Het is erg naar als je vreugdevol van een opera wilt genieten en je tijdens de voorstelling gevoelens krijgt van verveling en ergernis, of dat je van de muziek wordt afgeleid door overtollige heisa op de scène. Dat heb ik allemaal ervaren tijdens de Muntproductie van de komische opera "Don Pasquale" van Gaetano Donizetti die in het Brusselse Lunatheater werd opgevoerd. Jammer, want dit werk is een juweel in zijn genre. Je kan haast niet geloven dat Donizetti slechts elf dagen over de compositie ervan deed, terwijl hij al erg ziek en ge...

Het is erg naar als je vreugdevol van een opera wilt genieten en je tijdens de voorstelling gevoelens krijgt van verveling en ergernis, of dat je van de muziek wordt afgeleid door overtollige heisa op de scène. Dat heb ik allemaal ervaren tijdens de Muntproductie van de komische opera "Don Pasquale" van Gaetano Donizetti die in het Brusselse Lunatheater werd opgevoerd. Jammer, want dit werk is een juweel in zijn genre. Je kan haast niet geloven dat Donizetti slechts elf dagen over de compositie ervan deed, terwijl hij al erg ziek en gedeprimeerd was. Het is subliem van instrumentatie, melodieus enorm rijk, geraffineerd van effecten, en van sfeer gaande van het komische naar het melancholische. Daarbij is het hartverwarmende belcanto. Opera is een erg moeilijke en complexe kunst omdat er zoveel disciplines samenwerken. Die moeten tot een uiterste homogeniteit komen, wil het goed wezen. De ene mag de andere niet storen, maar ze behoren elkaar aan te vullen en te verrijken. De man die dat voor elkaar moet krijgen, is de regisseur en bij deze "Don Pasquale" was dit François de Carpentries, geassisteerd door Karine Van Hercke. De Carpentries studeerde klassieke muziek en toneel, maar toch krijg je de indruk alsof hij Donizetti's partituur niet snapt. Of niet belangrijk genoeg acht. Toneel haalt bij hem de overhand: het is het euvel van de zich al jaren opdringende regieopera als modeverschijnsel. Daar kan veel goeds en verfrissends in zitten, op voorwaarde dat de regisseurs in kwestie de materie beheersen en oog hebben voor evenwicht. Als regieassistent van grote namen zou De Carpentries moeten weten hoe de geest van een werk dient te worden gerespecteerd. Er wordt al tientallen jaren geroepen om authenticiteit, om respect voor de bedoelingen en intenties van de componist, maar in de opera schijnt dat niet zo door te dringen. In dit kort bestek kunnen niet alle facetten opgesomd worden waarbij De Carpentries' regie storend overkomt. Enkele slechts: het raadselachtige gewriemel (het moet een soort schaakspel voorstellen) tijdens de ouverture, waardoor je aandacht van de briljante muziek wordt afgeleid; de niet juiste karaktertekening van Don Pasquale (vooral in het derde bedrijf); het nodeloos dooreengooien van tijdsperiodes (een Norina uit de jaren 1950 die met een ganzenveer schrijft); dezelfde Norina die soms vulgair wordt uitgetekend; een Carlotto/Il Notaro ( Bernard Villiers) die best fraai zingt, maar voor de rest een soort clowneske Modest van het WK uithangt; een Maggiordomo ( Stéphane Modard) als een Mijnheer Spillebeen die slechts een "schijn" van pantomime brengt, enzovoort. Wat precisie, Italiaans temperament en muzikale vaart betreft, kan dirigent Philippe Jordan beslist nog wat opsteken bij Antonio Pappano. Wèl goed en zelfs uitstekend was het viertal solisten, Alberto Rinaldi (Don Pasquale), de magnifieke Dorothea Röschmann (Norina), Juan José Lopera (Ernesto) en de bariton Garry Magee (Dottore Malatesta). Hen te "horen", maakte veel goed. Fons de Haas