Veruit de interessantste Vlaamse poëziedebutant van de jongste jaren is Peter Holvoet-Hanssen, van wie in 1998 de bundel Dwangbuis van Houdini verscheen. Alleen wie prut in de ogen had, kon het ontgaan dat daarin tal van echo's van het werk van Paul van Ostaijen (1896-1928) doorklonken. Niet dat Holvoet-Hanssen een zoveelste, late epigoon van Van Ostaijen zou zijn, verre van. Het waren echo's waar hij iets interessants mee aanving en bovendien was er eerder sprake van een gelijklopende mentaliteit en dito poëticale principes dan van uitdrukkelijke referenties.
...

Veruit de interessantste Vlaamse poëziedebutant van de jongste jaren is Peter Holvoet-Hanssen, van wie in 1998 de bundel Dwangbuis van Houdini verscheen. Alleen wie prut in de ogen had, kon het ontgaan dat daarin tal van echo's van het werk van Paul van Ostaijen (1896-1928) doorklonken. Niet dat Holvoet-Hanssen een zoveelste, late epigoon van Van Ostaijen zou zijn, verre van. Het waren echo's waar hij iets interessants mee aanving en bovendien was er eerder sprake van een gelijklopende mentaliteit en dito poëticale principes dan van uitdrukkelijke referenties. Holvoet-Hanssen is zeker geen uitzondering. Meer zelfs, wie Geert Buelens wil geloven, moet aanvaarden dat de hele Vlaamse poëzie van de vorige eeuw de invloed van Van Ostaijen heeft ondergaan, al kon die beïnvloeding zich zowel in positieve als in negatieve zin voltrekken. Concreter: zowel in de reflectie over als in de praktijk van de poëzie lijkt elke dichter van betekenis wel verplicht om, impliciet of expliciet, een standpunt in te nemen tegenover Van Ostaijen. Vandaar dat Geert Buelens de studie - eigenlijk de handelseditie van zijn proefschrift - waarin hij Van Ostaijens invloed op de Vlaamse poëzie in kaart brengt, met een wat melige woordspeling de titel Van Ostaijen tot heden meegaf. Deze titel suggereert bovendien al iets meer dan wat het eigenlijke onderzoeksvoorwerp (Van Ostaijens poëticale erfenis) laat veronderstellen. In feite schreef Buelens met dit boek niets minder dan een geschiedenis van de Vlaamse poëzie in de twintigste eeuw, van 1916, het jaar waarin Van Ostaijens debuut Music-Hall verscheen, tot, zo goed als letterlijk, vandaag, met het oeuvre van Holvoet-Hanssen, die nu al aan zijn derde bundel toe is. Het lijkt haast een kwestie van economie: nu hij toch die invloed aan het bestuderen was, en het blijkt dat die in het geheel van de Vlaamse poëzie merkbaar is, dan kon hij net zo goed maar meteen die hele geschiedenis uitspellen. Wat aan 1916 voorafgaat, noemt Buelens in zijn boek dan ook consequent 'de voorgeschiedenis'. Ze begint met de vormvernieuwingen van Guido Gezelle en laat verder vooral Karel Van de Woestijne oplichten. Beiden lijken als het ware de herauten te zijn, de profeten die een heiland aankondigen, of die toch minstens de bakens uitzetten van de traditie waarin Van Ostaijen het orgelpunt zal vormen. Op dezelfde manier werd Gaston Burssens achteraf wel eens aangezien als plaatsvervanger op aarde van 'de heilige' Van Ostaijen. De geschiedenis begint in dit boek pas met - inderdaad, boem paukenslag! - Paul van Ostaijen.EEN KORT OPENBAAR LEVENBuelens brengt zelfs de krachttoer voor mekaar om zijn boek niet zomaar chronologisch af te sluiten in het heden, maar om te suggereren dat de Vlaamse poëzie in dat slot met Peter Holvoet-Hanssen opnieuw bij een nulpunt en dus een nieuw begin is aanbeland. Het wekt allemaal al snel de indruk alsof hier als het ware een soort 'teleologische' geschiedenis wordt geschreven, die moet bewijzen wat er te bewijzen valt, waarbij altijd het risico bestaat dat de feiten in een vooraf vastgelegd keurslijf worden gedwongen. Maar het moet gezegd dat dit best meevalt; daarvoor is Buelens' argumentatie te sterk en zijn betoog te coherent. In deze geschiedenis is het dat vanostaijeniaanse perspectief dat de verhaallijn bepaalt en dat Van Ostaijen tot heden ook body en structuur verschaft. Dat uitgangspunt had in alle geval als effect dat Buelens niet kon verzinken in het vaak pseudo-objectieve vogelperspectief van de klassieke literatuurhistoricus. Die heeft de gewoonte om het veld vanuit de hoogte te overschouwen en vervalt dan nogal makkelijk in geijkte classificaties en misschien erg complete maar vaak weinigzeggende opsommingen van dichtersnamen en boektitels. Daartoe kon Buelens zich niet beperken; hij had tenslotte constant te bewijzen dat zijn basishypothese ook steek hield. Het uitgangspunt had nog een tweede voordeel. Nu Buelens dan toch, als het ware en passant, die geschiedenis vanuit dat perspectief aan het schrijven was, kon hij niet anders dan het eigenlijke poëtische werk erbij nemen. Dat is minder vanzelfsprekend dan het op het eerste gezicht lijkt, al was het maar om de eenvoudige reden dat het geen makkelijke klus is om alle sinds 1916 geschreven, betekenisvolle poëzie weer onder ogen te krijgen. Het is ook om een andere reden niet evident. Veel studies over poëtica's beperken zich nu eenmaal tot de analyse van programmatorische geschriften, manifesten, beginselverklaringen of andere teksten waarin dichters hun theoretische beginselen en opvattingen uiteenzetten. Maar zulke teksten geven alleen een inzicht in de intenties en zeggen niet noodzakelijk veel over de praktijk, meer bepaald over de gedichten die op grond van deze intenties zijn geschreven. En dat is net iets wat Buelens geleerd moet hebben uit de ervaring met Van Ostaijen zelf: zeker in de eerste helft van diens (korte) openbare leven als dichter, bleek dat de praktijk meestal achterophinkte bij de theorie, dat de gedichten (nog) niet beantwoordden aan de theoretische inzichten die Van Ostaijen in dezelfde tijd uitschreef. Het resultaat van de optie om de poëzie zelf volop te betrekken in de analyse van de poëtica, is dat Van Ostaijen tot heden bulkt van gedichtenanalyses, waarvan sommige door hun uitvoerigheid en diepgang tot monografietjes over deze of gene dichter zijn uitgegroeid. Belangrijk is wat Buelens daarbij vooraf aanstipt: de esthetische factor speelde voor hem ook mee, in tegenstelling tot een opvatting die hij in het succes van de zogeheten Cultural Studies situeert. Deze wat modieuze stroming beschouwt esthetische eigenschappen uitsluitend als in de tekst geïnduceerd of geprojecteerd. Een waardering van de 'kwaliteit' is in deze optiek niet eigen aan de tekst, maar aan degene die ze eraan toekent - of ontzegt. Buelens weigerde deze abdicatie, ja onverschilligheid tegenover de esthetiek en koos daarentegen voor de problematisering, door in de analyse zijn eigen kwaliteitsoordelen zelf voortdurend ter discussie te stellen. PLICHT TOT THEORIEEen concreet resultaat daarvan is dat de lange tijd populaire dichteres Alice Nahon, die door Van Ostaijen zelf herhaaldelijk als zijn poëticale antipode werd voorgesteld, in Van Ostaijen tot heden weliswaar herhaaldelijk wordt genoemd, maar geen brede analyse waard kan zijn. Om reden van (gebrek aan) kwaliteit. Helemaal onschuldig is dat niet, zoals ook Buelens in zijn conclusie aanstipt. Met name het brave, 'ouderwetse' en conformistisch-boodschapperige werk van Nahon is lange tijd ingezet als een 'begrijpelijk' en 'leesbaar' alternatief voor de modernistische poëzie, die gemakshalve kon worden omschreven als publieksonvriendelijke geheimtaal. En zo kon niet alleen een poëtica, maar ook een daarmee samenhangende, conservatieve ideologie worden gelegitimeerd. En zeker bij een aantal experimenten uit de jaren '50 en '60, was dat verwijt van duisterheid niet eens onterecht. Het opvallendste aan de impact die Van Ostaijen op de Vlaamse poëzie heeft gehad, is de kennelijke wendbaarheid van de theorie. Iedereen slaagde er altijd met opvallend gemak in om zich 'een eigen Van Ostaijen' te verzinnen die dienstig was als basis en verantwoording voor de eigen poëzieopvattingen. Zo kon het ook gebeuren dat aanhangers van geheel tegenstrijdige, elkaar verbaal naar het leven staande dichters toch op dezelfde aartsvader Van Ostaijen een beroep konden doen, zoals in de jaren zeventig de doe-maar-gewoon nieuwrealisten versus de esthetische poseurs van de pink poets versus de formalisten. Of vijftien jaar later de 'postmodernisten' als Dirk van Bastelaere versus de 'performers' à la Tom Lanoye. Aangezien voor elk van deze accaparaties wel een grond te bedenken viel, kan dat er alleen op wijzen dat Van Ostaijens poëtica uitermate veelzijdig en genuanceerd uitviel. En daarbij mag er best rekening mee worden gehouden dat die poëzieopvatting in amper een goed decennium tot stand was gekomen, want tenslotte overleed Van Ostaijen al minder dan twaalf jaar na het verschijnen van zijn debuutbundel. Van Ostaijen groeide niet uit tot een referentie omdat diens poëtica hol, vormloos of in alle richtingen uitrekbaar was, maar net door het omgekeerde ervan, door haar strengheid en complexiteit. Daaruit kon iedereen naar hartenlust die ingrediënten lichten die hem of haar van pas kwamen. Die poëtica was overigens vooral origineel in het amalgaam waarin Van Ostaijen de invloeden verwerkte die hij zelf had ondergaan. Hij had het zo'n beetje van overal bij elkaar gestolen. Desnoods kon, enigszins pathetisch, zelfs Van Ostaijens biografie als voorbeeld dienen, met het - overigens voor Van Ostaijen wat problematische - clichébeeld van de bij zijn leven altijd onbegrepen en miskende dichter, wiens marginaliteit in het literaire veld uiteindelijk als een waarborg voor de kwaliteit van diens werk kon worden voorgesteld. Dat Van Ostaijen kon uitgroeien tot de spil van haast alle poëziediscussies in Vlaanderen heeft uiteindelijk veel te maken met zijn ingesteldheid. Het ging dan meer bepaald om een mentaliteit waarbij de dichter de vrijheid nam om de vrijheid te nemen, niet alleen tegenover de heersende dogma's, maar ook tegenover de heersende ideologie die deze conventies had voortgebracht. Maar het was wel een vrijheid die alleen bestaansrecht had in de context van een verantwoordingsplicht. Want voor de vernieuwer Van Ostaijen had de vernieuwing meer bepaald geen bestaansrecht zonder theoretische reflectie daarover. Dat laatste wordt weleens vergeten. De discussies die daarrond opduiken telkens wanneer de poëticale paradigma's aan het schuiven gaan, wijzen erop dat Van Ostaijen vandaag misschien wel gecanoniseerd mag lijken, maar dat daaronder de polemiek maar niet ophoudt.Geert Buelens, 'Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie', Vantilt - Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Nijmegen-Gent, 1302 blz., 2275 fr. (56,4 ?)Marc Reynebeau