In de discussies over La Petite Bande van de laatste weken draaide het vaak rond de vraag hoe vernieuwend Sigiswald Kuijken nog bezig is. Zijn nieuwe cd met de cellosuites van Bach gaat recht naar de kern van die vraag. Kuijken speelt de vermaarde suites immers op een instrument dat enkel nog in een paar musea te zien is: de viola da spalla of schoudervioloncello. Hij liet de Russische luthier Dimitri Badiarov er in 2004 eentje nabouwen en gebruikt ze sinds een paar jaar in opnamen, nu dus ook in de cellosuites...

In de discussies over La Petite Bande van de laatste weken draaide het vaak rond de vraag hoe vernieuwend Sigiswald Kuijken nog bezig is. Zijn nieuwe cd met de cellosuites van Bach gaat recht naar de kern van die vraag. Kuijken speelt de vermaarde suites immers op een instrument dat enkel nog in een paar musea te zien is: de viola da spalla of schoudervioloncello. Hij liet de Russische luthier Dimitri Badiarov er in 2004 eentje nabouwen en gebruikt ze sinds een paar jaar in opnamen, nu dus ook in de cellosuites waar ze voor het eerst moederziel alleen opklinkt. In het begeleidende boekje haalt de solist nogal wat historische argumenten aan om zijn ongewone keuze te verantwoorden. In Bachs tijd werd het woord 'violoncello' gebruikt voor een grote viola die op de schouder werd gespeeld, zegt hij met enkele historische bronnen en afbeeldingen ter staving. Sommige grepen in de suites zijn op een 'echte' cello eigenlijk alleen goed te nemen met een duimtechniek die in Bachs tijd nog niet werd gebruikt, terwijl ze op de veel kortere viola da spalla vanzelf gaan. Kuijken illustreert dat op de cd trouwens door sommige passages bijzonder snel te nemen. Last but not least: de zesde suite is geschreven voor een vijfsnarig instrument. Cello's met vijf snaren bestonden niet, vijfsnarige schoudercello's wel. Fascinerend is de spalla in elk geval. Om dezelfde diepe toon als een cello te krijgen, moeten de veel kortere snaren extra densiteit krijgen. De tweede darmsnaar krijgt bijvoorbeeld een bad in een metaaloplossing: een techniek die we al lang vergeten zijn. Als je erop ziet spelen sta je verbaasd van de diepe klank en het grote volume van het instrument, dat met een band rond de hals wordt gedragen en tegen de borst of de schouder wordt gelegd. Maar naar hedendaagse normen heeft de spalla ook haar grenzen, die je op de cd goed hoort: ze resoneert soms overmatig (op de moderne g-mol) en het geluid van de snaren is net als op andere oude strijkinstrumenten erg fysiek, wat rasperig. Je kunt op deze cd op drie manieren reageren. Twijfelend, om te beginnen. Kuijken heeft een punt, maar zijn gelijk kan hij tot dusver ook niet duidelijk bewijzen: terecht zegt hij zelf dat in Bachs periode er een grote verwarring heerste rond de benamingen van instrumenten. Of je raakt erdoor gefascineerd en dan hoor je net zoals hij een stem uit het verre verleden weer opklinken. Ofwel gaat de hele spalla je veel te ver en keer je terug naar de stradivariusklank van Rostropovitsj of excentriekere lieden. De keuze van Kuijken is in elk geval controversieel, maar is ze vernieuwend? Dat hangt ervan af welk van de drie standpunten je kiest. Peter Vandeweerdt