De Witte Mars van 1996 mag indruk hebben gemaakt, deze eenmalige manifestatie stelt niet veel voor in vergelijking met de massa's die in de jaren vijftig op straat kwamen om betogingsgewijs hun mening over de onderwijspolitiek van die tijd te kennen te geven. Toen mobiliseerde de zogeheten schoolstrijd in totaal welgeteld 892.735 betogers, vooral in 1955.
...

De Witte Mars van 1996 mag indruk hebben gemaakt, deze eenmalige manifestatie stelt niet veel voor in vergelijking met de massa's die in de jaren vijftig op straat kwamen om betogingsgewijs hun mening over de onderwijspolitiek van die tijd te kennen te geven. Toen mobiliseerde de zogeheten schoolstrijd in totaal welgeteld 892.735 betogers, vooral in 1955.Het jaar daarvoor was, na vier jaar homogeen katholiek bewind, de door Achille Van Acker geleide socialistisch-liberale regering aan de macht gekomen. Dit vrijzinnige kabinet voerde een offensieve onderwijspolitiek die volgens de katholieke oppositie de officiële scholen schromelijk bevoordeelde ten nadele van het vrije net, waarmee het zou zijn ingegaan tegen de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. Uit protest stuurde de katholieke zuil "Christus' kudde" (dixit het episcopaat) massaal de straat op, haalden gelovigen hun geld van hun rekening bij de post (een staatsbedrijf), boycotten ze de producten van als 'vrijzinnig' beschouwde bedrijven et cetera. Het beeld dat daaruit groeide, is dat van een harde politieke confrontatie, een nieuwe etappe in de aloude ideologische strijd, die in de geschiedschrijving als een van de klassieke breuklijnen van de Belgische politiek wordt gezien. Dat conflict werd vervolgens, in 1958, beslecht met het schoolpact, een "typisch Belgisch", op consensus en pacificatie gericht compromis. Dat pact was aanvankelijk niet meer dan een feitelijk, op discrete wijze tot stand gekomen akkoord tussen de tenoren van de politieke elite, een bekende praktijk waarvoor de rechtssocioloog Hugues Dumont de term paralegaliteit bedacht. Gaandeweg vonden de principes ervan hun weg naar de wetgeving. Dat laatste was zeker het geval in Vlaanderen, wat er overigens op wijst dat sinds de Vlaamse en de Franse gemeenschap de bevoegdheid over het onderwijs hebben gekregen, ze ook op dit terrein elk hun eigen koers zijn gaan varen. Om deze belangrijke etappe in de naoorlogse Belgische geschiedenis te (her)evalueren, organiseerde de Vrije Universiteit Brussel, onder impuls van rector Els Witte, eind 1998 een colloquium over de betekenis van deze schoolstrijd. De uitgewerkte referaten daarvan zijn zopas samengebracht in de lijvige en uiterst veelzijdige studie Het schoolpact van 1958. DIPLOMA'S GEVRAAGDHet grote belang van deze bundel is dat erin tal van nieuwe visies op een specifieke historische periode worden ontwikkeld, waarvan de essentie lang versluierd bleef door de antagonismen van de tijd zelf. Studies over de schoolstrijd hadden al te lang de neiging om het conflict nog eens a posteriori over te doen. De polarisering leidde er om te beginnen al toe, zo blijkt, dat de standpunten van de hoofdrolspelers in het conflict, de socialistische Onderwijsminister Léo Collard en vooral diens katholieke voorganger en opponent Pierre Harmel, veel radicaler toelijken dan ze in werkelijkheid waren. De belangrijkste accentverschuiving die deze bundel aanbrengt, is een verbreding van de focus, waardoor het schoolpact niet zozeer als een breukpunt wordt voorgesteld, maar integendeel in een continue maatschappelijke ontwikkeling wordt gesitueerd. Een cruciaal aspect daarvan zijn de uitbouw en democratisering van het onderwijs, vooral van de middelbare scholen, want daar draaide het conflict in de eerste plaats om. Die kwam er omdat de economie steeds meer geschoolde werknemers nodig had. Het katholieke net had daar tot dan toe weinig aandacht aan besteed, omdat het zijn inspanningen concentreerde op de doctrinaire vorming via het lager onderwijs. Zijn niet van rijkswege gesubsidieerde middelbare scholen behielden een elitair karakter. Zo kwam de groeiende vraag vooral het officiële onderwijs ten goede. Doordat het onderwijs gaandeweg, ook in de katholieke zuil, vooral als een economische investering werd gezien, kwam de ideologische concurrentie in een andere context te staan. Daarom is het schoolpact eerder de uitkomst van een op pacificatie en compromis gerichte schoolpolitiek dan dat het daartoe de aanzet zou hebben gegeven. Daarin kon de staat het voortouw nemen in een streven naar de modernisering en de kwalitatieve verbetering van het onderwijs. Het opbreken van de oude, zowel financiële als ideologische drempels, zo benadrukt de Gentse hoogleraar Dirk Van Damme, is uiteindelijk de gezinnen het meest ten goede gekomen: zij kregen met het pact een grotere keuzevrijheid in het onderwijsaanbod én naar school gaan werd gratis.Els Witte, Jan De Groof, Jeffrey Tyssens (red.), "Het schoolpact van 1958. Ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis", VUBPress/Garant, Brussel/Leuven, 895 blz., 1850 fr.Marc Reynebeau