Film is de kunstvorm die in de voorbije eeuw het levenslicht zag. In de eindeloze galerij van prehistorische rotswandschilderingen, uit marmer gekapte koppen en torso's en ingelijste foto's aan de muur, zijn de beelden eindelijk in beweging gekomen. Ze spreken en gesticuleren nu, ze hebben kleur en ze verwelken ook, zoals alles wat leeft. Maar wat hebben ze te zeggen, die oplichtende, vluchtige figuren? Dat kan twee dingen zijn: beelden kunnen een verhaal vertellen of een gedachte meedelen.
...

Film is de kunstvorm die in de voorbije eeuw het levenslicht zag. In de eindeloze galerij van prehistorische rotswandschilderingen, uit marmer gekapte koppen en torso's en ingelijste foto's aan de muur, zijn de beelden eindelijk in beweging gekomen. Ze spreken en gesticuleren nu, ze hebben kleur en ze verwelken ook, zoals alles wat leeft. Maar wat hebben ze te zeggen, die oplichtende, vluchtige figuren? Dat kan twee dingen zijn: beelden kunnen een verhaal vertellen of een gedachte meedelen.Een eeuw filmervaring leert dat de tiende muze vooral sterk is in het vertellen van verhalen. Een beeld in beweging is op zichzelf al een verhaal of toch het levendigste bestanddeel ervan, maar om een denkbeeld over te brengen, hindert het visuele beeld vaak meer dan het helpt. Het kostte Steven Spielberg ongetwijfeld minder moeite in Jurassic Park dinosauriërs met elkaar te laten vechten dan uit te leggen hoe het DNA van zo'n beest gebruikt kan worden om het weer tot leven te brengen. Vertellen is niet moeilijk met film, maar uitleggen is vrijwel onmogelijk. Terugblikkend op de twintigste eeuw rijst de vraag naar de topfilm van de honderd jaar, de allerbeste film aller tijden dus. Een stupide vraag natuurlijk, want stijl, thematiek, budget, plot, cast, doelpubliek verschillen zo totaal van elkaar dat het uitgesloten is om een eenvoudige rangorde op te stellen met bovenaan een nummer één. Hoe vergelijken? Verdient Modern Times met Charlie Chaplin een hogere plaats op de lijst dan The Jungle Book van Walt Disney? Wat doet het ertoe? Op de nóg onmogelijker vraag naar de persoon van de eeuw gaf ik hier al een prompt antwoord. Niet op basis van een grondige analyse, maar gewoon door zonder scrupules de ontegenspreekbare, hoogstpersoonlijke voorkeur te laten gelden. Die werkwijze kan ook op de film toegepast worden. Het domein waaruit ik selecteer, is echter beperkt, want van alle rolprenten die de voorbije eeuw gedraaid werden, heb ik minder dan eentiende van één procent, wellicht minder dan eenhonderdste van één procent, gezien. Deze deficiënte verzameling bevatte echter zoveel slechte en zoveel prachtige films dat daaruit een zinvolle keuze te maken valt, al dan niet representatief voor het geheel. Welnu, mijn voorkeur voor de verhalende film gaat naar Ragtime, een prent van regisseur Milos Forman uit 1981. Ragtime brengt het verhaal van de sociale strijd van de zwarten in New York in 1910. De twintigste eeuw wordt hier geboren: het opkomende Amerika, de strijd tussen gerechtigheid en vernedering. Altijd gewonnen door die laatste, maar nooit definitief, want het gevecht gaat door. De geboorte ook van een nieuwe muziek, een syncopisch, nog niet swingend geluid waarin ondanks jeugdigheid oude melancholie klinkt. Dat is Afrika in Amerika, het verleden in de toekomst of misschien een nog verre toekomst in een voortijdig verleden. Wie zal ooit de puzzel van de Nieuwe Wereld begrijpen? De twintigste eeuw is de eeuw van Amerika's superieure macht geworden, van de New Yorkse melting pot, van de jazzmuziek, gegroeid uit negerfolklore, ragtime, boogie woogie en bebop en van een niet gewonnen, maar ook niet vergeefse strijd voor burgerrechten en sociale rechtvaardigheid. Dat Amerika heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw het voortouw genomen in alle politieke, maatschappelijke en culturele ontwikkelingen ten goede of ten kwade, ook die waarin Europa eeuwenlang de pioniersrol vervulde. Zeker ook in de voortschrijdende wetenschap en technologie, gebieden waarop de twintigste eeuw zijn meest opvallende bijdragen tot de geschiedenis heeft geleverd. Duidelijker dan ooit werd in de voorbije eeuw zichtbaar dat de technologische ontwikkeling in wezen een voortzetting is van de biologische evolutie. Nu machines niet langer alleen de functie van armen en benen overnemen, maar ook die van de hersenen.De idee - niet het verhaal - van de technologische evolutie werd magistraal door de film 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick in beeld gebracht. Mijn keuze voor de film die het beste een gedachte tot uitdrukking brengt, gaat naar deze prent uit 1968. De geschiedenis van aap tot astronaut en daar voorbij waar de intelligentie van de mens naar de machine migreert, wordt hier voor de geest gehaald aan de hand van een (mager) verhaal van Arthur C. Clarke en met behulp van het gestileerd, soms surrealistisch tot hallucinogeen beeldmateriaal van Kubrick. Enkele ruimtevaarders gaan op zoek naar de oorsprong van een mysterieus, kennelijk artificieel object dat op de maan werd aangetroffen. Onderweg neemt de computer aan boord het lot van het ruimteschip en zijn bemanning in handen. In de film komt een korte scène voor die - als een film binnen de film, een visioen binnen een visionair epos - de titel van 'scène van de eeuw' verdient. Na ruige gevechten met soortgenoten slingert een aapmens een been de lucht in. Hoog in het blauwe uitspansel metamorfoseert het tollende been op de walsende tonen van de Blauwe Donau in een wentelend ruimtestation. Drie miljoen jaar evolutie liggen in die ene beweging vervat. Nooit zag ik technologie betovender in beeld gebracht, alaam en droom zo innig versmolten. 2001: A Space Odyssey werd gemaakt op de vooravond van de reizen naar de maan. Het van energie barstende Amerika vocht op dat ogenblik een ruige oorlog in Vietnam uit en stuurde zijn Apollo's de buitenaardse ruimte in. Terwijl de soldaten slachtten en afgeslacht werden, streken de helden daarboven neer op het hemellichaam dat de nachten verlicht. Houston, this is Tranquillity Base; the Eagle has landed. Eén moment was de stilte van de maan op aarde hoorbaar. Dat is ondertussen een kwarteeuw geleden. We zijn nu 2001. Geen levende ziel dwaalt nog op de maan rond. De astronauten van toen vonden er alleen stof en stenen, geen mysterie dat hen verder het heelal in lokte. Oorlogen worden nog altijd gevoerd, ruwer dan ooit. De computers zijn verder gegroeid; maar we hebben ze stevig onder controle, op wat virale infecties na. Een opstand van cybernauten valt niet te vrezen. Daarboven in de lucht moet het ozongat echter wel gedicht worden. Nee, dit is 2001 niet. Gerard Bodifée