Info : Adam Hochschild, 'Bevrijd de slaven! Het verhaal van de eerste mensenrechtencampagne', Meulenhoff, euro 27,50.
...

Info : Adam Hochschild, 'Bevrijd de slaven! Het verhaal van de eerste mensenrechtencampagne', Meulenhoff, euro 27,50.Eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw veroorzaakten Robert Fogel, die in 1993 de Nobelprijs Economie zou krijgen, en zijn collega Stanley Engerman een academisch oproer met hun studie Time on the cross: the economics of American negro slavery. En in de jaren tachtig maakten ze opnieuw ophef met hun veeldelige Without consent or contract: the rise and fall of American slavery. Tot dan nam iedereen aan wat Alexis de Tocqueville in de 19e eeuw al had neergeschreven in Democratie in Amerika: dat de slavernij remmend werkte op de industriële ontwikkeling en dus op de economie. Bovendien zou de aanrollende industrialisering de financiers van de slavenhandel nieuwe, veel winstgevender investeringen hebben geboden. Fogel en Engerman toonden in hun cliometrische studie aan dat de slavenhandel bijzonder rendabel was en dat de economie van de zuidelijke staten in Amerika veel sterker stond dan die van de noordelijke staten. De efficiëntie van de gemiddelde plantage in het Zuiden lag dankzij de slaven 35 procent hoger dan die van een vergelijkbaar landbouwbedrijf in het Noorden. Alsof dat nog niet volstond als stelling voegden Fogel en Engerman eraan toe dat de leefomstandigheden van de slaven in het Amerikaanse Zuiden lang niet altijd zo onmenselijk waren als tot dan werd aangenomen. Waarop Fogel en Engerman prompt het verwijt kregen dat zij de slavenhandel verdedigden. Nadat het stof wat was gaan liggen, zou Fogel zijn studiewerk als volgt toelichten: 'Onze conclusie was dat de slavernij niet werd afgeschaft omdat ze inefficiënt was, maar omdat ze als praktijk moreel verwerpelijk was. De markt kon geen einde maken aan de slavernij, want die was efficiënt en erg winstgevend. De slavernij werd afgeschaft door politiek ingrijpen, gestuwd door de publieke opinie aangedreven door de acties van religieuze radicalen.'Het is een van die acties welke Adam Hochschild in zijn nieuwe boek Bevrijd de slaven! Het verhaal van de eerste mensenrechtencampagne in het volle licht plaatst. In mei 1787, op het moment dat het verhaal van Adam Hochschild aanvangt, draait de slavenhandel wereldwijd op volle toeren. De Engelsen alleen brengen jaarlijks ruim 80.000 Afrikaanse slaven naar de suikerplantages in de West-Indies. De Portugezen waren met de georganiseerde handel begonnen toen zij in de 15e eeuw de kerkelijke toelating kregen om ongelovigen in hun overzeese gebieden als slaven te behandelen. Later eisen ook de Engelse handelsvloot, de Franse Compagnie des Indes en de Nederlandse West-Indische Compagnie hun aandeel in de slavenhandel op. De Franse havensteden Le Havre, Nantes en Saint-Malo danken hun rijkdom aan de slaventrafiek. Die rijkdom werkt aanstekelijk, want zelfs de anders nogal prekerige Voltaire investeert enthousiast in de slavenhandel. In Holland vertrekken de schepen die in Afrika hun menselijke vrachten gaan laden vanuit Middelburg en Vlissingen. Algemeen nemen historici aan dat ruim elf miljoen Afrikanen door de slavenhandelaars naar de Nieuwe Wereld werden gebracht. Dat waren dan zij die levend arriveerden. Volgens de logboeken van die tijd overleefde twintig procent van de in de ruimen opgetaste slaven de zeereis niet. Zij die de reis wel doorspartelden, werden voor hun aankomst in West-Indië met zoetwater gewassen en daarna met bijenwas en olijfolie ingewreven, 'om ze een gezonde glans te geven'. De zeevaart sprak in die dagen van de Atlantische driehoekshandel. Schepen vertrokken vanuit Europa volgeladen met snuisterijen waarmee in Afrika de slavenhandelaars werden betaald. Van de Afrikaanse kusten ging de tocht naar Amerika en vooral West-Indië, waar de slaven werden verhandeld en koloniale waar, vooral suiker, werd ingeslagen die naar Europa werd gebracht. Net als de suiker waren de slaven handelswaar die navenant was verzekerd. Het is een proces over een verzekeringskwestie dat de campagne van de abolitionisten op gang brengt. In 1782 immers had kapitein Luke Collingwood van de Zong, een slavenschip, 133 slaven levend in zee gegooid. Nu eens door tegenwind, dan weer door windstiltes had de reis van de Zong van Afrika naar Jamaica twee keer zo lang geduurd. Daarop had de kapitein, die zijn winst zag verschrompelen, besloten 133 verzwakte slaven die als vracht voor zo'n 30 pond - nu ongeveer 3000 euro - per stuk waren verzekerd tegen 'alle gevaren op zee' in zee te droppen. Want volgens het vigerende zeerecht mocht een kapitein vracht overboord gooien als dat nodig was om schip en bemanning te redden. Maar de verzekeringsmaatschappij zou de schadeclaim verwerpen. De zaak kwam voor een burgerlijke rechtbank die de kapitein en de eigenaars van het schip in het gelijk stelde. In de rechtszaal zat Granville Sharp, een advocaat en een van de abolitionisten van het eerste uur, die de mogelijkheid onderzocht om de betrokken partijen voor moord te vervolgen. Waarop de rechter zou hebben gezegd dat dit volkomen onzinnig zou zijn, ' omdat de zwarten bezit warenapos;. Granville Sharp is een van de twaalf mannen die op 22 mei 1787 bijeenkomen in een boekhandel in Londen en er het protest tegen de slavernij organiseren. Een jaar later sticht een groep Fransen de Société des Amis des Noirs eveneens met de afschaffing van de slavernij tot doel. De campagne van de Engelse twaalf is het verhaal dat de intussen 63-jarige Adam Hochschild, lesgever in Berkeley (University of California) en medestichter van het blad Mother Jones Magazine, op een adembenemende manier heeft beschreven. Wat hij eerder al deed met zijn beschrijving van de uitbuiting van Congo door de Belgen in De geest van koning Leopold II en de plundering van Congo. Dat boek stootte in België op protest, maar niemand kon de aangehaalde feiten weerleggen. De actie van de twaalf tegen de slavernij was zowat de allereerste mensenrechtencampagne. Buitenparlementaire politieke acties waren in die dagen onbestaand. Bovendien was iedereen ervan overtuigd dat de slavenhandel levensnoodzakelijk was om de economie van de kolonies te laten draaien en om de suikerprijs op een aanvaardbaar peil te houden. In de actiegroep die door Hochschild wordt gevolgd, vinden we een 'bekeerde' kapitein van een slavenschip, John Newton, die predikant werd en de beroemde hymne Amazing Grace schreef, de jurist Granville Sharp, de gewezen slaaf Olaudah Equaino, de boekhandelaar en uitgever James Phillips, de jonge student Thomas Clarkson die zich op een kerkelijke carrière voorbereidde en parlementslid Wilbur Wilberforce die uiteindelijk het verbod op de slavenhandel door het Engelse parlement zou krijgen. Adam Hochschild illustreert aan de hand van getuigenissen de wreedheid die met de slavenhandel gepaard ging. De transporten op zich al waren een regelrechte gruwel. Bovendien werd elke opstand genadeloos neergeslagen. In 1791 gaf een Franse generaal die mee een slavenopstand in Haïti had neergeslagen het bevel om bij een van de leiders van de revolte de epauletten op de schouders te nagelen terwijl diens vrouw en kinderen toekeken. Waarna de vrouw en de kinderen voor de ogen van de gemartelde rebel werden verdronken. Diezelfde generaal zou ook gevangengenomen opstandelingen in het ruim van een schip laten vergassen. Een van die opstanden, in 1793, in Santo Domingo, geleid door Toussaint L'Ouverture, zou het Engelse leger meer dodelijke slachtoffers kosten dan de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Waarna in het Engelse parlement vragen werden gesteld over de te hoge kosten voor de instandhouding van de slavernij. Voor hun campagne maakten de twaalf gebruik van technieken die volgens Hochschild weinig verschillen van de technieken die mensen- rechtenactivisten vandaag aanwenden: posters met een knielende slaaf met de vraag ' Ben ik dan geen mens en broeder?', pamfletten, boycotacties tegen het gebruik van suiker uit West-Indië. Een van de probaatste middelen bleek een diagram, zeg maar een infografiek, die Clarkson bovenhaalde voor een onderzoekscommissie en waarin hij demonstreerde hoe de slaven geketend in de scheepsruimen werden opeengestapeld. Voor het eerst werd het grote publiek met de wreedheid geconfronteerd. Na enkele jaren al slaagden de actievoerders erin meer dan 300.000 Britten te laten deelnemen aan de boycot van de West-Indische suiker. In 1807 verbood het parlement de slavenhandel. De volledige vrijmaking en emancipatie van alle slaven in het imperium kwam er pas in 1833. In Frankrijk, waar de revolutie een eerste keer de slavernij had afgeschaft maar waar Napoleon die in 1802 opnieuw toeliet in de kolonies, werd de slavernij in 1848 definitief verboden. In Nederland gebeurde dat pas in 1863. Twee jaar later maakte de burgeroorlog een einde aan de slavernij in de Verenigde Staten. Hochschilds boek is een schitterend monument voor de abolitionisten van het eerste uur. Rik Van Cauwelaert