Communautaire koorts doet de politieke adrenaline sneller stromen. Maar nieuwe jobs heeft ze tot nu toe niet opgeleverd.
...

Communautaire koorts doet de politieke adrenaline sneller stromen. Maar nieuwe jobs heeft ze tot nu toe niet opgeleverd.Het moest er ooit van komen. Bij een bezoek aan Zuid-Afrika heeft minister-president Luc Van den Brande (CVP) zich eens een traditioneel rieten hoofddeksel laten aanmeten, dat in zijn vorm nog het best te vergelijken valt met een lampenkap. Uit zijn context gerukt, staat het ding een Mechelaar niet echt flatterend. De foto, minister-president met lampenkap, stond vorige donderdag in Le Soir, als illustratie bij een stukje proza waarin de man werd beschreven als een separatistische schreeuwlelijk, letterlijk. Het feit tekent het niveau waarop nu al een tweetal weken weer een debat wordt gevoerd over meer bepaald werkgelegenheid en justitie, twee dezer dagen toch niet echt marginaal te noemen onderwerpen. De ruzie was begonnen toen van Franstalige zijde, vooral PS en PRL, werd beweerd dat de Commissie- Verwilghen te mild was geweest voor het justitiële geklungel in Vlaanderen en overdadig streng voor de Franstalige politiemensen en magistraten. De (gelogenstrafte) onthulling van Standaard-journalist Wim Winckelmans in zijn boek ?De commissie-Dutroux? (uitgeverij Van Halewyck) dat de CVP inderdaad haar politieke benoemingen in de magistratuur had willen beschermen, kon dat alleen maar bevestigen. En al gauw was daar ook weer la Flandre impérialiste en égoiste. Voorzitter Karel Vinck van het Vlaams Economisch Verbond (VEV) vond namelijk dat de Vlaamse sociale partners onder elkaar maar een sociaal akkoord moesten sluiten als dat op Belgisch niveau niet lukte, wat PS-voorzitter Philippe Busquin een geïnspireerd non ontlokte. Want op zijn congres leek een anti-Vlaamse uitval hem makkelijker dan een ernstige hervorming van zijn eigen partij. DE NATIESTAAT MOET WEGBij gebrek aan iets anders had Busquin in Vinck een vijand gevonden waarrond zijn door machtsstrijd en intriges verdeelde gelederen zich weer konden verenigen. Maar Vinck had het er ook naar gemaakt. Zijn strategie viel, luidens een omslagtekst in het weekblad Trends, eenvoudig samen te vatten. En niet zelden wordt, bij gebrek aan kennis van het Nederlands bij Franstaligen, niet meer dan een omslagtekst gelezen. Die tekst was : ?Een nieuw België of geen België?. Het lag voor de hand dat Franstaligen dat zouden interpreteren als : volg het model van het VEV (ergo, van de Vlaamse werkgevers) of België spat uit elkaar. Van den Brande wou kennelijk niet achterblijven. Hij trakteerde enkele journalisten op asperges bij hem thuis om hen mee te delen dat hij geld wil vrijmaken om de werkgeversbijdragen in Vlaanderen te verlagen, hoewel de kwestie van de arbeidskosten een federale materie is. In principe valt daar mogelijks iets voor te zeggen, ware het niet dat de minister-president daaraan toevoegde dat niet, pakweg, de efficiëntie of een Vlaamse consensus terzake hem op de idee had gebracht, nee, hij deed het voorstel omdat hij de mening is toegedaan dat de idee van de natiestaat negentiende-eeuws en dus ?naar de toekomst toe? achterhaald is. Kortom, zijn argument was een anti-Belgisch, nationalistisch argument en in die logica maakte hij van de situatie gebruik om een voldongen feit te creëren. Agalev-parlementslid Jos Geysels was een van de weinigen die dat meteen in de gaten hadden. Maar onrechtstreeks bleek ook vice-minister-president Luc Van den Bossche (SP) het te hebben opgemerkt. Hij kantte zich vrijdag tegen Van den Brandes voorstel, omdat het niet alleen ingaat tegen de federale logica, maar vooral omdat het hooguit een symbolisch karakter kon hebben. Voor een betekenisvolle lastenverlaging bestaat kortweg geen ruimte op de Vlaamse begroting. Tenware de Vlaamse regering het mes zou zetten in de toch al niet overdreven kredieten voor de zachte sectoren, die wel degelijk tot de Vlaamse bevoegdheden behoren. En nochtans ook voor heel wat werkgelegenheid zorgen. Wou Van den Brande demonstreren dat Vlaanderen rijk genoeg was om zich zoiets te kunnen permitteren ? Zo is zijn voorstel in alle geval in Franstalig België begrepen, zeker aangezien de minister-president Vlaanderen als ?performante? regio een plaats gaf in een West-Europees ?kerngebied? dat zich uitstrekt van Zuid-Engeland tot noordwestelijk Duitsland en van Zuid-Nederland tot het noordwesten van Frankrijk. Dat is een nogal arbitraire afgrenzing (waar is Beieren, bijvoorbeeld ?), die vooral de indruk wekte dat het hier ging om een samenzwering van de rijken, die zich maar niets meer gelegen laten aan de regio's waar het wat minder goed gaat. Zoals Wallonië, waar, zo heet het daar nochtans, zich toch ook een op KMO's gebaseerde economische dynamiek ontwikkelt, het verstarde socialisme minoritair is (de boodschap van PRL-voorzitter Louis Michel) en waar binnen de Waalse Gewestelijke Sociaal-Economische Raad of rond de Waalse minister-president Robert Collignon (PS) ook nieuwe, naar de markteconomie gestroomlijnde ideeën aan het groeien zijn. Alleen, helaas, valt de Waalse vertrekpositie, met een verouderde zware industrie, niet te best mee. BEGINNEN MET DE CULTUURWant het is onderhand wel duidelijk dat het veronderstelde uiteengroeien van Vlaanderen en Franstalig België wel degelijk een economische legitimatie heeft. Er kwam vorige week zelfs een soort Groot-Nederlands pleidooi uit het Noorden aanwaaien, bij monde van de Groningse christen-democratische senator Andries Postma, dat blijkbaar alleen maar oog heeft voor het samenbrengen van twee goeddraaiende economieën. Dat pleidooi zat omzwachteld in een Nederlandtalige-cultuur-fraseologie, hoewel de culturele dimensie van het pleidooi van Postma en van hen die hem bijvielen niet hoger steeg dan het cliché en de niet door een reële ervaring of kennis van zaken gehinderde abstractie. Jozef Deleu illustreerde dat door daarover op te merken dat het met veel bombarie ondertekende Vlaams-Nederlands cultureel verdrag nog niet eens aan een begin van uitvoering toe is. Hij maakt een analogie met een (veel geciteerde maar apocriefe uitspraak van Robert Schuman) over de Europese eenwording, wanneer hij daaraan toevoegt dat men het later allicht wel weer jammer zal vinden dat men de integratie niet met de cultuur, maar met de economie is begonnen. Zelfs SP-voorzitter Louis Tobback liet over Postma's suggestie een goedkeurende knor horen. Hij betreurt de scheiding van het Verenigd Koninkrijk in 1831 (moet zijn : 1830), zo stelde hij, omdat hij nu eenmaal altijd een orangist is geweest. Aan Tobbacks adres liet Deleu dan weer weten dat de ware orangist streeft naar het herstel van een Verenigd Koninkrijk dat Nederland verenigt met heel België, Wallonië en Brussel inbegrepen, niet met Vlaanderen alleen. En een divorce belge blijft hoe dan ook de kwestie-Brussel stellen. Is het correct te vermoeden dat Vlaanderen eigenlijk niet zo gehecht is aan Brussel ? Een voorstander van de scheiding als de gepensioneerde commentator Manu Ruys wekte toch die indruk toen hij vorige vrijdag in De Standaard schreef dat ?Vlaanderen zijn relatie tot Brussel kan herzien?. Dient het nationalistisch-institutioneel discours bijgevolg als een scherm waarachter een zeer specifiek economisch programma schuil gaat ? Zelfs Karel Vinck wekte dat vermoeden, toen hij zijn sociaal plan in Trends verantwoordde met ?mijn Vlaamse identiteit?. De ironie is groot en zelfs wat wrang. Vinck is namelijk bedrijfsleider bij de Union Minière, die thuishoort in de gemeenzaam als Vlaamshatend want exclusief-Franstalig beschouwde sfeer van de Generale Maatschappij. En ondanks die ?Vlaamse identiteit? van hem, heeft Vinck bij de Union Minière niet het Nederlands geïntroduceerd, maar als interne voertaal gekozen voor... het Engels. Iets soortgelijks is in Franstalig België vast te stellen. Wallonië gaat al langer gebukt onder frustratie over een onvermogen om zichzelf uit het sociaal-economisch moeras te helpen. De semi-revolutionaire en bij momenten quasi-stalinistische manier waarop een Roberto D'Orazio het conflict bij de Forges de Clabecq leidt, is daarvan het gevolg. De dominante, intern verscheurde PS vindt daarvoor geen oplossing en kiest dan maar voor een uitweg waarin een karikaturaal voorgesteld Vlaanderen de schuld van alles krijgt. En hoe lonend het communautaire conflict kan zijn, heeft stemmenmagneet José Happart al bewezen. Maar de karikatuur blijft, want wie is dat zelfgenoegzame, imperialistische ?Vlaanderen? ? De modale Renault-arbeider ? DE KLOOF MET DE BURGEREn toch. Klinken tal van hooggestemde geluiden over Vlaanderens welvaart op, de concrete Vlaming schijnt daar allemaal niet gerust in te zijn. Een recente Dimarso-enquete wees uit dat niet minder dan één op drie zelfs bang is om binnen de vijf jaar zijn baan te verliezen. Parallel daarmee wijzen andere opinieonderzoeken er al jaren op dat het met die culturele verschillen en de daarop steunende scheidingsdrift tussen Vlamingen en Franstaligen ook al niet zo'n vaart loopt. Is hier bijgevolg sprake van een zoveelste kloof tussen de burger en de maatschappelijke elite ? Het probleem met de op de spits gedreven communautaire tegenstellingen is dat ze de ware problemen verdoezelt. Het bijna grotesk uitvergrote conflict rond Karel Vinck betekent alvast dat ondertussen niét over de grond van de zaak wordt gesproken, namelijk over werkgelegenheid en sociale zekerheid. Het noodzakelijke debat over wat er werkelijk aan de hand is werkloosheid, zekerheid van inkomen en bescherming wordt onmogelijk gemaakt door een gezwollen communautaire retoriek. Van democratische transparantie is dan al zeker geen sprake meer. In Vlaanderen verhindert een clichématig en vooral niet al te oprecht cultuur- en identiteitsvertoog een gesprek ten gronde over fundamentele sociaal-economische opties. In Wallonië zijn het niet zelden louter conservatieve machtsambities van politieke elites die dat in de weg staan. Want uiteindelijk zou, bijvoorbeeld, de Franstalige kritiek op het werk van de Commissie-Verwilghen niet zozeer kunnen wijzen op een ?cultureel? verschil tussen een Vlaams en een Waals justitiebeleid, maar vooral op de wens van de PRL- en PS-elite om haar politieke benoemingen in de magistratuur te beschermen. Maar dat laatste is wat moeilijk om met goed fatsoen uit te spreken ; dat plaatsen in een context van Vlaams-imperialistische agressie klinkt helaas geloofwaardiger. Het is altijd mooi dat politici hun vak met passie beoefenen, maar ze hoeft niet pathetisch te worden en ze moet vooral het uitzicht op de werkelijkheid niet belemmeren. Er zijn precedenten van hoe een gebrek aan een goed begrip absurde gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld toen de regering in 1991 ten val kwam over exportlicenties voor wapenboeren. Daar zijn weinig mensen echt beter van geworden en ook Zwarte Zondag is daar het gevolg van geweest. Een koel hoofd zal de politieke klasse des te meer kunnen gebruiken wanneer een volgende communautaire vervaldag echt aanbreekt, die van 1999, wanneer over de financiering van Belgiës deelgebieden moet worden gesproken. En het moment om ernstig over de werkgelegenheid te spreken, is al lang aangebroken. Een goed sociaal akkoord is bijvoorbeeld nooit weg, hoe vroeger hoe beter zelfs. Marc Reynebeau Luc Van den Brande : de vaagheid van een culturele retoriek.