Blind zijn, of dat ook voordelen heeft? Lange stilte. Langzaam schudt hij het hoofd. Nee, natuurlijk niet. Of toch? Een brede glimlach, ineens: 'Ja, dat ik minder ruzie maak. Ik scheld de mensen minder uit dan vroeger. Omdat ik niet meer weet hoe ze eruitzien, ik zie ze niet meer zitten. Ik ben nu al vijftien jaar blind. En soms ontmoet ik mensen van wie ik niet zeker weet of ik ze ken. Dan vraag ik: heb ik u vroeger ooit uitgescholden? Nee? Dan ken ik u niet.'
...

Blind zijn, of dat ook voordelen heeft? Lange stilte. Langzaam schudt hij het hoofd. Nee, natuurlijk niet. Of toch? Een brede glimlach, ineens: 'Ja, dat ik minder ruzie maak. Ik scheld de mensen minder uit dan vroeger. Omdat ik niet meer weet hoe ze eruitzien, ik zie ze niet meer zitten. Ik ben nu al vijftien jaar blind. En soms ontmoet ik mensen van wie ik niet zeker weet of ik ze ken. Dan vraag ik: heb ik u vroeger ooit uitgescholden? Nee? Dan ken ik u niet.'Never a dull moment met Marcel van Maele. Neem nu het feestje van uitgeverij Manteau in de jaren zeventig. 'Ze zaten toen in een oud burgershuis in de Nerviërslaan in Brussel. Op een bepaald moment zei ik tegen Julien Weverbergh: ik ga boven een bad nemen. Ik trek mijn kleren uit en stap in bad. IJskoud water! Ik spring uit dat bad en loop naar beneden. Alleen had ik vergeten om mijn kleren weer aan te trekken. Sta ik daar beneden, poedelnaakt, Weverbergh uit te schelden: Wat voor een uitgever zijt gij, ge hebt zelfs geen warm water! Dat feestje is geëindigd in de Dolle Mol en daar ging het helemaal fout. Ik had geen geld op zak, was maar half aangekleed, deed lastig... Enfin, ik beland in een combi en kom met een deken over me heen bij de politiecommissaris. Hij stelt een vraag en ik zeg alleen maar (maakt een schaarbeweging): Knip! Die commissaris: hoezo? Ik: Knip, knip! Knip! Knip!' Prettig gestoord? Of de vloek van Koning Alcohol? 'Ja, de drank zat er vaak voor iets tussen. Te veel alcohol leidt tot overacting. En als je zulke dingen doet, lok je het uit. De mensen worden op het verkeerde been gezet en weten niet meer wat ze moeten doen. Als het laat werd in een café, riep ik weleens heel luid: On ferme! Onmiddellijk twee of drie klanten die hun jas pakken, natuurlijk. En de baas boos. Er was altijd wat theater bij ook. De deur van een café openduwen en hard roepen: Ik heb nog nooit van mijn leven in zo'n kleine ruimte zoveel belachelijke mensen samen gezien! Dan de deur weer dichttrekken en verdergaan.' Ook als dichter en plastisch kunstenaar is hij altijd een koppigaard geweest. Eenzaat. Geen toegeving. Maar nooit geleden onder het gebrek aan erkenning: 'Nee, het ligt ook aan het soort poëzie dat ik schrijf. Daarvan wéét je dat je er moeilijk een uitgever voor vindt en dat er geen groot publiek voor is. Als je kunst bedrijft - mooi woord: 'bedrijven' -, is het nu eenmaal zo dat je wel of niet wordt aanvaard. En ik ben geen lobbyist. Ik zal nooit iemand contacteren om iets voor mij te doen. Ik heb zelfs nooit een manuscript naar een uitgever opgestuurd. Toen de bloemlezing van Gerrit Komrij verscheen, uit de Nederlandstalige poëzie van de negentiende en twintigste eeuw, stond er geen gedicht van mij in. Ik lag daar niet wakker van.' Al is de erkenning gaandeweg wel gekomen. Zopas verscheen een fraaie bloemlezing uit zijn werk: Krassen in wat was. En komend voorjaar presenteert Het Elzenveld een overzichtstentoonstelling van zijn plastisch werk. Misschien zit die leeftijd er voor iets tussen: in april werd hij zeventig. Toch een mijlpaal op dat soms krankzinnige parcours dat het is geweest, zijn leven. Uit wat voor een gezin komt u?Marcel van Maele: Een gezin waar één regel in acht werd genomen: het menselijk opzicht. Wat zullen de mensen wel denken? Dat was het overkoepelende concept, zeg maar. En menselijk opzicht leidt gauw tot ijdelheid. Je wordt huichelachtig, dat dubbele zit erin. Ik heb een keiharde katholieke opvoeding gehad. Op het college gezeten. Iedere dag communiemis, vespers, lof... En daarna straf schrijven, uren aan een stuk. Ik ben toch redelijk vlug in opstand gekomen tegen de schijnheiligheid, die alles overheerste. Was u een rotjoch?Van Maele: Een koppigaard, een buitenbeentje. Alles moest toegedekt worden, en ik wilde overal schandaal schoppen. Altijd opvallen. Maar ik kon ook heel lief zijn. Dat ben ik nog. Soms. Welke toekomst hadden uw ouders voor u in gedachten?Van Maele: Een diploma en een vaste betrekking, het liefst aan de staat. Zoals mijn vader, die stadsambtenaar was. Veiligheid boven alles. Maar ik heb alleen het lager middelbaar afgemaakt. U hebt vrij snel met thuis gebroken. Hoe ging dat?Van Maele: Dat was eigenlijk geen probleem. Mijn oudste broer was een brutale vlegel, hij vocht graag met mij. Had vaak woedeaanvallen. Hij voer op zee en schreef brieven naar mijn moeder: dat hij wel naar huis wilde komen, als Marcel er maar niet was. Zo kreeg ik een duwtje in de rug om weg te gaan. Toen ik achttien was, heb ik van mijn moeder een prachtige grote valies gekregen en ben ik vertrokken. Naar Heist-aan-Zee, waar ik begon te werken in het Grand Hotel de la Plage. Als commis. Ik mocht al eens de soep uitscheppen. Maar ik was erg verstrooid. Soms bracht ik de mensen soep als dessert. Veel conflicten. De kok heeft mij eens met een slagersmes achternagezeten in het restaurant. Ik dacht: hij gaat mij doodsteken! Ik rende de dijk op, het strand op, tot aan de zee. Ik dacht: als het nodig is, zwem ik naar Engeland! Maar de kok bleef op de dijk staan. En maar zwaaien met zijn mes. Op naar de volgende baan, dus.Van Maele: Ja, dan ben ik nachtwaker geworden. En daarna barman in Oostende, waar ik mijn eerste vrouw heb ontmoet. Dat was een miserabel leventje. We waren arm als kerkratten. Dat huwelijk is ook uit de klauw gelopen. Ik was wel verliefd, maar laten we zeggen dat mijn inzet te klein was, of in ieder geval niet duidelijk genoeg. We verhuisden ook voortdurend. En ik had de ene job na de andere. Vaak in de horeca. Ik heb ook nog in een sanatorium in Middelkerke gewerkt. Daar was ik keukenhulpje, maar moest ik ook de patiënten helpen tillen nadat ze een rugoperatie hadden ondergaan. Alles heb ik gedaan. Veel nachtwerk, twaalf uur lang voetballen oppompen in Brussel. Of in Antwerpen bij de Crown Cork Company: kroonkurken maken, acht uur aan de drukmachine. Ooit een deftig loon verdiend?Van Maele: Nee, ik heb nooit echt geld verdiend. Nu heb ik een huis en kom ik net rond. Schrijf maar dat ik met een rijke vrouw getrouwd ben. Ooit fluitend naar het werk gegaan, vroeger?Van Maele: Fluiten? Alleen als ik 's morgens van de nachtploeg kwam. Werken, het is moeilijk. Ik heb het nooit graag gedaan. Altijd kunstenaar willen zijn?Van Maele: Op mijn zesde wilde ik al schrijverke worden, ja. Maar schrijven doe ik eigenlijk óók niet graag. Ik vind het een vloek te moeten schrijven. Het heeft iets dwangmatigs. Als ik een tijd niet geschreven heb, krijg ik wroeging. Het is natuurlijk een drogreden, maar ik maak mezelf ook wijs dat schrijven niet leven is. Je zit daar voor een blaadje papier te koekeloeren, te wroeten in jezelf. Het heeft niets met leven of beleven te maken. En, de vraag is van u: wat verbeelden de woorden zich wel? Is de dichter verontwaardigd?Van Maele: Ja. Omdat de woorden soms zo opstandig zijn, niet volgzaam. Ze hebben zoveel pretentie, gewoon al omdat ze er zijn. Waarover gaan uw gedichten?Van Maele: Zijn, niet-zijn, het leven, de dood, de liefde soms, soms een beetje veel. Alle poëzie gaat daarover, maar andere dichters hebben vaak een antwoord klaar. Ik niet, ik heb geen oplossing. Voor mij is poëzie het benaderen van het onbekende. Het benaderen van de grote levensvragen. Maar die vragen zijn soms zo gecompliceerd dat je ze op den duur zelf niet meer begrijpt, als je er te veel mee bezig bent. Het is een vorm van koorddansen. Want aan de andere kant: als ik wél weet wat het is, hoef ik er niet meer over te schrijven. Wie waren aanvankelijk uw literaire helden?Van Maele: Niemand. Vroeger dacht ik: er is maar één soort poëzie en dat is de mijne. Nu vind ik Gerrit Achterberg een heel belangrijk dichter. En ook Kouwenaar, Schierbeek, Lucebert... Het vreemde is dat veel experimentelen uit de jaren vijftig vandaag, hoe hermetisch ze toen ook waren, plotseling bijna helder zijn. Dat is de profetische kant van de dichter. Moet je een dichter zijn om poëzie te kunnen lezen?Van Maele: Welnee. Trouwens, zowat de helft van de mensen heeft weleens geprobeerd om een gedicht te schrijven. Wanneer het dan kunst wordt? Weet ik niet. Misschien heeft het iets te maken met die versregel van mij: zich verzetten om beter te verstaan. En wie mijn lezers zijn? Noemt u eens tien mensen die u kent, die poëzie lezen. Gelukkig dat er nachtkastjes bestaan, daar wil nog weleens een bundeltje op liggen. Wat is het mooiste woord dat u kent?Van Maele: Ik heb ooit zelf een klankwoord gemaakt: Skarbata! Half vloek, half uitdrukking van bewondering. U hebt altijd geschreven, maar nooit lang op dezelfde plek.Van Maele: Ik heb veel gezworven, ja. Van jongsaf altijd lange reizen gemaakt. Liften naar de kastelen van de Loire. Druiven plukken. In Zwitserland op de koeien gaan letten. Ik leefde, overleefde, op een uitzonderlijke manier. Marginaliteit was begin jaren zestig uitzonderlijker dan nu. Vandaag is het bijna een beroep geworden. Er is een beter vangnet, wat natuurlijk prima is. Maar ik trok Europa door. Zonder geld. Ik had altijd een soort noodrantsoen bij me: havervlokken, melkpoeder en kristalsuiker. Daar maakte ik een papje van. Ik herinner mij een keer dat de chauffeur met wie ik naar Lapland was meegelift, een konijn had aangereden. Dat stopte ik in mijn zak. En 's middags ging ik vissen: met een touwtje met omgebogen naald had ik een forel gevangen. Een godenmaal! Nooit eenzaam geweest?Van Maele: Nee, ik had tijd en niets te verliezen. Ik voelde me wel alleen, maar nooit eenzaam. Alleen zijn, is een luxe, het geeft je vrijheid. Je hoeft geen rekening te houden met iemand anders. Maar soms wist de maatschappij met mij geen raad. U bent een paar keer in de psychiatrie opgenomen.Van Maele: Drie keer, voor korte tijd. De eerste keer was in Brussel. Ik was op stap en kwam voorbij een Marokkaans restaurant met een levensgroot wassen beeld voor de ingang. Van een Arabier. En wassen beelden doen mij altijd een beetje vreemd aan: ze zijn aanwezig en afwezig tegelijkertijd. Enfin, ik passeer daar met een glaasje op en zeg tegen die Arabier: maar jongen toch, gij staat hier dag en nacht, komt gij maar mee met mij. Ik stap een café binnen, installeer mij aan de toog met mijn Arabier naast mij en bestel twee pintjes. Maar die gasten van dat restaurant hadden in de gaten dat hun beeld was gestolen en hadden de politie gebeld. Die agenten wisten wellicht niet wat ze zagen toen ze mij daar zagen zitten. Ik in die combi - mét mijn Arabier. Bij de commissaris vertel ik mijn verhaal, dat ik zo'n compassie had met die Arabier, enzovoort. 'Wacht hiernaast maar even', zei de commissaris. En toen kwamen de mannen in witte jassen.Van Maele: Na een tijdje hoorde ik de ambulance. Instappen! Ik werd opgenomen in het Brugmanziekenhuis. Na een paar dagen wil de psychiater mij spreken. Ik ga naar zijn kantoor, klop op de deur, krijg geen antwoord en ga naar binnen. Niemand te zien. Ik ga op de stoel van die psychiater zitten en begin mijn dossier te lezen. Conclusies: vadercomplex, moedercomplex, geen tijdbesef, denkt te abstract... Plotseling komt er iemand binnen zonder te kloppen. De psychiater. Ik vraag hem: 'Moet gij niet kloppen?' Hij: 'Wat gebeurt er hier?' Ik: 'Niks. Maar ik zou u toch een vraag willen stellen. Wat is belangrijker: een dichter of een vliegtuig?' Zegt die psychiater: 'Een dichter, natuurlijk!' Waarop ik: 'Waarom neemt dan iedereen het vliegtuig?' De volgende dag mocht ik naar huis. Begin jaren vijftig was u vrijwilliger in de Koreaanse oorlog.Van Maele: Dat was nog voor mijn eerste huwelijk. De oorlog begon in 1952. Een jaar later ben ik gegaan. Ik moest soldaat worden, en in die tijd was dat nog voor 21 maanden. Het kazerneleven trok me niet zo. En als je je als vrijwilliger voor Korea meldde, kreeg je nog wat geld ook. En eigenlijk was het naar de oorlog gaan tégen de oorlog, want het communistische Noord-Korea was Zuid-Korea binnengevallen. Wij maakten deel uit van een internationale troepenmacht onder de paraplu van de Verenigde Naties, met Turken, Ethiopiërs, Belgen, Amerikanen, noem maar op. Maar echt gemotiveerd was ik niet, hoor. Het is allemaal goed afgelopen. Ik heb daar goed mijn plan kunnen trekken en heb nooit zelfs maar een schot gelost. Wat moest u precies doen?Van Maele: Het front was gestabiliseerd, het was een soort loopgravenoorlog. Wij moesten een stuk frontlijn bewaken. Ik was radio-operator. Werd nauwelijks met geweld geconfronteerd. Die Korea-vrijwilligers, wat voor lui waren dat?Van Maele: Daar zaten avonturiers tussen. Mensen met liefdesverdriet. Of die failliet waren gegaan. En hier en daar een idealist, of de zoon van een oud-oostfronter die gedreven werd door communistenhaat. Er zijn vaak reünies geweest, maar daar ben ik nooit naartoe gegaan. Ik heb nooit de behoefte gevoeld om aan de toog te staan lullen over mijn 'heldendaden' in Korea. In mijn boek Koreaanse vinken staat ook heel weinig over Korea. Die ervaring heeft mijn ogen geopend voor de waanzin van de oorlog. Maar die bestaat natuurlijk overal en altijd. In het klein en in het groot. Ik ben hoe dan ook een pacifist. Een geweldloze anarchist. Altijd geweest. Is die opstandigheid er nog?Van Maele: Oeioeioei, natuurlijk! Er zijn zoveel dingen waarvan je zegt: hoe kán het? Kijk om je heen. Mensen slaan mekaar nog altijd liever de kop in dan met mekaar te praten. Het zal wel waar zijn dat we van de krokodillen afstammen, zeker? Waar was u in mei '68?Van Maele: Toen ben ik in Amsterdam gaan wonen, drie jaar, bij de krakers. Ik heb nooit met gebalde vuisten in optochten meegelopen, ik was geen voortrekker. Maar ik volgde alles van heel dichtbij. Nu nog, met het protest van de antiglobalisten. Er is een verband met mei '68. Wat ik echt nooit zal begrijpen - en het is nochtans geen gedicht! -, is wat er met dat geld gebeurt. Dat geld, dat moet allemaal samenkomen, die miljarden en miljarden en miljarden. Terwijl er zoveel mensen zijn die honger lijden. Volgend jaar is er een grote overzichtstentoonstelling van uw plastisch werk. Waar zit het verband met uw poëzie?Van Maele: Mijn plastisch werk is begonnen met mijn gebottelde gedichten. Gedichten in een fles, die niemand dus kon lezen. Verder kun je niet gaan.Van Maele: Nee. Ik heb er veel van geleerd en veel plezier van gehad. Iedereen wilde zoiets hebben om op de schoorsteenmantel te zetten. Maar zo jammer dat ze het gedicht niet konden lezen, zeiden ze dan. Vooral mensen die nooit poëzie lezen. Dan zei ik: 'Niemand belet u om de fles stuk te slaan en het gedicht te lezen.' 'Ja maar, dan ben ik mijn fles kwijt!' 'Wel, koop dan twee flessen!' Was het ook geen opgestoken vinger naar het publiek? Kust ze!Van Maele: Het was wel de terminus. Maar zeker niet agressief bedoeld. Ik ben dan verder gegaan met het maken van boekobjecten. Die schilderde ik wit en zette ze op een strijkbout of een kaasplank of in een vogelkooitje. En vervolgens werd het een witgeschilderde bibliotheek. Of teksten achter tralies, om ze nog moeilijker of ondoorgrondelijker te maken: Achter tralies zwijgen woorden en wij ongestoord wiegen voort. Als mensen daar voor staan en ze proberen de tekst te lezen, gaan ze automatisch wiegen, zonder het te beseffen. Welke plastisch kunstenaars hebben u beïnvloed?Van Maele: Veel. Vroeger was het een verwijt: dat doet te veel aan die of die denken. Het was bijna een schande. Terwijl alle kunst een voortzetting is van wat bestaat, dat moet je afbreken of verdiepen of uitdiepen. Natuurlijk ben ik beïnvloed. Door dada, het surrealisme, Henri Michaux, Marcel Broodthaers... Zoals Broodthaers constant naar René Magritte verwijst. U was goed bevriend met Broodthaers.Van Maele: Ja. Hij is vroeg gestorven, hij was pas 52, maar zijn werk was wel voltooid. Hebt u dat gedoe rond zijn Mosselpot gevolgd?Van Maele: Ach, de kooplui en de kunst. De recensenten doen ook hun duit in het zakje, hoor. Het is een circuit waarin ze iemand lanceren en dan zorgvuldig onderhouden. De marchands moeten dat uiteraard warm houden. Maar die mystificatie rond bepaalde werken! Er wordt veel meer in gezocht en gevonden dan ooit de bedoeling is geweest. Als ik denk aan al dat getheoretiseer over de eerste werken van Broodthaers. Die recensies over de leegte en de vorm van de leegte. Terwijl het gewoon mosselen waren, hé. Hij was ook maar een arm dichtertje dat overleefde door stukjes voor Le Soir te schrijven. Op een bepaald moment zei hij: ik wil ook geld verdienen. En die mosselen? Hij at graag mosselen, en van die schelpen maakte hij dan een object. Zo eenvoudig was dat. U was gids bij de recente Broodthaers-tentoonstelling. Hoe ging dat, als blinde?Van Maele: Ik zei niet zoveel, hoor. Ik vroeg de mensen wat ze zagen. Toen ze voor de kooi met de papegaai kwamen, vroeg ik een minuut stilte. Het mooie was dat de papegaai dan ook zweeg. Is blindheid niet het ergste wat een dichter en plastisch kunstenaar kan overkomen?Van Maele: Voor een plastisch kunstenaar vind ik het niet zo erg. Ik maak in feite ideeënkunst. Je moet er hooguit een spijker voor in de muur kunnen kloppen. Als je een idee goed kan omschrijven, kun je het laten uitvoeren en dan betasten. Maar een gedicht kun je niet betasten. Ik kan nog wel iets opschrijven, maar niet meer lezen wat ik geschreven heb. Nu spreek ik mijn gedichten op een cassette in. Dan tikt Karine (zijn levensgezellin; nvdr.) die uit. Ik verander hier en daar nog een woord, spreek het opnieuw in, beluister het nog eens. Dat is heel anders, hoor. Maar wel boeiend. Droomt u soms nog dat u kunt zien?Van Maele: Zelden. Maar het gebeurt. Dan zie ik gewone, alledaagse dingen, voorwerpen. Maar wel héél erg scherp. Bent u een gelukkig mens?Van Maele: Ja. En nergens spijt van. Ook tijdens de minder aangename momenten van mijn leven heb ik altijd iets geleerd. Misschien heb ik wat te veel gerelativeerd, dat wel. Mijn houding is altijd geweest: het is zoals het is, laten we er geen muziek bij maken. En nu, nu ben ik zeventig. Ik weet dat ik geen honderd zal worden. Ik zie het einde naderen. Maar ik ben er niet bang voor. Marcel van Maele, 'Krassen in wat was', uitgeverij P, Leuven, 160 blz., 795 fr. (19,7 euro)Joël De Ceulaer Piet Piryns