Tegen het advies van de diplomaten in reisde Reginald Moreels dan toch naar Centraal-Afrika, een blamage tegemoet.
...

Tegen het advies van de diplomaten in reisde Reginald Moreels dan toch naar Centraal-Afrika, een blamage tegemoet.Het was een pijnlijke situatie, staatssecretaris Reginald Moreels (CVP) van Ontwikkelingssamenwerking op de tarmac van het Oegandese Kampala, all dressed up and nowhere to go. De Oegandese autoriteiten hadden het kortweg laten afweten en vonden het niet erg om Moreels voor paal te laten staan. Zo eindigde diens rondreis vorige week niet alleen op een sisser, maar vooral op een diplomatieke blamage. De staatssecretaris had een tweetal weken geleden al naar Centraal-Afrika moeten vertrekken. Dat wou hij althans zelf, in de hoop zich op het voorplan te kunnen werken in wat zich rond de Grote Meren afspeelt. De Belgische diplomatie was daar zeer tegen gekant, vrezend dat Moreels meer kwaad dan goed kon stichten in het moeizame en delicate overleg in wat tenslotte een regelrechte oorlogssituatie met schrijnende menselijke drama's is. Bovendien riskeerde Moreels zich op het kwalijke pad van de parallelle diplomatie te begeven, want waar Buitenlandse Zaken een afstandelijke en onafhankelijke positie in het Centraal-Afrikaanse kluwen tracht in te nemen, leek de staatssecretaris in naam van een Goede Zaak voortdurend partij te willen kiezen. Moreels wou met een royaal gebaar persoonlijk enige hulpgoederen gaan afleveren in Zaïre, om daarna Rwanda en Oeganda de levieten te gaan lezen omwille van hun steun aan de rebellie van Laurent Kabila. Hij zou dreigen met het intrekken van de Belgische ontwikkelingssamenwerking met die landen. Maar dat maakte niet veel indruk, aangezien België slechts het derde donorland in Rwanda meer is, terwijl Oeganda wel voor een vierhonderd miljoen frank projecten beloofd kreeg, maar de uitvoering daarvan laat lang op zich wachten. Ondanks het njet van Buitenlandse Zaken hield Moreels koppig vol en uiteindelijk gaf premier Jean-Luc Dehaene (CVP) hem dan toch zijn zin, maar de regering ontzegde hem wel elk politiek mandaat. Overigens hadden alle Belgische ambassadeurs in Centraal-Afrika Moreels de uitstap al afgeraden. Toen de staatssecretaris kort voor zijn vertrek, op basis van één, niet verder onderzochte getuigenis van een Franse pater, Kabila van ?genocide? beschuldigde, en in één moeite door Rwanda en Oeganda van medeplichtigheid daaraan, kon hij het wel schudden. Kigali deelde hem mee dat hij niet welkom was terwijl Kampala aan een zogezegd misverstand genoeg had om Moreels op de tarmac de wacht aan te zeggen. Want een beschuldiging van genocide wordt in een regio die het Rwandese drama van 1994 heeft meegemaakt, niet licht genomen. Tenslotte ligt alles in de perceptie. Moreels pleidooien voor militaire interventies leken hem op hetzelfde spoor te brengen als de Franse pro- Mobutu-politiek. Idem wat betreft zijn blitzbezoek aan het belegerde Kisangani, waar hij de lokale, Mobutu-getrouwe autoriteiten ging opzoeken. Idem wat betreft zijn bezoek aan het CDI in Bwamanda, een grootschalig ontwikkelingsproject in de Evenaarsprovincie, in het hart van Mobutu's thuisland, waar ook Gbadolite ligt, diens residentiestad. Was het niet allemaal zo bedoeld, dan wekte het in de regio wel die schijn. En wat schijn kan doen, is in Rwanda in 1994 ten volle gebleken toen België in de Hutu-propaganda tot een objectieve bondgenoot van het door Tutsi's gedomineerde Rwandees Patriottisch Front werd gepromoveerd, alleen omdat het zich niet meer vierkant achter het toenmalige Hutu-regime schaarde. De Belgische diplomatie kan nu beginnen het puin te ruimen dat door Moreels is achtergelaten. M.R.