Hoe rationeel we ook zijn, we hopen er allemaal weleens op: een wonder. Dat die chemo alsnog zou aanslaan. Dat een onbekende geldschieter het onafwendbare faillissement toch zou afwenden. Het zijn de mirakels van deze tijd - het hoeft niet altijd Jezus te zijn die lammen doet lopen, blinden doet zien, en zelfs Lazarus uit de dood doet opstaan.
...

Hoe rationeel we ook zijn, we hopen er allemaal weleens op: een wonder. Dat die chemo alsnog zou aanslaan. Dat een onbekende geldschieter het onafwendbare faillissement toch zou afwenden. Het zijn de mirakels van deze tijd - het hoeft niet altijd Jezus te zijn die lammen doet lopen, blinden doet zien, en zelfs Lazarus uit de dood doet opstaan. Geen van beide soorten mirakels vindt u in het pas verschenen Book of Miracles, een wonderlijk boek van 560 bladzijden, opgesloten in een box in de vorm van een mosselschelp. Wie ze openbreekt, vindt een getrouwe nabootsing in druk van een verlucht handschrift uit de zestiende eeuw, vol waarnemingen, visioenen en verzinsels van buitengewone natuurverschijnselen. Het boek doorbladeren is als lange tijd naar een spektakel aan de hemel kijken, tot het je begint te duizelen. Een observatie waarbij de merkwaardigste hemelbeelden van de mensheid sinds het begin tot aan het einde der tijden in snel tempo defileren. Je mond valt erbij open, door de manier waarop anonieme illustratoren het uitspansel telkens weer over de volle breedte van een bladzijde laten oplaaien in gloeiende kleuren, gordijnen van vuur, sterren- of bloedregens, lichtende kometen, zonnen en bijzonnen, verduisteringen, aureolen en regenbogen. Als 21e-eeuwer, vertrouwd met de wetenschappelijke verklaring van astronomische en meteorologische fenomenen, realiseer je je met een schok hoe geheimzinnig, mooi en angstaanjagend het zwerk moet zijn geweest in de pretelescopische tijden. The Book of Miracles geeft de lezer de blik van een skyspotter voordat Galileo Galilei de aarde op haar plaats zette. Van de ballast waarmee de blik van de antieke mens, tot diep in de zestiende eeuw, bezwaard werd, zijn wij intussen verlost: wij weten dat kometen, bijzonnen of vallende sterren geen voorbodes zijn van oorlog, ziekte, hongersnood en massasterven, en al helemaal niet van het einde der tijden. Maar de verwondering die de vroege skyspotter overviel door met het blote oog naar de hemel te kijken, gaf blijk van een poëtisch wereldbeeld dat voor alle tijden en alle seizoenen geldig blijft. Dát is wat ons zo mateloos fascineert aan The Book of Miracles, of hoe het werk rond 1550 in de vrije Rijksstad Augsburg waar het gemaakt is, ook heette. Wunderzeichenbuch, misschien? De bijschriften waren alvast in het Duits. Het is zonder titelblad bewaard. De gouacheschildering op folio 37 vat de geestes- en gemoedsgesteldheid van vroege skyspotters in één beeld samen (vanwege het onderwerp zijn ze allemaal in landschapsformaat). Aan de nachtblauwe hemel boven de zee bij een stad fonkelen kleine sterren, een ongewoon grote en een middelgrote ster-met-staart, en voorts twee manen en een brandende balk. Op het strand liggen twee mannen, elk in een hoek op de voorgrond uitgestrekt. Wellicht hebben ze urenlang gewaakt om iets te kunnen beleven, en nu het uitspansel veel geheimen ineens prijsgeeft, heeft de slaap hen overmand. Qua houding en sfeer hebben ze ontzettend veel gemeen met de voorstelling die de Venetiaanse schilders Giovanni Bellini en zijn schoonbroer Andrea Mantegna zich bijna een eeuw vroeger maakten van Het lijden (van Christus) in de Hof van Olijven. Ondanks zijn verzoek om met hem te waken, ziet de Heer hoe zijn leerlingen indommelen terwijl hij, alleen op een heuvel, een teken aan de hemel ziet: een kleine engel met een kelk en een pateen bij Mantegna, vijf engelen met de instrumenten van het lijden bij Bellini. De schoonbroers, schilderend in de katholieke traditie tijdens de vroege renaissance in Italië, lieten zich inspireren door een passage uit het lijdensverhaal van Christus zoals het in vier analoge versies opgetekend staat in het Nieuwe Testament. Niets daarvan in het Augsburgse mirakelboek: de anonieme kunstenaars brachten (wellicht op aangeven van een ons onbekende opdrachtgever) geen enkel Jezus- mirakel in beeld, terwijl ze wel oog hadden voor wonderen uit het Oude Testament - de splitsing van de Rode Zee, en het visioen van de profeet Jeremias, die een overkokende ketel aan de noordelijke hemel zag, een goddelijk teken dat er onheil op komst was uit het noorden. De vraag waarom de mirakelen van Jezus en die van de heiligen compleet ontbreken, hield ook de specialisten bezig. 'Ik denk dat het komt omdat we de oorsprong en de context van dit boek der miraculeuze tekens gewoon moeten situeren in het protestantse Augsburg', zegt Till-Holger Borchert. De conservator van het Brugse Groeningemuseum schreef in de lijvige bijlage bij de facsimile-uitgave een tekst over genese, stijl en betekenis van het boek. 'De protestanten, het zij zwinglianen of calvinisten, mogen God niet afbeelden. Het werd niet gesmaakt als kunstenaars dat deden. Alleen al om die reden werden de wonderen rond Jezus uit het Nieuwe Testament niet afgebeeld in protestantse kringen. En hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de heiligen, want heiligen bestaan zelfs niet in het protestantse geloof.' De Augsburgse kunstenaars geven hun ultieme bedoeling pas bloot in het laatste deel van hun boek, waar ze al de verschrikkingen uitbeelden die de mensheid aan het einde der tijden te wachten staan. Dat ze daarvoor teruggrijpen naar de Openbaring van Johannes (Apocalyps), het laatste boek van het Nieuwe Testament, hoeft niet te verbazen. Hallucinanter, beeldrijker, maar in de overdrijving ook uitputtend en dus al snel vervelend, is de agonie van de wereld zelden afgeschilderd. Ook al waren ze gevoelig voor buitengewone astronomische en meteorologische fenomenen, de Augsburgse boekverluchters lijken uiteindelijk de gevangenen van een religieus doemdenken, dat zo typerend is voor hun protestantse om-geving. Maar het zijn vooral de auteurs van de laconieke bijschriften die de beelden van wonderbaarlijke verschijnselen linken aan onheil dat erop volgde. Toch worden de waargebeurde calamiteiten bijna nergens expliciet uitgelegd als een straf van God, noch gaan ze gepaard met een oproep tot boetedoening. Daarvoor volstaan de opgenomen 'Bijbelse' verschrikkingen - van de Zondvloed tot de Apocalyps - ruimschoots. Maar één enkele keer wordt een historisch gedocumenteerde ramp geduid als 'een bijzonder teken van God': 'het vuur van de hemel' dat in 1546 insloeg in het Mechelse kruitmagazijn, waardoor 'de halve stad is afgebrand' (folio 155). Als belangrijk productiecentrum van gedrukte 'vlugschriften' waarin allerlei opzienbarend nieuws te lezen stond, bood Augsburg auteurs en verluchters voldoende stof tot inspiratie. En anders logen ze er maar duchtig op los. Ze vervlochten pure verzinsels met hele en halve waarheden tot compacte ministory's vol fatale kettingreacties. Zo meldt het bijschrift bij folio 119 dat er in het jaar 1531 in Lissabon eerst bloedige en vurige tekens in de lucht werden gespot, twee dagen later gevolgd door een grote walvis, eveneens aan de hemel (!). Op de bijbehorende miniatuur daarentegen is het beest netjes geplaatst waar het thuishoort, in de zee. En tot slot, het enige waar- gebeurde: 'Daarop volgden grote aardbevingen, zodat zowat tweehonderd huizen ingestort zijn en meer dan duizend mensen geveld werden.' 'Het zit allemaal zo'n beetje tussen bijgeloof, nieuwscirculatie en wetenschap in,' zegt Till-Holger Borchert, 'het miraculeuze wordt enigszins als een voorwendsel gebruikt om toch ook celestiale fenomenen op een bijna, ja, wetenschappelijke manier te beschrijven. De volgende stap zijn dan de kometenboeken of astronomische traktaten, met het echt wetenschappelijke verhaal.' The Book of Miracles als verlucht manuscript is tot nader order uniek in zijn soort. 'Ik ben er in elk geval nog geen tegengekomen, wat niet betekent dat ze niet bestaan', zegt Borchert. Toch is het niet het enige wonderenboek van zijn tijd. Het Liber Prodigiorum van de hand van de humanist Conrad Lycosthenes zag het licht in 1552. Maar voor hun inhoud waren beide werken schatplichtig aan een Liber Prodigiorum uit de vierde eeuw van de Romeinse schrijver Julius Obsequens, dat pas in 1508 in gedrukte vorm verscheen bij de Venetiaanse humanist Aldus Manutius. Dat is een miraculeuze stilte van niet minder dan elf eeuwen waarin kennelijk niets van dezelfde strekking het licht zag. Als goede Romein was Obsequens best vertrouwd met het decoderen van hemeltekens, met een voorliefde voor de vluchtformaties van vogels als boodschappen met gewichtige gevolgen. Een enkele keer tekende hij ook een 'nateken' op (overgenomen in TheBook of Miracles). De dag na de moord op Julius Caesar verschenen er 's morgens in het oosten drie zonnen aan de hemel, die even later samensmolten tot één. De natuurwetenschap verklaarde eeuwen later het ontstaan van bijzonnen uit lichtbrekingen van minuscule ijskristallen in de lucht. Het blijft hoe dan ook een zeldzaam fenomeen, verleidelijk genoeg voor sommigen om er een bijzondere betekenis aan toe te kennen. Vandaag, elf eeuwen na zijn dood, is Julius Obsequens naar verluidt herontdekt door UFO-spotters. Fenomenen die hun en ons verstand te boven gaan, maar die hun - net als voor ons het Book of Miracles - onvergetelijke nachten bezorgen. Als ze tenminste wakker kunnen blijven. DOOR JAN BRAETDe verluchters laten de hemel oplaaien in gloeiende kleuren, gordijnen van vuur, lichtende kometen, zonnen en verduisteringen. De protestantse skyspotters verwijzen niet naar de mirakelen van Jezus - dat mocht niet - maar ze lijken de gevan- genen van een religieus doemdenken.