België gaat voor goud. Dat elke Belg op het EK in Boedapest de intrinsieke kwaliteiten bezit om lang mee te gaan in de competitie, daar zorgen de loodzware minima voor. Maar amper één maand voor het EK leek de delegatie in Boedapest groter te worden dan het contingent atleten. Behalve Ann Mercken op de 400 meter horden, Marleen Renders op de 10 kilometer en Jonathan Nsenga over 110 meter horden, bleven alle Belgische toppers tot op het laatst in het ongewisse over hun uitsturing naar het Europees kampioenschap. Bart Cleppe, persoonlijke trainer van onder anderen hordenloper Sven Pieters en sinds de Olympische Spelen van Atlanta benoemd tot technisch directeur van de Koninklijke Belgische Atletiekbond (KBAB) houdt er gemengde gevoelens aan over. "We moeten in België dringend leren dat atletiek een sport van pieken is. De Engelse hordenloper Colin Jackson klokt dertig keer per jaar 13.40, maar op een paar zorgvuldig uitgekozen wedstrijden haalt hij 12.92 en ruikt hij aan het wereldrecord op 110 meter horden. Als we die prestatiecurves ook van Belgische atleten zouden aanvaarden, kunnen we aan de toekomst bouwen van de sport."
...

België gaat voor goud. Dat elke Belg op het EK in Boedapest de intrinsieke kwaliteiten bezit om lang mee te gaan in de competitie, daar zorgen de loodzware minima voor. Maar amper één maand voor het EK leek de delegatie in Boedapest groter te worden dan het contingent atleten. Behalve Ann Mercken op de 400 meter horden, Marleen Renders op de 10 kilometer en Jonathan Nsenga over 110 meter horden, bleven alle Belgische toppers tot op het laatst in het ongewisse over hun uitsturing naar het Europees kampioenschap. Bart Cleppe, persoonlijke trainer van onder anderen hordenloper Sven Pieters en sinds de Olympische Spelen van Atlanta benoemd tot technisch directeur van de Koninklijke Belgische Atletiekbond (KBAB) houdt er gemengde gevoelens aan over. "We moeten in België dringend leren dat atletiek een sport van pieken is. De Engelse hordenloper Colin Jackson klokt dertig keer per jaar 13.40, maar op een paar zorgvuldig uitgekozen wedstrijden haalt hij 12.92 en ruikt hij aan het wereldrecord op 110 meter horden. Als we die prestatiecurves ook van Belgische atleten zouden aanvaarden, kunnen we aan de toekomst bouwen van de sport." De argumentatie is: een atleet moet op een EK boven zijn mogelijkheden uitgroeien en krijgt het moeilijk als hij al op topniveau moet presteren om zich van een selectie te verzekeren. Cleppe riposteert: "De strenge minima hebben gezorgd dat elke trainer zijn oefenschema moest omgooien. Je bouwt anders op, en dat wordt van Belgen niet aanvaard. Ik hoorde op Eurosport het commentaar van Ivan Sonck bij een atletiekmeeting. Dat een Italiaanse verspringer onder zijn niveau bleef, vergoelijkte hij: die man bereidde zich op Boedapest voor. Maar toen Erik Wymeersch even later een mindere tijd liet afdrukken en ver boven het minimum bleef, kreeg die een fikse veeg uit de pan. Zo'n houding bemoeilijkt de voorbereiding." Zijn loodzware minima dan problematisch?BART CLEPPE: Ze leggen veel druk op de atleten, maar de selectiecommissie van de atletiekbond vond dat geen voldoende argument. Achteraf bekeken maakt het ook niet zo'n verschil: met makkelijker selectietijden waren dezelfde tien atleten in aanmerking gekomen voor een EK-ticket: Patrick Stevens, Mohammed Mourhit, Jonathan Nsenga en Sven Pieters, Erik Wymeersch, Kim Gevaert, Marleen Renders, Nathan Kahan en Sandra Stals. De discussie geldt dus alleen voor atleten als Kjell Provoost, Ellen Demeyere of Tim Rogge, jonge atleten die net op de grens zitten. Is het ook niet verbazend dat er zulke grote verschillen bestaan in selectienormen voor een EK? België had 3 atleten geselecteerd, Duitsland al 112.CLEPPE: Heel wat landen werken met het internationaal minimum, dat stukken makkelijker is dan de Belgische normen. Het hangt ervan af wat je op zo'n internationaal kampioenschap wil bereiken. België selecteert sinds jaar en dag strenger: onze minima zijn in de loop van de jaren nauwelijks geëvolueerd, disciplines als discuswerpen buiten beschouwing gelaten. Waarom breken scherpe limieten de voorbereiding?CLEPPE: De problemen zijn eigenlijk vooral psychologisch. Naar een EK werken gaat makkelijker als de atleten geregeld positief in het nieuws komen. Strenge minima maken dat een atleet weken moet knokken en dreigen het moreel aan te tasten, amper enkele weken voor de grote afspraak. Anderzijds: als de atletiekbond of het Belgisch Olympisch Interfederaal Comité (BOIC) vinden dat hun atleten minstens de halve finale moeten kunnen halen, zijn strenge minima de aangewezen oplossing. Er is natuurlijk ook altijd deliberatie mogelijk.CLEPPE: Maar waar trek je dan de grens? Het voordeel van een limiet is, dat je ze kan respecteren. Als je gaat schipperen, zet je de deur open voor misbruiken. Afspraken zijn afspraken. Ook voor soepelheid valt er iets te zeggen. De atleten hadden de omstandigheden ook niet mee tijdens hun jacht op de minima. Daarom kreeg Kim Gevaert ook een ticket naar Boedapest, ondanks een Belgisch record dat boven de limiettijd voor de sprint lag.CLEPPE: Ik hoorde Pieters, Stevens en Wymeersch onlangs nog klagen. In het voorjaar van 1997 konden ze drie, vier meetings lopen onder een stralende zon, zonder een zuchtje wind. Nu achtervolgden de regenbuien hen, moesten ze het hele voorjaar tegen de wind in lopen. Dan worden die scherpe limiettijden plots nog scherper. En in België willen we dan nog altijd heiliger zijn dan de paus. In andere landen creëren de organisatoren ideale omstandigheden voor hun atleten. Meisjes die met jongens lopen, kandidaten voor een limiet op 800 meter die door snellere jongens gegangmaakt worden om hen naar de limiet te stuwen: dat soort dingen. In België moet het allemaal te veel volgens het boekje. Strenge minima kunnen positief zijn, maar je moet de atleet wel steunen om ze te halen.Nog zo'n verhaal over een selectie met hindernissen: de aflossingsploeg op 4 x 100 meter. Jij bent de vader van de gedachte, je kreeg vier toplopers in de baan op weg naar een Belgisch record, maar na veel getouwtrek komt er toch geen Belgische aflossingsploeg aan de start in Boedapest.CLEPPE: Vier jaar geleden kwam er een gelijkaardig initiatief, maar dat is afgeketst op communautaire kwesties. Nu liep het duidelijk beter: in Malmö liepen Wymeersch, Stevens, Nsenga en Pieters een nieuw Belgisch record op de 4 x 100 meter. Toen waren ze het erover eens dat ze nog een paar keer samen moesten trainen en enkele wedstrijden afwerken. Ik probeerde aan die vraag te voldoen, maar het bleek praktisch moeilijk te realiseren: elke atleet heeft zijn trainings- en wedstrijdprogramma en daar bleek geen aflossing in te passen. Tenzij je het maanden vooraf vastlegt en voor tegenstanders zorgt. Konden ze in Boedapest niet lopen zonder specifieke training?CLEPPE: In Malmö zei ik al dat er alleen een aflossingsploeg kwam op het EK als die een halve tot een hele seconde sneller zou lopen. Omdat we niet aan trainen toekomen, blijven de problemen met de aflossingstechnieken. Als ze op volle snelheid de stok met gestrekte arm kunnen doorgeven, maken de vier kans op een finale. Maar zonder training kunnen ze dat niet. Was het ook niet een kwestie van de verschillende belangen te lijmen? Van Stevens en Wymeersch is bijvoorbeeld bekend dat ze niet zo verschrikkelijk goed met elkaar opschieten.CLEPPE:(lacht) Atletiek is een individuele sport. Atleten zijn aartsvijanden als ze op de piste staan. Soms is het moeilijk om dat masker af te leggen zodra je de baan verlaat. Tijdens WK's of Olympische Spelen raakt dat soort vetes vaak opgeklopt. Maar op stage in Sydney gingen Stevens en Wymeersch samen video's voor de delegatie uitzoeken, organiseerden ze zelfs een wedstrijdje vérspuwen onder elkaar. Dat wijst toch niet op militante vijandigheid, dacht ik. Er kwam ook kritiek van de atleten over de kwaliteit van de gezamenlijke trainingen. Bart Cleppe zou zich meer met zijn eigen jongens bezighouden dan met de aflossingsploeg.CLEPPE:(zucht) Nsenga zei me dat hij die kritiek aan mijn adres niet heeft geuit, dat hij alleen gezegd had dat hij het jammer vond dat de ploeg niet méér samen had kunnen trainen. Wij hebben het onder elkaar kunnen uitpraten, zonder de media. Dat is een gezondere situatie. Komt er ooit nog een aflossingsploeg?CLEPPE: Ik hoop het wel. In elk geval is de mentaliteit veranderd. Vroeger moesten wij smeken en organiseren, nu vragen de atleten er zelf naar. Ook de scepsis bij de liga's is weggesmolten: er wordt zelfs hardop gedacht aan een 4 x 400 meter voor dames. Met Stals, Mercken, Maenhout en Koniceva kunnen we daar een sterke selectie op de been brengen. Tot voor Atlanta was u bij de Vlaamse Atletiekliga (VAL) trainer van de hordenlopers. Twee jaar geleden presteerden die ijzersterk, nu lijkt de euforie enigszins geluwd.CLEPPE:Frank Asselman is teruggevallen na een sterk seizoenbegin, Huub Grossard klampt aan. Pieters en Nsenga blijven op niveau presteren, maar de belangstelling taant, omdat het nieuwe eraf is. Toch kan u niet ontkennen dat Sven Pieters minder snel verbeterde dan iedereen, inclusief hijzelf, verwachtte.CLEPPE: Na Atlanta en de Memorial verwachtte iedereen dat hij naar de wereldtop zou doorstoten. Maar dat blijkt niet makkelijk, zeker niet omdat Sven vorig jaar met de gezondheid sukkelde. Bovendien moet je rekenen met een zware mentale terugslag als je lange tijd op hoog niveau presteert in de loodzware hordencompetitie. Ook dit jaar: tot voor enkele weken sleepten de hordenlopers nog altijd de naweeën mee van het indoorseizoen. Er gaapt in de Belgische atletiek een enorme kloof tussen top en subtop.CLEPPE: In een land met tien miljoen mensen met tien professionele atleten moeten we rekruteren onder amateurs, die nauwelijks in hun carrière willen investeren. Dat creëert een diepe kloof, die je alleen kan overbruggen door fundamenteel aan de mentaliteit te sleutelen. Als Australische juniores stage lopen in Noord-Frankrijk, draaien die jongens daar zelf voor op. In ruil krijgen ze een stoïcijns gedrag opgelegd. Een van hen had roots in de Westhoek, hij wilde die dolgraag bezoeken, maar mocht de groep niet verlaten. Dat soort discipline kan een trainer van een Belgisch atleet nooit afdwingen. Die weigeren zich in een keurslijf te laten opsluiten. Het is dus een probleem voor de opleiding.CLEPPE: De problemen beginnen al bij het schoolse verband waarin atletiek niet thuishoort. Topsportscholen kunnen daar iets aan doen, maar niet alles, want het blijven kleinschalige initiatieven. Wie wil doorbreken in de topsport, moet ook faciliteiten afdwingen in het gewone onderwijs. Op het juniores-EK in Ljubljana stond onze meerkampster vorig jaar tegen twee Nederlandse meisjes. Onze atlete had, in de aanloop naar het EK, vier keer per week getraind. Buiten de schooluren. De Nederlandse meisjes zestien keer. Tja... Als je het echt wil, kan je toch ook tien, twaalf keer per week trainen, zelfs in het gewone schoolsysteem?CLEPPE: Inderdaad. Trainen kan 's ochtends, 's avonds, soms tussen de middag, op zaterdag en op zondag. Maar de atleet moet het willen en de trainers moeten de mogelijkheden scheppen. Te veel Belgische clubtrainers houden halsstarrig vast aan de vier, vijf trainingssessies die de club voorschrijft. Terwijl je potentiële topatleten apart moet nemen en bijtrainen. Zijn Belgische atletiektrainers wel voldoende opgeleid om potentiële topatleten te herkennen?CLEPPE: Zowel de VAL als de Vlaamse Trainersschool werken hard aan trainersopleidingen. De 340 afgestudeerden van onze cursussen moeten bekwaam zijn om een atleet naar Belgisch topniveau te tillen. Op trainingsgebied kunnen we ons met de rest van de wereld meten. Bloedonderzoek is nog altijd geen standaard voor Belgische toppers en subtoppers, de atletiekbond heeft geen vaste dokter die de atleten kent, we hebben geen gespecialiseerde diëtisten, er zijn nauwelijks atleten die zich op een adequate manier kunnen ontspannen en concentreren. Kunnen we dat oplossen?CLEPPE: We hebben grote stappen gezet. Topatleten hoeven zich al niet meer te bekommeren om hun sociaal statuut, ik ben aangeworven als vaste trainer, de uitbouw van de begeleidingsstaf is de volgende stap. Zullen de trainers wel aanvaarden dat er anderen op hun terrein komen?CLEPPE: Een topatleet moét verschillende begeleiders laten samenwerken. Wij proberen dat te bevorderen, maar het lukt voorlopig inderdaad slecht. Te veel trainers denken nog altijd dat ze een slechte trainer worden als ze delegeren. België is een klein land met een kleine mentaliteit. Kerktorenpolitiek domineert de Belgische atletiek, persoonlijke trainers verkondigen het evangelie en houden hun atleten van de bondsstages weg omdat ze zelf niet met ons mee kunnen. Bovendien speelt ook de communautaire kwestie. Atletiekbobo's gaan niet altijd op tijden af, maar streven naar een evenredige vertegenwoordiging van Walen en Vlamingen in de selectie. Ik vrees dat de Franstalige federaties voor hun financiering te sterk afhankelijk zijn van Adeps, de Waalse tegenhanger van Bloso. Laatst zei iemand me dat federaliseren de enige oplossing is voor de Belgische sport. Het zou tenminste de druk van de vleugels binnen de atletiekbond doen afnemen. Dat is een zware uitspraak.CLEPPE: Helemaal niet. Ik was dolblij dat Nsenga het minimum liep, want anders was de druk om hem te delibereren onhoudbaar geworden. Maar als je Nsenga zou moeten delibereren, moet je ook de poort openzetten voor anderen. Dan kan het gefoefel beginnen. Het is nu al bezig, maar dan op het niveau van trainers en delegatieleden. Frank Demets