Copyright Knack/The Economist. Vertaald en bewerkt door Hubert van Humbeeck.
...

Copyright Knack/The Economist. Vertaald en bewerkt door Hubert van Humbeeck.Voor de camera's en de microfoons hielden ze zich kranig. Ze zijn per slot van rekening vaklui van de internationale politiek. Maar achter de hoge muren van hun hoofdkwartier in New York spraken diplomaten van de Verenigde Naties bittere woorden. Over de manier waarop de Verenigde Staten de hele Irakkwestie eigengereid aanpakken en verknoeien. Enkele uren na de aanslag op het Canal Hotel in Bagdad verklaarde secretaris-generaal Kofi Annan op zijn vakantieadres dat de VN zich niet laten verjagen. In het Canal Hotel was het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in Irak gevestigd. Een zware autobom maakte een einde aan het leven van enkele tientallen medewerkers van de organisatie - en vooral van Sergio Vieira de Mello, die de VN-missie in Bagdad leidde. De Braziliaanse diplomaat had ervaring zat: vóór Bagdad leidde hij VN-opdrachten in Kosovo en in Oost-Timor. Vieira de Mello wist dat hij een gemakkelijk doelwit was. Zo'n drie weken voor zijn dood merkte hij, tijdens een briefing van de Veiligheidsraad over de toestand in Irak, op dat de 'VN kwetsbaar zijn voor wie de organisatie wil raken'. Zijn belangrijkste bekommernis, zei hij toen, was om de Iraakse bevolking tijdens de bezetting te beschermen. Hij was van mening dat de Verenigde Naties toezicht moesten houden op de olie-inkomsten van Irak, en niet de troepen van de coalitie - dat wil zeggen: de Amerikanen. Hij vond ook dat de bezettingsmacht zoveel mogelijk bevoegdheden moest overdragen aan de 25 Irakezen in de voorlopige regering van het land. In een recent gesprek met de Braziliaanse krant O Estado de S. Paulo vertelde hij over zijn sympathie voor de Iraakse bevolking, die de vernederende ervaring van de bezetting moet beleven. Hij zei te hopen dat hij nooit vreemde tanks door de straten van zijn stad zou zien rijden. Het doet des te meer de vraag rijzen waarom het hoofdkwartier van de VN in Bagdad werd opgeblazen, en waarom uitgerekend deze man het doelwit werd van een aanslag. Het Canal Hotel zag er volstrekt vreedzaam uit. Helemaal anders dan de gebouwen waar de Amerikanen hun intrek hebben genomen, en die met prikkeldraad en barricades tot echte bunkers zijn omgebouwd. De VN weigerden onlangs het voorstel van de Amerikanen om hun hoofdkwartier door troepen van de coalitie te laten beschermen. Dat leek de organisatie geen goed idee, aangezien ze in Irak een neutrale rol wil spelen. Ook Kofi Annan vond achteraf dat zijn mensen in Bagdad het aanbod misschien beter toch hadden aanvaard. Blijft de vraag: waarom de Verenigde Naties? Een terreurgroep die in het Canal Hotel een gemakkelijk doelwit zag, moest niet echt diep nadenken om de aanslag voor zichzelf goed te praten. Vóór de oorlog verbleven ook de wapeninspecteurs van de Verenigde Naties altijd in dat gebouw. Zij werden toen beschouwd als vijanden van Irak. Maar ook afgezien daarvan beroepen de Amerikanen en de Britten zich voortdurend op resoluties van de Veiligheidsraad om de oorlog met Saddam te rechtvaardigen. Vijf dagen voor de aanslag verwelkomde de Veiligheidsraad nog de installatie van de voorlopige regering in Bagdad. Iraakse nationalisten beschouwen de leden van die voorlopige regering als marionetten in handen van de Amerikanen. De bomaanslag was ook niet het eerste incident waarbij de VN betrokken waren. In de stad Mosul is al een konvooi van de organisatie onder vuur genomen. Ook andere neutrale organisaties zijn al aangevallen. In de zuidelijke stad Hilla viel een team van het Internationale Rode Kruis (IRC) in een hinderlaag. Daarbij kwam een medewerker van het IRC om het leven. Toch was de aanval op het Canal Hotel van een andere orde dan de prikken die het Iraakse verzet de coalitie ondertussen elke dag uitdeelt. Hij kan eigenlijk alsnog maar met één ander incident in Irak worden vergeleken: de autobom die begin augustus tegen de Jordaanse ambassade werd gebruikt en waarbij zeventien mensen het leven verloren. Toen, zoals nu, werd vrijwel meteen aan Al-Qaeda gedacht. De organisatie van Osama Bin Laden heeft zijn handelsmerk gemaakt van spectaculaire, bloedige aanvallen op weerloze doelwitten met een hoog symbolisch karakter. Amerikaanse specialisten in Bagdad twijfelen aan de betrokkenheid van Al-Qaeda. Zij fluisteren dat alvast het onderzoek naar de aanval op de Jordaanse ambassade zich op Iraakse groepen toespitst. Dat wil niet zeggen dat die zich voor het maken van de bom niet door experts uit het buitenland hebben laten helpen. Het is ook mogelijk dat de uitvoerders van de aanslag, zelfmoordterroristen, uit het buitenland zijn aangevoerd. De grenscontrole is zwak en Irak telt nog altijd nauwelijks politie. Het land is als het ware een speeltuin voor terreurgroepen, die er de doelwitten maar uit te kiezen hebben. Dat beseft ook luitenant-generaal Ricardo Sanchez, een van de Amerikaanse commandanten in Irak: 'Het land werkt tegenwoordig als een magneet op wie maar iets wil laten ontploffen.'Berichten uit Saudi-Arabië willen dat de overheid daar op zoek is naar 3000 jonge mannen, die over de grens zouden zijn geglipt om in Irak mee te doen aan de jihad, de heilige oorlog. Precies zoals duizenden Saudi's een generatie geleden naar Afghanistan trokken om daar tegen de Sovjets te vechten. Turkse diplomaten signaleren van hun kant dat regelmatig colonnes strijders van Al-Qaeda door de bergen van Iran naar Irak trekken. Veel Irakezen hebben met afschuw gereageerd op de aanslagen tegen de Jordaanse ambassade en het hoofdkwartier van de Verenigde Naties. Maar ze stellen niet gemakkelijk landgenoten verantwoordelijk voor al dat bloed. Er doen in Bagdad dan ook de nodige samenzweringstheorieën de ronde, over wie die bommen heeft geplaatst. Een verhaal wijst in de richting van Ahmed Chalabi, de voorzitter van het nieuwe Iraakse Nationale Congres, die zich op Jordanië zou hebben willen wreken omdat hij in dat land voor financiële fraude werd veroordeeld. Chalabi is door de Amerikanen in Bagdad geïnstalleerd. Een ander verhaal wil overigens dat Washington zélf achter de aanslag op de VN zit - het is ook in Bagdad bekend dat de internationale organisatie in kringen rond president George W. Bush niet zeer geliefd is. Om de geruchtenmolen stil te leggen, probeert de bezettingsmacht zo snel mogelijk een gezicht op de aanslagen te kunnen plakken. Want volgens de Iraakse bevolking zelf kan dit niet het werk zijn van dezelfde mensen die nu elke dag in ware guerrillastijl Amerikaanse soldaten aanvallen. Het hoeft geen betoog dat de bommen ook het Amerikaanse prestige ondertussen geen goed doen. Ze versterken het gevoel dat de Amerikanen de situatie niet aankunnen, dat ze geen idee hebben hoe ze Irak moeten besturen. Secretaris-generaal Kofi Annan van de VN wees na de bom tegen zijn hoofdkwartier nog fijntjes in die richting. 'Onze hoop was,' zei hij, 'dat de troepen van de coalitie het land tegen deze tijd voldoende veilig zouden hebben gemaakt om met de wederopbouw van de infrastructuur en de instellingen te kunnen beginnen. Maar dat is niet het geval.'Maar ondanks de dood van Sergio Vieira de Mello en zijn medewerkers blijven de VN in Irak aan de slag. Er zijn tekenen die erop wijzen dat andere organisaties en bedrijven niet zo moedig zijn. Bedrijven die in het land zijn voor de wederopbouw zouden eraan denken om hun personeel terug te trekken. Wegens te gevaarlijk. Andere bedrijven overwegen om voorlopig niet te beginnen met de uitvoering van contracten die ze in de wacht konden slepen. Ook dat maakt dat de wederopbouw van het land als gevolg van het verzet en de sabotage een grote achterstand oploopt. Op 15 augustus vloog de grote pijpleiding, waarlangs Iraakse olie naar Turkije en naar Turkse havens wordt gebracht, in de lucht. Ze was op dat moment pas twee dagen in gebruik. Het zal weken duren voor er weer olie door kan stromen. Dat is vooral voor de Amerikanen een grote tegenslag. Zij rekenden erop dat de uitvoer van Iraakse olie genoeg geld in het laatje zou brengen om de werking van de voorlopige regering te betalen. Totnogtoe exporteerde Irak minder dan de helft van de olie die nodig is om de eindjes aan elkaar te knopen. Volgens Paul Bremer, het hoofd van de Amerikaanse administratie in Irak, kost het opblazen van de pijpleiding Irak zeven miljoen dollar per dag. De aanhoudende aanslagen en sabotageacties kosten het land, volgens hem, ondertussen al miljarden. Dollars, wel te verstaan. Het verzet schrikt er sinds kort ook niet meer voor terug om het leefcomfort van de Iraakse bevolking zelf te raken. Op 17 augustus liep een deel van Bagdad onder water, als gevolg van een lek in de waterleiding. Volgens sommigen was er een granaat op afgeschoten. Anderen dachten dat er met de hand een klein explosief bij de leiding was aangebracht. Misschien was de buis gewoon met een mes kapotgestoken. Het incident zette honderdduizenden Irakezen gedurende twee dagen droog, maar het blijft ongewoon. De band tussen het ongemak en de sabotage is doorgaans niet zo direct aantoonbaar. Als de stroom weer eens uitvalt of als ze hun loon te laat uitbetaald krijgen, is dat volgens de bevolking bijna vanzelfsprekend de schuld van de alom zichtbare Amerikaanse aanwezigheid. Washington blijft ondertussen andere landen vragen om in Irak te komen helpen. Van Rusland en Frankrijk is, bijvoorbeeld, bekend dat ze niet op dat verzoek zullen ingaan zolang de Amerikanen daar niet de consequentie aan verbinden dat ze de macht in het land dan ook moeten delen. En dat blijven die voorlopig halsstarrig weigeren. Dat was met name ook het probleem van Sergio Vieira de Mello. In een gesprek met de BBC, enkele dagen voor zijn dood, beklaagde hij zich over het gebrek aan ruimte dat hij in Bagdad kreeg om zijn werk te doen. Wat in Kosovo en in Oost-Timor kon, moest volgens hem ook in Irak mogelijk zijn. Hij kreeg helaas niet de kans om zijn gelijk te bewijzen. Niet van de terroristen, maar dus ook niet van de Amerikanen. Terwijl zij geen plan hebben en hij er wel een had. H.V.H.