Knack-redacteur Marc Reynebeau schreef een studie over de Berlijnse jaren van Paul van Ostaijen. Een commentaar van schrijver en emeritus-hoogleraar Paul de Wispelaere.
...

Knack-redacteur Marc Reynebeau schreef een studie over de Berlijnse jaren van Paul van Ostaijen. Een commentaar van schrijver en emeritus-hoogleraar Paul de Wispelaere. MET?Dichter in Berlijn. De ballingschap van Paul van Ostaijen (1918-1921)? heeft Marc Reynebeau een eerste proeve van een gedeeltelijke Van Ostaijen-biografie geleverd. Het is een grondig gedocumenteerd, meestal zorgvuldig geformuleerd, evenwichtig opgebouwd, gedetailleerd maar nergens wijdlopig, met kennelijke sympathie maar niet zonder kritische zin, helder geschreven en vlot leesbaar werkstuk geworden. Het verblijf in de heksenketel van het na-oorlogse Berlijn is zowel voor het persoonlijke leven van de dichter en de evolutie van zijn politieke en artistieke ideeën als voor de ontwikkeling van zijn eigen literair oeuvre een cruciale periode geweest, ?die het scharnier vormt tussen zijn intense publieke leven in de bezettingsjaren in Antwerpen en zijn eerder marginaal bestaan gedurende de niet eens zeven jaar die hij na zijn terugkeer uit Berlijn nog te leven had?. Bovendien is het in allerlei opzichten de meest dramatische en spectaculaire periode uit Van Ostaijens leven, die zich daardoor alleen al bij uitstek leent tot een boeiende beschrijving. Daar komt nog bij dat sinds de publicatie van Gerrit Borgers' monumentale Van Ostaijen-Documentatie (1971, dit jaar herdrukt) vooral juist met betrekking tot de Berlijnse jaren een aanzienlijke hoeveelheid belangwekkende correspondentie is opgedoken, waar Reynebeau vruchtbaar gebruik van heeft kunnen maken. En daar bovenop heeft hij door eigen archiefonderzoek nog ander bronnenmateriaal weten op te sporen. HISTORISCHE CONTEXT.Het doel van een schrijversbiografie is uiteraard een beeld te ontwerpen van de samenhang tussen leven en werk. Die samenhang is nooit vooraf gegeven maar dient met grote omzichtigheid en vaak alleen in de vorm van mogelijkheden en hypothesen uit onderzoek te worden afgeleid. Reynebeau toont zich van deze problematiek ten zeerste bewust. In zijn inleiding stelt hij dat voor de Van Ostaijen-biograaf de bijzondere paradox geldt dat hij te maken heeft met de figuur van een dichter die zowel in zijn theorie als in zijn scheppend werk de extreem ?autonomistische? opvatting heeft gehuldigd dat het kunstwerk volledig los moet staan zowel van de empirische buitenwereld als van het subjectieve gevoelsleven van de maker. Maar daar zijn verscheidene argumenten tegen in te brengen. Reynebeau zegt terecht dat hij niet kan aanvaarden dat het ?poëtisch universum? van een dichter niet mee bepaald zou worden door zijn historische context, waartoe trouwens de auteur zelf behoort. Zo is het heel in het algemeen al evident dat zonder de Berlijnse ervaringen Van Ostaijens werk er anders zou hebben uitgezien. En van de andere kant ?rijst uit het literaire werk ook altijd een persona op, zelfs al ontbreekt bij de schrijver de autobiografische intentie?. In dat verband laat Reynebeau verderop in zijn boek duidelijk zien dat in de praktijk van Van Ostaijens twee grote Berlijnse dichtwerken, ?De feesten van angst en pijn? en ?Bezette stad?, het aandeel van de subjectieve psychologie en van de waargenomen buitenwereld (nog) aanzienlijk groter was dan zijn doctrinaire theorie het voorschreef. Pas later, in een deel van de Nagelaten gedichten, zou die kloof beter gedicht worden. Maar toch blijft Reynebeau op zijn hoede. In het hoofdstuk ?Bordel. Gebruiksaanwijzing des geluks? waarschuwt hij voor ?biografisch reductionisme? dat in een overjaarse positivistische zin een direct oorzakelijk verband zou leggen tussen enerzijds de opeenvolging van Van Ostaijens psychische crisissen en anderzijds zijn theorievorming en literaire praktijk. In werkelijkheid was daarbij ?allerminst sprake van een rechtlijnige evolutie, maar integendeel van ups en downs, ambivalenties, breuken, momenten van regressie in 'overwonnen' denkbeelden, van anticipatie op latere inzichten of van gelijktijdige aanwezigheid van tegenstrijdige overtuigingen?. Ik leg de nadruk op dit principiële aspect van Reynebeau's studie omdat het een van de waardevolle eigentijdse karakteristieken ervan is. VRIENDIN.De omstandigheden waarin Van Ostaijen eind oktober 1918 hals over kop naar Berlijn vluchtte zijn algemeen bekend : met het nakende eind van de oorlog in zicht poogde hij erdoor te ontsnappen aan de drie maanden gevangenis waartoe hij wegens zijn deelname aan een activistische manifestatie tegen kardinaal Mercier was veroordeeld. Reynebeau's nauwgezette beschrijving van Van Ostaijens optreden tijdens de bezettingsjaren laat trouwens de onderlegde historicus in hem zien. Maar een goede biografie is ook altijd een verhaal, waarvoor niet enkel de strikte eis van objectiviteit geldt maar waarin de auteur ook persoonlijke klemtonen legt en niet altijd spijkerharde suggesties waarmaakt. Deze laatste maken er in ieder geval de charme van uit. Er bestaat nauwelijks een verhaal zonder liefde, en meer dan gebruikelijk belicht de auteur de rol die Van Ostaijens vriendin Emmeke Clément bij zijn vlucht kan hebben gespeeld. Hun curieuze, zowel hartstochtelijke als afstandelijke, zowel onmogelijke als in wezen blijvende verhouding loopt verder als een rode draad door het boek en na hun breuk van bijna drie jaar later eindigt het verhaal tenslotte ook : ?Nu zelfs Emma hem niet meer bond, had Van Ostaijen geen enkele reden meer om in Duitsland te blijven. Zoals zij in 1918 de doorslag gaf bij zijn beslissing om naar Berlijn te vluchten, zo gold nu hetzelfde argument, maar dan omgekeerd. Hij nam wat tijd om een massa bagage vooruit te sturen, schreef op 12 mei zijn afscheidsbrief aan Stuckenberg en nam diezelfde dag de trein naar België?. Dit vormt een aantrekkelijke menselijke noot in het leven van een dichter die er zo idealistisch en krampachtig naar streefde in zijn poëtica de ?menselijkheid? uit te schakelen. De veelzijdige historische context waarin Van Ostaijens Berlijns oeuvre de beide eerder genoemde dichtwerken, het dadaïstische filmscenario ?De bankroet jazz?, zijn fragmentair gebleven autobiografische ?Bildungsroman?, de grotesken en essays wordt opgeroepen in tien hoofdstukken die telkens de titel van een gedicht uit ?Bezette stad? en als ondertitel een daarmee verbonden thema dragen. Bijvoorbeeld : ?Eenzame stad. Revolutie in Berlijn?. Die hoofdstukken schetsen achtereenvolgens een zorgvuldig gestoffeerd en goed afgelijnd algemeen, kunsthistorisch en literairhistorisch kader, waarbinnen Van Ostaijens koortsachtige politieke en artistieke activiteiten, zijn gelijktijdige contacten met Duitsland en Vlaanderen en zijn vergeefse pogingen om die met elkaar te verbinden, zijn individuele reacties, zijn hele emotionele psychologie van droom en ontgoocheling, innerlijke verscheurdheid en eenheidsverlangen, de ontwikkeling van zijn maatschappelijke houding en kunsttheorie in hun onderlinge verwevenheid worden gesitueerd. AFWISSELING.Zoals het in een biografie hoort, komt uit die verschillende historische verhalen geleidelijk een levendig en gecompliceerd mens- en kunstenaarsbeeld naar voren, worstelend met een levensbeschouwelijke en existentiële problematiek die een uitweg en een oplossing zoekt in een steeds radicaler en idealistischer wordende poëzie-opvatting. Dat beeld is op zichzelf niet nieuw, de componenten ervan waren al analytisch aanwezig in de uitvoerige documentatie en commentaren van Borgers en zijn naderhand uitgediept in de Van Ostaijen-studie, maar Reynebeau brengt er, met eigen inbreng en persoonlijke accenten, een treffende synthese van. Een aantrekkelijke stilistische kwaliteit van zijn boek ligt in de regelmatige afwisseling van concreet-verhalende en meer abstract-beschouwelijke gedeelten. Een goed voorbeeld van het eerste levert onder andere het hoofdstuk ?Holle haven? over Pauls en Emmekes aankomst en hun dagelijks leven in Berlijn. En anderzijds is er de verhelderende manier waarop de moeilijk grijpbare materie van Van Ostaijens kunst- en dichttheorie broksgewijs uit de doeken wordt gedaan en de basis vormt van het voorlaatste hoofdstuk ?Nomenclatuur van verlaten dingen?, waarin de diversiteit van al het Berlijnse werk in zijn samenhang wordt belicht. Reynebeau's betoog laat daarbij extra uitschijnen hoezeer dat werk, juist ook in zijn streven naar en aanspraak op artistieke autonomie, te lezen valt in zijn diepe verbondenheid met het amalgaam van innerlijke, filosofische en kunsttheoretische bronnen waaruit het is ontstaan, en met de gerichtheid ervan op een platonische schoonheidsmystiek, een nieuwe niet meer maatschappelijke maar dichterlijke utopie. Dit zijn dure woorden maar het was de dichter absolute en fanatieke ernst, en daarin liggen zijn uitzonderlijkheid en wellicht beperkte grootheid, zijn fascinerende uitstraling ook, hoezeer de ingeslagen weg misschien onhoudbaar zou blijken te zijn. Het was in ieder geval ook een eenzame weg, en de biografie toont aan welke behoefte de dichter bleef hebben om een beweging op gang te brengen waarin hij een leidende rol zou kunnen vervullen. Dat waren, niet zonder autoritaire trekken en doctrinaire onverdraagzaamheid, de profeet en de apostel in hem. Onthullend in dat verband zijn de relazen over zijn bezielde maar mislukte pogingen om in Duitsland het doodlopende expressionisme te redden door een terugkeer naar de zuivere bronnen van ?Der blaue Reiter?, en om in Vlaanderen zijn vriendengroepje de gebroeders Jespers, Paul Joostens en Jos Leonard in het gareel te dwingen van een nieuw tijdschrift dat Sienjaal zou heten en waarin zijn ?kubistische? poëtica zou worden uitgedragen. Natuurlijk valt er op deze voortreffelijke studie ook een en ander aan te merken. Zo overlappen de hoofdstukken elkaar wel hier en daar, zodat er herhalingen ontstaan, lopen er af en toe manke zinnen door de tekst en is het slot wel erg abrupt. Maar nu de weg is gebaand, is het zeker uitkijken naar een volledige Van Ostaijen-biografie. Paul de WispelaereMarc Reynebeau, ?Dichter in Berlijn. De ballingschap van Paul van Ostaijen (1918-1921)?, Globe/de Prom, Groot-Bijgaarden/Baarn, 264 blz., 695 fr.Paul van Ostaijen probeert zo'n pen : een fragment uit Feesten van angst en pijn.