De overlevering wil dat de Russische tsaar Nicolaas I de term bedacht: 'de zieke man van Europa'. Anderhalve eeuw geleden vond hij die toepasselijk voor het Ottomaanse Rijk, de voorloper van het huidige Turkije, omdat het veel van zijn militaire en economische macht had ingeboet. In de afgelopen decennia werd de term een soort wisselbeker onder Europese landen, toegewezen op basis van structurele economische problemen, en meestal ook vanwege het besmettingsgevaar. In de jaren 1970 was het Groot-Brittannië, rond de eeuwwisseling was het Duitsland, en sinds het uitbreken van de schuldencrisis onder meer Griekenland, Portugal en Italië.
...

De overlevering wil dat de Russische tsaar Nicolaas I de term bedacht: 'de zieke man van Europa'. Anderhalve eeuw geleden vond hij die toepasselijk voor het Ottomaanse Rijk, de voorloper van het huidige Turkije, omdat het veel van zijn militaire en economische macht had ingeboet. In de afgelopen decennia werd de term een soort wisselbeker onder Europese landen, toegewezen op basis van structurele economische problemen, en meestal ook vanwege het besmettingsgevaar. In de jaren 1970 was het Groot-Brittannië, rond de eeuwwisseling was het Duitsland, en sinds het uitbreken van de schuldencrisis onder meer Griekenland, Portugal en Italië. Inmiddels zijn steeds meer critici het erover eens dat Frankrijk de twijfelachtige eer ten deel valt - niet voor het eerst, trouwens. In 2007 was de Amerikaanse bank Morgan Stanley in een rapport al zó ongerust over de Franse economie dat ze de kwalificatie van stal haalde. De voornaamste zorgen waren het gebrek aan groei, hoge werkloosheid, tegenvallende exportcijfers en de hoge publieke uitgaven. De crisis die sindsdien door Europa waart, heeft de Franse situatie niet verbeterd. Wel leidde ze ertoe dat een aantal economieën nog dichter bij de afgrond kwam te staan dan Frankrijk, zoals Griekenland, Ierland, Portugal en IJsland. De bezorgdheid over Frankrijk verdween daardoor wat naar de achtergrond, ook omdat de genereuze verzorgingsstaat en de machtige overheid de eerste klappen van de crisis beter opvingen dan veel andere landen. Maar inmiddels zijn de problemen waarop Morgan Stanley wees alleen maar erger geworden, en stapelt de kritiek zich op. 'De eurozone is op dit moment de zieke man van de globalisering, en Frankrijk de ziekste man van de eurozone', zei de toonaangevende econoom Nicolas Baverez vorig jaar na de verkiezingsoverwinning van president François Hollande. Hij staat bekend als 'declinoloog', omdat hij ervan overtuigd is dat Frankrijk al enkele decennia in verval (déclin) is, en dat machthebbers te weinig doen om dat tegen te gaan. 'Als president Hollande zijn programma uitvoert, staat Frankrijk binnenkort onder curatele bij het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Commissie', waarschuwde hij. Vorige maand kwam er een voor Frankrijk vernietigend rapport uit, The Euro Plus Monitor van de Duitse vermogensbank Berenberg en de Europese denktank Lisbon Council, waarin de economie opnieuw ziek werd verklaard: 'Frankrijk is de echte zieke man. (...) Het blijft de enige grote Europese economie die wordt geteisterd door serieuze gezondheidsproblemen, waartegen het nog weinig heeft gedaan.' Wie de zieke man beter wil leren kennen om een adequate diagnose te stellen, hoeft het niet ver over de Belgische grens te zoeken. Het grimmige stadje Longwy, twintig kilometer bezuiden Aarlen, geeft inzicht in een groot aantal kwalen waarmee de Franse economie te kampen heeft. 'U bent op zoek naar de zieke man van Europa? Ah, dan bent u hier op de juiste plek', zegt Yannick Pagliuchi, redactiechef op het plaatselijke kantoor van de streekkrant Le Républicain Lorrain. Hij komt net terug van een bijeenkomst over de sociaaleconomische ontwikkeling van Longwy, en laat een document zien met de laatste cijfers. De officiële werkloosheid staat op ruim 16 procent, van wie bijna de helft te boek staat als langdurig werkloos (meer dan een jaar). Daarbovenop komen nog de talrijke 'hopeloze' gevallen, die simpelweg van de lijsten zijn geschrapt en niet meer worden meegeteld. Net als elders in Frankrijk is er steeds vaker sprake van werklozen van de tweede generatie: kinderen die hun ouders nooit hebben zien werken en nu zelf als volwassenen ook nergens aan de bak komen. Werk is daardoor in achterstandsgebieden steeds minder een vanzelfsprekendheid. Wat ook al niet helpt, is dat ruim een kwart van de bevolking geen enkel diploma heeft, wat tot de eigenaardige situatie leidt dat de schaarse vacatures die er zijn vaak niet eens kunnen worden opgevuld. Een recent rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) signaleerde dat de kwaliteit van het Franse onderwijs achteruitgaat in vergelijking met andere landen, en dat vooral de onderklassen daar het slachtoffer van zijn. Hoe heeft het zo ver kunnen komen, hier in het noorden van de regio Lotharingen? Het antwoord kennen ze wel aan de toog van café Excelsior, een van de schaarse kroegen die nog over zijn in de benedenstad van Longwy. Akli Bouchentouf, een geboren Algerijn die Heineken drinkt met zijn jongere drinkmaat Laurent Csomporow, vertelt over de vervlogen tijden toen hij met vele duizenden andere arbeiders van heinde en verre naar Lotharingen kwam voor een baan in de hoogovens of de ijzerertsmijnen. Ook de Oost-Europese ouders van zijn drinkmaat, een veertiger die naar eigen zeggen nog nooit in zijn leven heeft gewerkt, vonden een job in de staalindustrie. 'Je kunt het je niet meer voorstellen, maar het bruiste hier', zegt Bouchentouf. Hij wijst naar een straat met vervallen, bakstenen pandjes, die in vroeger tijden cafés, restaurants en winkels herbergden. Ooit was er zelfs een kuuroord met thermen in het stadje. Door lagere prijzen op de wereldmarkt en groeiende concurrentie uit gebieden waar het erts een hoger ijzergehalte bezat, zakte de regionale staalindustrie in de jaren zeventig en tachtig steeds verder weg en sloten fabrieken een voor een hun deuren. In Longwy zette de neergang in vanaf 1979, een jaar dat ter plaatse bekendstaat als het rampjaar. Het kwam tot grootschalige protestacties, zoals een bezetting van de Eiffeltoren en een gewelddadige demonstratie in het hart van Parijs. Bouchentouf en duizenden collega's verloren hun baan; velen vonden nooit meer een nieuwe werkgever. Al wat nog rest, is een liggende hoogoven in het groene landschap. Op een halfuurtje van Longwy, in Florange, staat nog wel een staalfabriek, maar ook die wordt met sluiting bedreigd. 'Alles was hier in de streek gericht op de staalindustrie, en het is als een kaartenhuis ingestort', zegt Pagliuchi. Hij vertelt hoe de bewoners hun hoop vestigden op overheidsinitiatieven om nieuwe bedrijvigheid te brengen, maar die zijn nooit helemaal geslaagd. Dankzij gulle overheidssubsidies kwamen er wel enkele grote bedrijven, zoals Daewoo en JVC, maar zelden waren het blijvertjes. 'Ze streken het geld op en gingen er weer vandoor', oordeelt Pagliuchi. Bedrijven zelf wijzen doorgaans op hoge lasten en personeelskosten in Frankrijk, en zien het sluiten van fabrieken als een voorwaarde om te overleven. Met Europees geld kwam er bovendien een grensoverschrijdende Pôle Européen de Développement, die een impuls moest geven aan het bedrijfsleven in Frankrijk, België en Luxemburg. 'Bij de buren werkt het, aan Franse kant niet', zegt Pagliuchi. 'Wij zijn al 35 jaar op zoek naar een nieuwe toekomst, maar vooralsnog vergeefs.' Het enige lichtpuntje in Longwy is de nabijheid van Luxemburg, waar de economie wel bloeit (wat gedeeltelijk is te danken aan de financiële sector en het bankgeheim). 'Zonder Luxemburg was het hier allang uitgestorven', zegt Pagliuchi. Elke ochtend vertrekt een colonne van duizenden Fransen vanuit Lotharingen naar Luxemburg om te werken, waarna stadjes als Longwy leeg achterblijven. Ook andere Franse gebieden leveren veel grenswerkers, met als voornaamste bestemmingen Zwitserland, Duitsland en België. Andersom pendelen er nauwelijks buitenlanders op en neer naar Frankrijk. Ruim honderd kilometer ten oosten van Longwy, te midden van glooiende boslandschappen, ligt het voormalige mijnbouwstadje Sankt Ingbert in het Duitse bondsland Saarland. Een bezoekerscentrum met mijnschacht aan de rand van de binnenstad en een oud mijnwerkerspension bij het station herinneren nog aan het verleden. Sankt Ingbert en Saarland vertonen veel gelijkenissen met Longwy en Lotharingen. In beide gevallen is er sprake van een industrieel verleden gebaseerd op kolen en staal, en regio's die in de vorige eeuw lange tijd essentieel waren voor de ontwikkeling van hun land. Na de sluiting van de mijnen werd echter niet meteen een alternatief gevonden. Bovendien kent Saarland net als Lotharingen een tumultueuze geschiedenis. Waar een deel van de Franse regio tussen 1870 en 1919 door Duitsland was geannexeerd, lag Saarland in de vorige eeuw geruime tijd in de Franse invloedssfeer. In 1955 mocht de lokale bevolking zich in een referendum uitspreken over aansluiting bij Duitsland of de vorming van een soort Europees protectoraat waarin Frankrijk veel invloed zou behouden. Bijna twee derde koos voor Duitsland, en dat zullen de kinderen en kleinkinderen van die generatie niet betreuren. Anders dan aan Franse zijde hebben Sankt Ingbert en omliggende steden wél een nieuwe bestemming gevonden. In Saarland piekte de werkloosheid eind jaren negentig, toen Duitsland de zieke man was, nog op 14 procent, maar sindsdien is de situatie snel verbeterd. De streek heeft een fijnmazig netwerk van industriële bedrijven, met imposante exportcijfers en volop banen. Het werkloosheidscijfer ligt inmiddels onder de 7 procent van de beroepsbevolking, net boven het Duitse gemiddelde maar ver onder het Franse. Onder de bedrijven zitten enkele grote namen, zoals Bosch en Porsche, maar het gaat veelal om kleinere firma's die zelfs in Duitsland slechts bij een handjevol specialisten bekend zijn. Maar de producten die ze leveren zijn van topkwaliteit of zelfs uniek in de wereld - vaak gaat het om werktuigen en industriële machines - waardoor ze moeilijker vervangbaar zijn dan Franse goederen. Die concurreren vaak direct met producten uit lagelonenlanden. Zo vind je in en rond Sankt Ingbert bedrijven die gespecialiseerd zijn in staaldraad, auto-onderdelen en tandraderen. Aan de Kaiserstrasse, een levendige winkelstraat in Sankt Ingbert, bevindt zich het kantoor van de lokale editie van Saarbrücker Zeitung. De jonge journaliste Patricia Müller vertelt hoe haar vader vroeger ook in de mijnbouw werkte. 'Toen hij zijn baan verloor, heeft hij zich omgeschoold tot IT'er en kon hij weer aan de slag', zegt ze, met een vanzelfsprekendheid die aan de andere kant van de grens tot verbazing zou leiden. In Frankrijk wachten ze doorgaans af wat de staat in petto heeft voor ze zelf initiatief nemen. 'Voor IT'ers, ingenieurs, technici en ook voor lageropgeleiden is hier werk genoeg, maar hogeropgeleiden zonder technische achtergrond moeten het vaak elders zoeken, in Frankfurt en verder', zegt ze. 'De afgelopen jaren is er bij mijn weten geen enkele fabriek in de buurt geweest die dicht is gegaan omdat de productie elders goedkoper is of omdat er onvoldoende vraag was.' In veel opzichten heeft zich in Duitsland de afgelopen jaren een modern Wirtschaftswunder afgespeeld. Het land absorbeerde niet alleen het straatarme oosten in 1990, maar vocht zich vanuit een benarde positie terug naar de Europese top. De zieke man revalideerde en verkeert nu in blakende vorm. Vrijwel iedereen is het erover eens dat een groot deel van de lof voormalig bondskanselier Gerhard Schröder toekomt. Onder zijn leiding kreeg Duitsland in 2003 een shocktherapie: de veelbesproken Agenda 2010. De sociaaldemocraat kwam met een ongeevenaard pakket van liberale maatregelen, zoals belastingverlagingen, loonmatiging, bezuinigingen op sociale zekerheid en een flexibilisering van de arbeidsmarkt. Vooral vanuit zijn eigen achterban kreeg hij destijds veel kritiek te verduren, en de hervormingen droegen uiteindelijk bij tot zijn verkiezingsnederlaag twee jaar later, toen Angela Merkel aan de macht kwam voor de christendemocraten. Maar de Duitse economie profiteerde en begon aan een imposante opmars. 'De belangrijkste overeenkomst tussen het Duitsland van vijftien jaar geleden en Frankrijk nu is de verzwakte concurrentiepositie van beide landen', zegt de Duitse econoom Ulrich Hege, professor aan de prestigieuze handelsschool Ecole des Hautes Etudes Commerciales (HEC) in Parijs, aan de telefoon. 'Duitsland had hoge lonen, die werden gerechtvaardigd door de kwaliteit van de producten en de kennis. Maar de voorsprong slonk, waardoor Duitsland zich uit de markt prijsde.' In Frankrijk heeft de maakindustrie veel terrein ingeleverd op de concurrentie, en liggen de lonen vaak te hoog om op de vrije markt goed te kunnen concurreren. Daardoor vestigen bedrijven zich liever in goedkopere landen en exporteert Frankrijk naar verhouding steeds minder, wat leidt tot enorme tekorten op de handelsbalans. Een groot verschil tussen Frankrijk en Duitsland is volgens Hege de structuur van de industrie en het bedrijfsleven. 'Duitsland heeft een oude vorm van maakindustrie die het best vergelijkbaar is met Zuid-Korea en Japan', zegt hij. Het land heeft enkele grote kampioenen, maar leunt vooral op de duizenden kleinere exportbedrijven. Hege: 'Duitsland heeft in zekere zin ook geluk gehad de afgelopen jaren. Ondanks de crisis is juist de vraag naar producten waarin Duitsland gespecialiseerd is buiten Europa sterk toegenomen. Dat kan ook weer veranderen.' Frankrijk, daarentegen, is altijd minder exportgericht geweest, deels omdat het niet nodig was. De hoge binnenlandse consumptie was de voornaamste groeimotor. Bovendien zet Frankrijk vooral in op de giganten, doorgaans wereldspelers in hun sector. Kleinere bedrijven, die vaak flexibeler zijn en beter kunnen inspelen op veranderde omstandigheden, hebben in Frankrijk minder kans om autonoom te overleven. Buiten Frankrijk is vrijwel iedereen het erover eens wat de regering in Parijs zou moeten doen om weer aansluiting te vinden bij de rest van Europa: drastisch hervormen. Keer op keer raden internationale instellingen aan om de arbeidsmarkt flexibeler en toegankelijker te maken, het mes te zetten in de verzorgingsstaat, en eindelijk een duurzaam pensioenstelsel in te stellen. Veel Fransen zijn trots op de uitstekende gezondheidszorg en de genereuze sociale zekerheid van hun land, maar ze vergeten dat de sociale stelsels elk jaar vele miljarden tekortkomen, waardoor Frankrijk zich verder in de schulden moet steken. Ze vinden dat iedereen het recht heeft op een vaste baan voor het leven, maar vergeten dat veel jongeren en langdurig werklozen daardoor juist geen kans op werk hebben. Politiek is er de afgelopen twintig jaar weinig klaargespeeld. De laatste serieuze poging tot grootschalige hervormingen dateert van 1995, toen premier Alain Juppé met een serie hervormingen orde wilde scheppen in de Franse staatsfinanciën. Het leidde tot enorme demonstraties en een gevoelige tussentijdse verkiezingsnederlaag, waarop president Jacques Chirac besloot om zich grotendeels koest te houden gedurende de twaalf resterende jaren van zijn twee ambtstermijnen. Bij zijn opvolger Nicolas Sarkozy, die voor zijn verkiezingsoverwinning in eigen land als 'ultraliberaal' bekendstond, waren de verwachtingen hooggespannen, maar ook bij hem vielen de resultaten uiteindelijk tegen. Hij voerde weliswaar enkele langverwachte hervormingen door, zoals een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de afschaffing van een reeks privileges voor een grote groep ambtenaren, maar besloot tegelijkertijd tot zo veel nieuwe uitgaven dat de staatsfinanciën er voorlopig niet substantieel op vooruitgaan. Inmiddels heeft links onder aanvoering van Hollande voor het eerst sinds twee decennia de touwtjes volledig in handen, maar de eerste anderhalf jaar zijn weinig hoopgevend. Een van de eerste maatregelen van de president was juist de gedeeltelijke terugkeer naar een pensioenleeftijd van 60 jaar, waar Sarkozy die had opgerekt naar 62. Een beperkte flexibilisering op de arbeidsmarkt en een langere spaartijd voor volledig pensioen zijn stappen in de goede richting, maar zijn tegelijk verre van toereikend om Frankrijk er weer bovenop te krijgen. Het voornaamste obstakel op de weg naar herstel is waarschijnlijk het diepgewortelde conservatisme in de Franse samenleving, en het verzet tegen vrijwel elke vorm van verandering. Nergens ter wereld werd bijvoorbeeld zó heftig geprotesteerd tegen de invoering van het homohuwelijk als in Frankrijk. Terwijl de Duitse kiezer Angela Merkel vorig jaar beloonde voor haar degelijke beleid en tomeloze inzet voor de euro, zijn steeds meer Fransen volgens de peilingen geneigd op het extremistische Front National te stemmen. De partij van Marine Le Pen zou bij de Europese verkiezingen dit jaar de grootste kunnen worden en staat economisch gezien dicht bij extreemlinks: voor een volledig behoud van de verzorgingsstaat en alle verworvenheden. De kans dat Hollande zich tegen de wil van de vakbonden ontpopt tot een hervormer à la Schröder lijkt niet bijzonder groot. Het huzarenstukje dat Duitsland verrichtte - een volledige revalidatie in een kort tijdsbestek - is vermoedelijk moeilijk naar Frankrijk te exporteren. De voorlopige prognose is dan ook negatief. Het rapport Euro Plus Monitor zet Frankrijk in een 'algemene gezondheidsrangschikking' van zeventien eurolanden aangevuld met Polen en Zweden op de zestiende plaats. 'Spanje blijft Frankrijk voorgaan, terwijl Griekenland, Italië, Portugal en Cyprus bezig zijn het gat met Frankrijk te dichten. Als de huidige trend zich voortzet, zou Frankrijk over drie jaar vlak op of nabij de allerlaatste plek kunnen uitkomen.' DOOR OLIVIER VAN BEEMEN IN LONGWY (FRANKRIJK) EN SANKT INGBERT (DUITSLAND)'Je kunt het je niet voorstellen, maar het bruiste hier. Er was zelfs een kuuroord.' Ruim een kwart van de Fransen heeft geen enkel diploma. De schaarse vacatures raken daardoor vaak niet eens ingevuld. In Duitsland vind je veel kleine, onbekende firma's die unieke machines maken die je nergens anders vindt.