Tussen magistraten en journalisten is weinig liefde verloren. Een rechter in Brussel begaf zich vorige week op een glibberig pad toen hij op eenzijdig verzoekschrift van politiechef Fernand Koekelberg en zijn medewerkster Sylvie Ricour de oplage van het weekblad Humo uit de rekken liet halen. Het duo voelde zich gekrenkt door een weinig smakelijke fotomontage.
...

Tussen magistraten en journalisten is weinig liefde verloren. Een rechter in Brussel begaf zich vorige week op een glibberig pad toen hij op eenzijdig verzoekschrift van politiechef Fernand Koekelberg en zijn medewerkster Sylvie Ricour de oplage van het weekblad Humo uit de rekken liet halen. Het duo voelde zich gekrenkt door een weinig smakelijke fotomontage. De procedure op eenzijdig verzoekschrift is populair, maar gevaarlijk. Met het excuus dat er snel moet worden opgetreden, wordt ze gevoerd zonder dat de beklaagde zich kan verdedigen. Dat druist in tegen alle normale regels van ons rechtsstelsel. Niet alleen media hebben er last van. Ook vakbonden worden soms geviseerd, als ze bij acties de toegang tot bedrijven blokkeren. Bovendien staat al sinds 1830 in de Belgische grondwet dat de pers vrij is, dat er geen censuur kan worden ingevoerd en dat persmisdrijven voor het assisenhof worden behandeld. Die grondwettelijke regels worden vaak en al lang omzeild. Doorgaans worden schending van de privacy en/of eerroof ingeroepen om forse schadevergoedingen te eisen. Toch gebeurt het weinig dat de verkoop van de hele oplage van een boek of een tijdschrift wordt stopgezet. De grondwetgever dacht bij de bescherming van de persvrijheid in de eerste plaats ook niet echt aan de gekwetste trots van Fernand Koekelberg. De laatste keer dat in België een blad om politieke redenen in beslag werd genomen, was in 1964. Het weekblad Pourquoi Pas? publiceerde toen een interview met de voormalige Congolese premier en Katangese secessieleider Moise Tshombe. Die vertelde over de rol die de Congolese president Joseph Kasavubu speelde bij de moord op Patrice Lumumba na de Congolese onafhankelijkheid. De Congolese ambassadeur klaagde bij Hendrik Fayat, die op Buitenlandse Zaken de adjunct was van Paul-Henri Spaak. Fayat sprak minister van Justitie Piet Vermeylen aan, en die gaf de procureur-generaal de opdracht om op te treden. Fayat en Vermeylen waren overigens Vlaamse socialisten. De regering verwees voor haar ingreep naar een wet uit 1852, die het beledigen van een bevriend staatshoofd strafbaar stelt. Dat 'bevriende' staatshoofd was toentertijd de Franse keizer Napoleon III, die het niet kon hebben dat er vanuit Brussel met pamfletten oppositie werd gevoerd tegen zijn regime. Een van zijn felste tegenstanders was de schrijver Victor Hugo, die toen enige tijd in Brussel in ballingschap verbleef. Napoleon III dwong zijn kleine buurland met het mes op de keel. Het was niet netjes dat de regering meer dan honderd jaar later precies van die wet het stof afblies om de pers te doen zwijgen. Het kwam daarna nooit tot een proces tegen Pourquoi Pas? - wat de indruk versterkt dat het Fayat en Vermeylen alleen om de censuur te doen was. De oefening werd later gelukkig niet meer herhaald. Voor Humo is het avontuur van vorige week om meer dan één reden een sof. Het kan zich troosten met de gedachte dat exemplaren van de verboden Pourquoi Pas? intussen goed geld opbrengen op de veiling-site eBay. Hubert van Humbeeck