Van de 11.000 jongeren die in Vlaanderen in het deeltijds onderwijs enkele dagen per week les volgen, hebben drie op de tien geen aanvullende activiteit om een werkervaring op te doen. 'Sommige opleidingen in een van de drie vormen van het deeltijds onderwijs - de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd en de deeltijdse vorming - zijn heel succesvol. Andere kampen met een grote ongekwalificeerde uitstroom en bieden weinig kansen op werk. In het deeltijds onderwijs wordt ook heel veel gespijbeld: meer dan 28 procent van de leerlingen is langere tijd afwezig of volgt slechts sporadisch les', zegt Vlaams onderwijsminis...

Van de 11.000 jongeren die in Vlaanderen in het deeltijds onderwijs enkele dagen per week les volgen, hebben drie op de tien geen aanvullende activiteit om een werkervaring op te doen. 'Sommige opleidingen in een van de drie vormen van het deeltijds onderwijs - de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd en de deeltijdse vorming - zijn heel succesvol. Andere kampen met een grote ongekwalificeerde uitstroom en bieden weinig kansen op werk. In het deeltijds onderwijs wordt ook heel veel gespijbeld: meer dan 28 procent van de leerlingen is langere tijd afwezig of volgt slechts sporadisch les', zegt Vlaams onderwijsminister Frank Vandenbroucke (SP.A). Bij zijn aantreden maakte hij van leren en werken een speerpunt. Voor jongeren uit het deeltijds onderwijs zijn er nu 2500 werkervaringsplaatsen en 1089 'brugprojectplaatsen' in de non-profitsector. Voor jongeren die nog niet arbeidsrijp zijn, werden 1330 plaatsen gecreëerd om een 'voortraject' af te leggen. En voor de kwetsbaarste jongeren, die nog niet weten welke kant ze met hun leven uit willen, is er aanbod van 600 'persoonlijke ontwikkelingstrajecten'. Het budget voor al deze plaatsen en trajecten werd opgetrokken van 6,2 miljoen naar 16,9 miljoen euro. Begin juli keurde het Vlaams Parlement een decreet goed dat voor het nieuwe schooljaar nog een tandje bij steekt. 'Voor jongeren moet deeltijds leren voortaan ook steeds deeltijds werken betekenen. Iedereen krijgt goede werkervaringsmogelijkheden en trajecten op maat aangeboden. En tegen jongeren die er de kantjes van aflopen, wordt kordaat opgetreden', aldus Vandenbroucke. Zijn decreet bevat vier krachtlijnen. Om een voltijdse leerplicht te waarborgen, zodat leren én werken de norm wordt, komen er regionale overlegplatformen waaraan de bedrijfssectoren hun medewerking hebben toegezegd om werkervaringsplaatsen open te stellen. Vanaf volgend schooljaar wordt ook met een nieuw registratiesysteem dagelijks gecontroleerd of de jongeren effectief voltijds bezig zijn. Elke jongere krijgt een vaste trajectbegeleider, die in overleg met hem of haar een (werkervarings)traject op maat organiseert. Trajectbegeleiders, medewerkers van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en consulenten van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) zullen ook tweemaandelijks overleggen over hoe het met de jongeren in hun regio gesteld is. Op die manier kan er volgens Vandenbroucke zowel voor het leren als het werken geen excuus meer zijn om te spijbelen. Gebeurt dat toch, dan volgt een verplichte begeleiding door een CLB en kan zelfs justitie worden ingeschakeld. In het deeltijds onderwijs zelf ten slotte wordt resoluut gekozen voor opleidingsmodules. De inhoud ervan is gekoppeld aan beroepsvaardigheden die door het Vlaamse bedrijfsleven zijn omschreven. Voor elke opleidingsmodule kunnen de jongeren een certificaat verwerven. En als ze de eindtermen van het secundair onderwijs behalen, krijgen ze ook daarvoor een studiebewijs. 'Iedereen moet zijn duit in het zakje doen: het deeltijds onderwijs, de bedrijven, de jongeren en hun ouders. Dan kunnen we van het decreet over Leren en Werken in de praktijk echt een succes maken', aldus nog Vandenbroucke.