willen verlenen, een keuze die dan zeker mee wordt bepaald door de vertekende kijk van de twintigste-eeuwer die de wetenschap van zijn eigen eeuw boven elke andere vorm van kennis waardeert. Kunnen wij ons voorstellen dat men over duizend jaar op Einsteins relativiteitstheorie neerkijkt als op een weliswaar bewonderenswaardig stukje denkwerk dat echter nauwelijks iets betekent voor een goed begrip van de wereld? Duizend jaar is te lang voor een samenvattend beeld. Aan het eind ervan begrijpen we het begin niet meer. Voor ons zijn de kruistochten verachtelijk militaire expedities, ingegeven door religieus fundamentalisme en cultureel imperialisme. De motivering die de kruisvaarders zelf dreef is ons vreemd geworden, en dat mogen we als een morele vooruitgang beschouwen maar het maakt ons wel onbekwaam om het gebeuren van die tijd te begrijpen. Hoe zal men over duizend jaar oordelen over de 'verklaringen van de rechten van de mens' waar wij zo trots op zijn? Zal het opeisen van 'rechten' zelf niet als een laakbare vorm van agressie opgevat worden? Ik laat het voorbije millennium daarom buiten beschouwing, en bepaal me tot de afgelopen eeuw. Wie was de persoon van de eeuw? Dat mag, wat mij betreft en zoals ik al zei, Albert Einstein zijn. De man heeft met zijn algemene relativiteitstheorie diepe geheimen van ruimte en tijd ontsluierd en daarmee het meest bijgedragen tot een begrip van de fundamentele structuur van de wereld. Het onderzoek van de kosmos is een van de meest nobele en verheffende ondernemingen van de mens. Het levert niet alleen wetenschappelijke kennis op maar verschaft ook een ongekend esthetisch genot, want dat de wereld mooi is en zowel de zintuigen als de geest mateloos kan bevredigen, blijkt met overweldigende duidelijkheid uit de geschiedenis van dat onderzoek en in het bijzonder uit Einsteins theorie die daar een voorlopig hoogtepunt van is. Op andere traditionele domeinen van menselijke bezigheid, zoals de politiek, de kunsten, de religie, is de eeuw (in mijn ogen) door een dal gegaan, of zelfs in een afgrond getuimeld, en we kunnen maar hopen dat het diepste punt achter ons ligt. Het domein waarop zij echter als geen ander tijdperk creatief en origineel was, is dat van de technologie. Het werk van de ingenieurs was in hoge mate vernieuwend, gedurfd en zelfs muzisch. De poëzie van de twintigste eeuw is een zevenlenzig anastigmatisch objectief van Zeiss, de muziek een C130 Hercules van Lockheed die door de lucht zoeft. Een eeuw die zo zong, blijft naklinken. En moeten we, nu de tijd is aangebroken, spoedig aan verdere nabeschouwing onderwerpen.Gerard Bodifée