Op de negentiende verdieping van zijn flat in Amsterdam kijkt Tim Krabbé uit over de Amstel. Het geluid van de voorbijvarende schepen en tankers is niet te horen. In zijn met boeken volgestouwde woonkamer heerst een haast gewijde stilte. Hier, in een wat studentikoze sfeer, vindt de auteur zijn inspiratiebron.
...

Op de negentiende verdieping van zijn flat in Amsterdam kijkt Tim Krabbé uit over de Amstel. Het geluid van de voorbijvarende schepen en tankers is niet te horen. In zijn met boeken volgestouwde woonkamer heerst een haast gewijde stilte. Hier, in een wat studentikoze sfeer, vindt de auteur zijn inspiratiebron. Met Een Goede Dag voor de Ezel voegde Tim Krabbé onlangs nog maar eens een boek toe aan de Nederlandse literatuur. Het is een werk over verschillende soorten liefde, een boek dat hij mooi vindt. 'Ik schrijf voor mezelf, ik hou me niet bezig met genres, ik sta buiten welke stroming ook, de enige maatstaf is dat ik me in mijn oeuvre kan vinden', zegt Krabbé met de flair en branie van een auteur die het heeft gemaakt. Tim Krabbé (62) geldt in Nederland als een buitenbeentje. Hij distantieert zich van een postmoderne en overgestyleerde stijl, hij bedient zich niet tot in het oneindige van de rijkdom van onze taal, hij zoekt niet eindeloos naar mooie passages maar schrijft krachtig en verzorgd, helder en spannend, scherp en indringend. Ooit reed Tim Krabbé als wielrenner een tijdje bij de amateurs. Vanuit die invalshoek maakte hij het boek De renner dat in 1978 verscheen, dat inmiddels aan zijn twintigste druk toe is en volgend jaar wordt uitgebracht in Duitsland en Italië. Krabbé mengde een door hem gereden wedstrijd in Zuid-Frankrijk met impressies uit het peloton. Het boek werd bejubeld en geldt nog altijd als een meesterwerk. Zes jaar later bundelde Krabbé 43 wielercolumns. Hij schreef zijn stukjes vanuit een onconventionele kijk op het wielerwereldje. Tim Krabbé, broer van acteur Jeroen Krabbé, heeft niet alleen een passie voor wielrennen, maar ook voor schaken. Hij heeft wekelijks een schaakcolumn in Het Algemeen Dagblad. In het verleden schreef hij onder meer voor Vrij Nederland, Elsevier, de Volkskrant en het NRC Handelsblad, maar die activiteiten brak hij af om zich volledig op zijn boeken te gooien. Tim Krabbé: 'Ik besteed bijna al mijn tijd aan het schrijven. Om negen uur 's ochtends zit ik achter mijn computer, ik ga door tot een uur of één. Dan lunch ik en maak ik een fietstochtje, om vier uur begin ik opnieuw. Maar dan ben je te moe om nog creatief te zijn. Ik neem dan wat aantekeningen door, ik maak een uitdraai van wat ik schreef, voer wat correcties uit, vul die aan met nieuwe invallen, en tik alles weer in. 'Als schrijver heb je een probleem: je moet de strengste lezer zijn van je eigen werk, je moet net zolang lezen tot je geen slordigheden meer ziet. Dat vraagt veel zelfkritiek. Daaraan ontbreekt het me absoluut niet. Soms maak ik van een bepaald hoofdstuk wel zestig versies. Daarbij moet je er wel over waken dat je een tekst niet doodmaakt, het moet allemaal een beetje levendig blijven, hier en daar mag een slordigheidje blijven staan. Het is natuurlijk allemaal vreselijk vermoeiend, net zoals het schrijven op zich geestelijk enorm belastend is. Ik zeg altijd: schrijven is ploeteren in een plas modder, tot er wat eilandjes bovenkomen die goed zijn. Het is een soort polderwerk, ik probeer dat droog te malen, het water weg te krijgen tot er alleen maar land overblijft. In feite ben je altijd aan het schrijven. Ook als je in de auto zit bijvoorbeeld. Ik heb altijd een bandrecorder bij me, als ik een idee krijg, spreek ik dat snel in. En dan denk ik na of dat idee in mijn verhaal in te passen is. Ik heb constant een reservenbank met honderden ideeën voor het verhaal, en af en toe wijs ik een wisselspeler aan die mag meedoen. Tot ik helemaal tevreden ben. Dat kost enorm veel energie.'TIM KRABBÉ: Ik ben een tijdje geleden weer beginnen te koersen, bij de superveteranen zoals ze dat hier noemen. Het wielrennen sprak me altijd enorm aan, al duurde het tot mijn dertigste voor ik ermee begon. Ik kom uit een milieu van kunstenaars en daarin werd niet over wielrennen gesproken. Bovendien is een fiets erg duur. Dat heb ik altijd zo vreemd gevonden: wielrennen is een volkssport, maar het kost verschrikkelijk veel geld om ermee te beginnen. Ik had wat aanleg, kenners zeiden me dat ik een goede middelmatige professional kon worden. Ik droom eigenlijk al van mijn tiende van een car- rière als wielrenner, maar het kwam er niet van. Daarom begon ik te voetballen, maar daar had ik geen talent voor. Alleen: op die leeftijd weet je dat niet. Op mijn elfde zag ik op school twee jongetjes schaken en ik dacht: dat moet ik ook kunnen. Ik was ongelooflijk gefascineerd en dat is nooit meer weggegaan. Dat is met veel goeie dingen zo: een liefde begint altijd irrationeel. Ik ken heel veel wielrenners die met koersen zijn begonnen omdat ze de fiets zo'n prachtig ding vonden. Ik schaak vandaag nog altijd. KRABBÉ: De abstracte schoonheid, meer dan het wedstrijdelement. Al vind ik schaken wel een sport, ook al lijkt de fysieke inspanning te ontbreken. Ik was na een zware schaakpartij vaak vermoeider dan na een wielerwedstrijd. Het denken vreet energie. En je staat constant onder spanning. Ik kan genieten van een briljante zet, het schaken zit vol schitterende acties, je kunt je daarin heel erg verdiepen. Ooit ben ik naar Rusland geweest omdat iemand daar een bepaald schaakprobleem had opgelost, ik wilde daar alles van weten. Ik vind dat wiskundige dingen iets elegants hebben. Mathematiek, kunst, schaken, het ligt allemaal dicht bij elkaar. KRABBÉ: Oorspronkelijk lag het vooral sociaal ver uit elkaar. Maar nu is zowel schaken als wielrennen voor iedereen. Vroeger stonden er ongeletterde boeren op het podium, nu zijn het ontwikkelde jongens. Als je hoort hoe goed Engels Tom Boonen spreekt. Die werelden zijn echt in elkaar gelopen. En dan zie je dat het sportelement toch verbindt. Ik ken behoorlijk wat wielrenners die schaken, en schakers die wielrennen. KRABBÉ: Ik vind het nog altijd schitterend om te kunnen fietsen. Er bestaat in Zuid-Frankrijk een Ronde van Tim Krabbé, en dat refereert aan mijn periode als wielrenner. Ik zat als amateur elk jaar een paar maanden in de Cevennen om te trainen, en in die omgeving speelt ook mijn boek De Renner zich af. In 2003, toen het boek vijfentwintig jaar bestond, kregen enkele mensen het idee om zo'n Ronde te organiseren. Straks, in juni, zijn we aan de vierde editie toe. We fietsen een week door een prachtige streek, een verademing, en telkens over wegen waarop ik vroeger trainde. Ik herinner me heel goed hoe ik daar destijds aankwam, ik woog 130 kilo, ik had geen greintje conditie. KRABBÉ: Iets minder dan vroeger, maar tijdens de grote wedstrijden zit ik toch weer voor de buis gekluisterd. De wielersport is uiteraard erg geëvolueerd. Het was vroeger een duursport, nu is het grotendeels een snelheidssport. Maar het heeft nog steeds iets mythisch in zich, het volbrengen van een zware tocht. Alleen verzand je in abstracties als je dat probeert uit te leggen, het is gewoon mooi om naar te kijken. Ik vind vooral de eendagswedstrijden prachtig. De Ronde van Vlaanderen bijvoorbeeld, dat is echt nog een uithoudingsproef, de sterkste blijft vooraan, er hoeft niet per se gedemarreerd te worden. Net zoals Parijs-Roubaix. Ik hou wel van koersen die beslist worden aan de achterkant en niet aan de voorkant. En ik blijf gebiologeerd door het individuele in een koers. Ik ben niet zo voor het ploegenspel, met Lance Armstrong is dat een exces geworden. De Tour de France kan tegenwoordig te goed 'georganiseerd' worden. Als iemand zeven keer na elkaar kan winnen, dan is er iets mis. Iedere groepssport moet een bepaalde marge hebben, die het toch onzeker maakt of de beste wel zal winnen. Een van de tegenstanders van de beste, moet het toeval zijn. Maar Armstrong heeft dat met zijn formule helemaal uitgeschakeld. KRABBÉ: De manier waarop hij zich op die wedstrijd heeft gespecialiseerd, dat was bijna vals spelen. Hij koerst niet, hij doet alleen dat. Wat ook verboden zou moeten worden, zijn die oortjes. Dat vervalst het wielrennen. De essentie van wielrennen is altijd geweest dat de renners zelf weinig informatie hadden. Los daarvan: als je zou nagaan hoeveel kilometers Armstrong in de Tour op kop heeft gereden, dat is niet erg veel. Hij hoefde nauwelijks in de wind te zitten. De echte specialisaties in de wielersport zijn begonnen met Greg LeMond en Miguel Indurain. Die vijf Touroverwinningen van Indurain vond ik stuk voor stuk oninteressant. Ik heb het niet voor renners die één wedstrijd winnen en niets anders. KRABBÉ: Ik vind het jammer dat hij zich in dat laatste seizoen niet toelegde op de klassiekers. En dat hij de Tour niet eens liet lopen, en in plaats daarvan de Ronde van Italië reed. Ik vind dat hij een gemankeerde carrière heeft. Armstrong hoort zeker niet bij de allergrootste renners. KRABBÉ: Ik vind het heel vervelend om daarover te praten. Er zijn 76 onderwerpen over wielrennen die interessanter zijn. KRABBÉ: Nee, want het gaat om een heksenjacht. Als een wielrenner nu, 's winters, een sigaretje hasj rookt en hij wordt getest, dan wordt hij twee jaar uitgesloten. Terwijl hij buiten competitie is en hasj geen prestatiebevorderend middel is. Dat is toch krankzinnig. Waarom moest Jan Ullrich zes maanden worden geschorst omdat hij naar een disco ging en daar een pilletje nam? Dat heeft helemaal niets met wielrennen te maken. Waarom mag een sportman niet een lijntje cocaïne snuiven? Het is bovendien niet eens gevaarlijk. KRABBÉ: Ik vind dat professionele sportlieden moeten kunnen doen wat ze willen. Het is geen ethisch vak. Het is wel: beter willen zijn dan een ander. Ze moeten wel op de hoogte zijn van de risico's. Ik zou zeggen: laat iemand die een proflicentie aanvraagt een farmaceutisch examen doen, waaruit blijkt dat hij een idee heeft van de gevaren die hij loopt. Ik heb nog nooit een wielrenner minder bewonderd omdat hij verdacht werd gemaakt. Voor mij is Johan Museeuw een groot kampioen. KRABBÉ: Natuurlijk zeg ik dat. Ik lees vaak dat iets verboden wordt omdat het spierversterkend is. Maar een boterham is ook spierversterkend. Waar hebben we het dan over? KRABBÉ: Ik beoordeel een renner op zijn prestaties, niet op andere dingen. Weet u, het is allemaal ook veel te internationaal geworden. Amerikanen hebben het nu voor het zeggen, en dat zijn puriteinen, geen mensen met een liberaal inzicht. Los daarvan zou ik het liever over iets anders hebben. Over mijn bewondering voor de renners bijvoorbeeld. Ik voel me vooral aangesproken door renners die én een klassieker én een grote ronde kunnen winnen. Terwijl je die nauwelijks nog vindt. Trouwens, weet u hoeveel klassiekers al de winnaars van de Tour de France na 1985 samen gewonnen hebben? KRABBÉ: Twee. Bjarne Riss de Amstel Gold Race, en Lance Armstrong de Waalse Pijl. En dat zijn niet eens monumentale klassiekers. Met andere woorden: de afgelopen twintig jaar heeft niet één winnaar van de Ronde van Frankrijk een echte klassieker gewonnen. Dat is onvoorstelbaar. Maar het tekent de wielersport zoals die nu wordt bedreven. Bovendien is de essentie van wielersport dat je als eerste over de streep komt. Indurain kwam nooit als eerste over de streep. Als hij won, reed hij als laatste over de streep. Want dan was het een tijdrit. KRABBÉ: Ik was diep onder de indruk van zijn prestatie in de Ronde van Vlaanderen. Als je de snelste bent van een kopgroep en je kiest ervoor om toch alleen in de aanval te gaan, dan is dat imponerend. Van de andere kant: eigenlijk had Boonen geen wereldkampioen mogen worden. Bettini was de sterkste. Ik denk dat Boonen tijdens dat WK één meter op kop heeft gereden, de laatste, voor de rest was het loeren op zijn kans. Maar hij is zo veelzijdig: een massasprint winnen in de Tour is volkomen anders dan heel alleen over de Vlaamse kasseien dokkeren. KRABBÉ: Bij gelegenheid maak ik nog wel eens een column. Zoals vroeger. Ik ben altijd heel geïnteresseerd geweest in sport, ook al heb ik eigenlijk nooit echt aan sportjournalistiek gedaan. Eén keer heb ik een verslag gemaakt. Dat was van de legendarische schaakwedstrijd tussen Bobby Fischer en Boris Spassky in Reykjavik. Ik vond het een voorrecht om daar te mógen zijn. En Fischer was natuurlijk een speciale figuur, een charismatisch iemand met een paranoïde persoonlijkheid. Hij gaf nooit interviews en was echt onbereikbaar. Juist dat maakte hem zo aantrekkelijk. KRABBÉ: Nauwelijks. Ik was wel een van de eersten die Johan Cruijff interviewden. Hij was toen achttien en speelde zes maanden in de eerste ploeg van Ajax. Er was in Engeland juist een grote treinroof geweest, en hij vertelde dat hij dat fantastisch vond. Toen zei zijn moeder geschrokken dat hij zoiets niet mocht vertellen. Cruijff was toen naïef. Als je hem nu ziet, het is een beetje een gemelijke man, met dat quasi diepfilosofische, onbegrijpelijke gepraat. Maar uit zijn mond komen toch een paar fraaie zinnetjes. Zoals: ' Elk nadeel hep zijn voordeel.' Later zei hij eens tegen mij: ' Als ik zo kon voetballen als ik kon praten.' Toch een beetje een vreemde vogel, Johan Cruijff. Je ziet hem nooit uitbundig lachen, het is altijd ingehouden, misschien heeft dat te maken met zijn vader die hij vroeg verloren heeft. Ik denk dat hij op een bepaalde manier ook gevoel voor humor mist. Maar ik kijk niet meer zoveel naar voetbal, Studio Sport wordt nu uitgezonden door de commerciële zender Talpa, ik moet bekennen dat ik op mijn televisietoestel die frequentie nog niet heb gezocht. Ook de Champions League interesseert me nauwelijks nog. Dat Bosman-arrest heeft naar mijn idee veel kapotgemaakt. Er is geen identificatie met de club meer. Ajax groeide uit van een Amsterdamse ploeg tot een smeltkroes van de meest verschillende culturen. Terwijl voetbal me vroeger wel bekoorde. Omdat het zo'n hoge mate van artisticiteit bezit. KRABBÉ: Maar wielrennen is dan weer conditioneel zo zwaar, je moet zo bezeten zijn, het is echt stampen tot de beste overblijft. Ik heb er altijd graag columns over geschreven. Ik vond dat niet zo moeilijk, je hebt één enkel idee nodig en twee associaties: één die bruikbaar is als begin, en één die bruikbaar is als einde. Columnist zijn is een manier van leven, proberen de lezer te verrassen met wat ongewone invallen. KRABBÉ: Inderdaad. Maar ik heb wel nog met Roger De Vlaeminck gereden, op een nieuwjaarsdag, in een veldrit in Den Haag. Hij zette me op twee ronden. Dat is verschrikkelijk veel in een veldrit. Roger De Vlaeminck sprak me aan, dat rebelse, dat tegendraadse. Dat apprecieerde ik ook in Laurent Fignon: altijd rechtuit en rechtaan, niet rond de pot draaien, gewoon vertellen waar het op staat. Eigenlijk is dat ook mijn credo als schrijver: durf wat je te zeggen hebt ook te zeggen. Ook al bots je op weerstanden. Geboren in 1943. Studeerde een tijdje psychologie. Debuteerde in 1967 als schrijver en journalist. Werkte mee aan onder meer Vrij Nederland, Haagse Post, Het Parool, De Tijd, NRC/Handelsblad, Elsevier, Humo en Playboy. Schreef twintig boeken, zijn romans werden in zestien talen vertaald, vier ervan zijn verfilmd. Heeft een schaaksite.Door Jacques Sys'Ik sta buiten welke stroming ook.''Er bestaat in Zuid-Frankrijk een Ronde van Tim Krabbé.'