Uiteindelijk aanvaardde Jules Lejeune in 1887 toch om minister te worden. Het was niet echt van harte. Maar premier August Beernaert drong erop aan dat hij zijn geliefde balie zou verlaten, en achter de schermen duwde ook koning Leopold II aan de kar. De regering van Beernaert werd niet zomaar het 'kabinet des konings' genoemd. België had behoefte aan een rustperiode. Aan bruggenbouwers. Lejeune kon beter opschieten met sommige liberalen dan met katholieken van de harde lijn, zoals Charles Woeste. Het was tijd voor wat Luc Huyse vandaag 'een gewapende vrede' zou noemen.
...

Uiteindelijk aanvaardde Jules Lejeune in 1887 toch om minister te worden. Het was niet echt van harte. Maar premier August Beernaert drong erop aan dat hij zijn geliefde balie zou verlaten, en achter de schermen duwde ook koning Leopold II aan de kar. De regering van Beernaert werd niet zomaar het 'kabinet des konings' genoemd. België had behoefte aan een rustperiode. Aan bruggenbouwers. Lejeune kon beter opschieten met sommige liberalen dan met katholieken van de harde lijn, zoals Charles Woeste. Het was tijd voor wat Luc Huyse vandaag 'een gewapende vrede' zou noemen. De Belgische politiek beleefde een kantelmoment. De schooloorlog van de jaren zeventig van de 19e eeuw sloeg diepe wonden. De vrijzinnige regering werd opgevolgd door een katholieke meerderheid, die de maatregelen van de eerste weer omdraaide. Tegelijk schreeuwden sociale wantoestanden om aandacht. De arbeiders raakten stilaan georganiseerd. De Belgische Werkliedenpartij werd opgericht. In de Waalse industriebekkens heerste een prerevolutionair klimaat. Bij manifestaties werd met scherp geschoten, er vielen doden, stakingsleiders kregen lange gevangenisstraffen. Er werd om de republiek geroepen. De koning begreep dat het tijd was om in te grijpen. Niet alleen zijn baan stond op het spel. Hij wou ook weer meer ruimte voor zijn grote plannen. Bovendien was de situatie gespannen omdat de staatsveiligheid ervan verdacht werd dat ze onlusten had uitgelokt om de arbeidersbeweging in diskrediet te brengen. De waarheid over dat 'Groot Complot' kwam nooit helemaal aan het licht. Leopold bracht het homogene kabinet van doctrinaire katholieken in 1884 al na enkele maanden zelf ten val. August Beernaert moest de gemoederen bedaren. Door een geschuif met ministerposten kwam in het najaar van 1887 de stoel van minister van Justitie vrij. Zowel de premier als de koning wilde dat de gerenommeerde advocaat Jules Lejeune zijn verantwoordelijkheid opnam. Toen Lejeune minister werd in de regering, die enkele jaren later ook het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen zou invoeren, was hij 59 jaar. Tot zijn eenentwintigste verjaardag was hij overigens gewoon Luxemburger. Zijn familie stamde uit wat tegenwoordig het Groothertogdom Luxemburg is. Na de definitieve vredesregeling tussen België en Nederland, waarbij de provincie Luxemburg werd gesplitst, verhuisde vader Lejeune met vrouw en kinderen naar Brussel om er voor de jonge Belgische staat te werken. Vader nam snel de Belgische nationaliteit aan. Zoon Jules wachtte daarmee tot net voor zijn eenentwintigste verjaardag. Luxemburg zat hem diep in het bloed. Op dat moment studeerde de katholieke Lejeune al enkele jaren aan de Université Libre de Bruxelles (ULB). Dat is niet zo merkwaardig als het lijkt, zegt Stef Christiaensen. Hij promoveerde enkele jaren geleden tot doctor in de criminologische wetenschappen met een studie over het leven en het beleid van Jules Lejeune. Hij is vandaag adviseur integraal veiligheidsbeleid aan de stad Mechelen - 'in 2004 de eerste van dat soort functie in het land'. Christiaensen beschrijft Lejeune als een katholieke aristocraat met liberale ideeën, die ook een tijd aan de ULB doceerde. 'Hij bleef zijn hele leven een praktiserende katholiek en hij ging als minister regelmatig naar de mis in de kerk aan de Zavel in Brussel, maar hij was op geen enkel vlak een doctrinair. Hij kon het, bijvoorbeeld, erg goed vinden met de progressieve liberaal Paul Janson en met een avant-gardist zoals Edmond Picard.' Lejeune bouwde een gereputeerd advocatenkantoor uit en werd alom geprezen voor zijn redenaarstalent. Zoals het een man van zijn stand paste, verdedigde hij vooral de commerciële belangen van de aristocratie en de betere bourgeoisie. Hij trad, bijvoorbeeld, op voor het prinselijke geslacht de Caraman-Chimay en voor koning Leopold II zelf. 'Hij werd wellicht bij de koning geïntroduceerd door Adrien Goffinet', vertelt Stef Christiaensen. 'Goffinet was een neef van Lejeune aan moederskant en hij was een vertrouweling van Leopold, al van toen die nog kroonprins en hertog van Brabant was. Een man met zoveel grote plannen als Leopold zat regelmatig om stevig juridisch advies verlegen. Uit het archief van Lejeune blijkt dat hij voor de koning optrad in projecten met betrekking tot de urbanisatie van Brussel. Voor de aanleg van het park van Elsene, bijvoorbeeld, was grond nodig die moest worden verworven. Minder bekend is dat Lejeune op zeker ogenblik door Leopold met een geheime opdracht in Spanje werd belast. Lang voor Henry Morton Stanley de opdracht kreeg om Centraal-Afrika te verkennen, moest Lejeune in Madrid het pad effenen om de Filippijnen van Spanje als kolonie te verwerven. De missie liep met een sisser af.' Later bekoelde de liefde tussen de koning en zijn juridische adviseur. Nog tijdens zijn ministerschap ontpopte Lejeune zich tot een soort morele kruisvaarder die ten strijde trok tegen het gevaar van het alcoholisme en tegen alles wat met kansspelen te maken had. Terwijl casino's voor de geliefde badsteden van de koning een belangrijke bron van inkomsten vormden. Lejeune hielp ook de dochter van de koning, prinses Stéphanie, discreet in haar verzet tegen de pogingen van Leopold II om zijn dochters te onterven. Stéphanie was de weduwe van de Oostenrijkse aartshertog en troonopvolger Rudolf, die in het slot Mayer- ling zelfmoord pleegde. Stéphanie hertrouwde later, tegen de zin van haar vader, met een Hongaarse graaf. Het mag niet worden uitgesloten dat de stille hulp die ze van Lejeune kreeg te maken had met zijn misprijzen voor de weinig katholieke levenswandel die Leopold er ondertussen zelf op na hield. Stef Christiaensen heeft er ook niet meteen een verklaring voor waarom Lejeune zich als minister vooral over het strafbeleid boog, terwijl hij zich als advocaat in hoofdzaak met burgerlijke en commerciële zaken had beziggehouden. Behalve dat hij zich van bij het begin omringde met de kruim van de strafwetenschap van die tijd. Adolphe Prins genoot tot ver in het buitenland erkenning voor zijn ideeën over sociaal verweer en de omgang met delinquentie. Fernand Thiry was een grote voorstander van de patronagegedachte, die Lejeune ook na zijn ministerschap en tot zijn dood zou uitdragen. België was toen volop bezig met het uitvoeren van de plannen van Edouard Ducpétiaux, die moderne gevangenissen liet bouwen volgens het panopticonsysteem. Alle gangen komen daarbij op een centraal middelpunt uit, vanwaaruit de cipiers alle vleugels kunnen zien en alle bewegingen kunnen volgen. Volgens de filosofie van die tijd kunnen mensen in de gevangenis alleen beter worden als ze een geïsoleerd bestaan leiden. De gevangenen hadden geen contact met elkaar, ook niet tijdens de religieuze oefeningen. Ze moesten naar de mis, er kwam een onderwijzer langs, er werden voordrachten gehouden over alcoholisme en zedenverwildering. Ook werken deden ze in hun cel. Buiten hun cel droegen ze een kap over het hoofd, zodat ze elkaar niet zouden herkennen. Chris- tiaensen: 'Het is cynisch, maar waar: de cellen die in het midden van de 19e eeuw werden gebouwd, worden vandaag nog altijd gebruikt. Ze waren bedoeld voor één persoon en worden nu door twee of drie gevangenen gedeeld.' Maar Lejeune en Prins stelden vast dat de extreme isolering van gevangenen de verdere vervreemding in de hand werkte, en dat kon niet de bedoeling zijn. Lejeune zette het bouwprogramma van Ducpétiaux stop, maar bleef van mening dat de gevangenis mensen beter moest maken. Alleen moest de gevangenis doelmatiger worden gebruikt. Landlopers, kinderen en mensen die een korte straf kregen, hoorden er volgens hem niet in thuis. Hij voorzag in betere hygiëne en voeding. Maar vooral moesten de gevangenen, intensief op hun terugkeer in de samenleving worden voorbereid. Dat kon, onder meer, door bezoeken van leden van de patronagecomités - burgers die moraal hoogstaand werden geacht. Veel meer dan vandaag het geval is, volgden rechters toen rigoureus het tarief dat in het strafwetboek werd voorgeschreven. Bij bepaalde feiten hoorde een bepaalde straf. Dat was een reactie tegen de willekeur van het ancien régime, en het was in die zin ook een vooruitgang. Maar een rechtskundige zoals Adolphe Prins kwam tot de conclusie dat mensen in de loop van hun gevangenisstraf kunnen verbeteren, tot op het punt dat ze geen gevaar meer vormen voor de maatschappij. Hij stelde daarom voor dat er naar dat potentiële gevaar werd gekeken, en niet meer uitsluitend naar de mate van schuld op het ogenblik van de feiten. Daarvoor was een nieuwe wet nodig, en dat werd de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling. 'Wat Lejeune en Prins bedachten, was niet zo gek en het was ook niet revolutionair nieuw', zegt Stef Christiaensen. 'Een strafpleiter zoals Jef Vermassen zegt ook vandaag dat vijf jaar cel het maximum zou moeten zijn. Dat er daarna aan andere straffen moet worden gedacht. De voorwaardelijke invrijheidstelling was ook geen Belgische uitvinding. Het was een idee dat van Australië tot het Verenigd Koninkrijk werd verdedigd, en waarover op penitentiaire congressen veel te doen was. Ze paste ook wonderwel in het rationele denken over het strafbeleid dat onder de invloed van Adolphe Prins opgeld deed. Het was vanuit die invalshoek bekeken belangrijk dat mensen voor de maatschappij werden teruggewonnen. Ze moesten als het ware maatschappelijk worden verankerd. Gevangenen konden na een derde van hun straftijd vrijkomen, als werd vastgesteld dat ze beter waren geworden. Er werd daarvoor in de gevangenis een soort van morele boekhouding bijgehouden, over de vorderingen die de gevangene maakte. Belangrijk was dat ze een baan konden vinden, en daarbij werden ze uiteraard geholpen. Ze moesten in vrijheid ook worden gecontroleerd. Want als ze de voorwaarden niet naleefden, vlogen ze weer in de cel. 'Lejeune was ook niet gelukkig met het bestaande systeem omdat er, volgens hem, te veel recidive was. Mensen die vrijkwamen, stonden binnen de kortste keren voor dezelfde feiten weer voor de rechter. Hij vond dat het weinig zin had om hen voor dezelfde fouten altijd weer dezelfde straf te geven. Lejeune wou recidivisten strenger straffen, en ze kregen ook een strenger gevangenisregime. Een houten plank in de plaats van een zachte matras. Recidivisten kwamen ook pas na twee derde van hun straf voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking.' Overigens bevatte de wet die tot vandaag naar Jules Lejeune wordt genoemd eigenlijk twee luiken. Naast de ons nog altijd zeer bekende voorwaardelijke invrijheidstelling was er ook de voorwaardelijke veroordeling. Op dat vlak liepen de Belgen wél voorop. De voorwaardelijke veroordeling kwam erop neer dat mensen voor lichtere feiten wel werden veroordeeld, maar dat ze die straf tijdens een proeftijd en onder bepaalde voorwaarden niet moesten uitzitten. Waarom de gevangenissen vullen met mensen die niet meer dan een kleine fout hebben begaan, dacht Prins. Iemand in de cel stoppen, heeft grote sociale gevolgen. Mensen verliezen hun baan en raken de band met de samenleving kwijt. 'Prins ging voor die tijd soms ver', weet Christiaensen. 'Hij had het toen al over alternatieve straffen en zoiets als gemeenschapsdienst, een fonds voor slachtoffers en werken om slachtoffers te vergoeden. Maatregelen die maar honderd jaar later schoorvoetend werden geïntroduceerd. Lejeune nam ze in zijn tijd ook niet op. Eigenlijk was het voor hem al een hele prestatie dat hij er de wet op de voorwaardelijke veroordeling door kreeg. Die bleek uiteindelijk een verre voorloper van de wet op de opschorting, het uitstel en de probatie die in de jaren zestig van de 20e eeuw als een voorbeeld gold van een modern criminologisch denken.' De wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorwaardelijke veroordeling werd in een recordtempo door het parlement gejaagd. Lejeune legde zijn wetsontwerp in maart 1888 neer en op 31 mei 1888 werd de wet al afgekondigd. Die snelheid had volgens, onder andere, de gerechtschroniqueur Louis De Lentdecker met de zaak-Peltzer te maken. Een geruchtmakende moordzaak in de hogere kringen, waarin Lejeune optrad als advocaat. Maar Peltzer kwam niet vrij. Het lijkt waarschijnlijker dat er haast werd gemaakt om twee leiders van de arbeidersopstanden van 1886 vervroegd vrij te krijgen, die wel bijzonder zwaar waren gestraft. De regering worstelde met de nasleep van het Groot Complot en de rol die de overheid zeer vermoedelijk zelf in de rellen had gespeeld. De sfeer bleef bits en bovendien wou het verhaal dat een van de twee ernstig ziek was. Een martelaar kon de vlam weer in de pan doen slaan. 'De wet paste zonder meer in de pacificatiepolitiek van de regering', zegt Stef Chris-tiaensen. 'Ze moest de lont uit het kruitvat halen. Op de achtergrond speelde ook de gedachte mee dat de voorwaardelijke invrijheidstelling de overbevolking in de gevangenissen kon tegengaan - dat was toen ook al een probleem. Maar mensen zoals Lejeune en Prins waren in ieder geval gewonnen voor overleg tussen arbeiders en werkgevers en voor de organisatie van arbeiders en vakbonden en ziekenfondsen. 'Vanuit dezelfde zorg streefde iemand zoals Lejeune ernaar dat gevangenen in de cel de band met de samenleving niet verloren, maar ook dat ze voorwaardelijk vrij maatschappelijk verankerd bleven. Patronagecomités zorgden ook buiten voor sociale controle. Voor landlopers werd een baan gezocht als knecht op een boerderij. Jongeren werden in de leer geplaatst. Dat lijkt allemaal heel bevoogdend: de bourgeoisie hield een oogje in het zeil. Maar tegelijkertijd konden die mensen daar maar goed mee zijn. Het zou ook vandaag beter zijn om meer in de begeleiding van jongeren en volwassenen te investeren, die uit gesloten instellingen en gevangenissen komen om te vermijden dat ze binnen de kortste keren weer opgesloten worden wegens een gebrek aan perspectieven. Er werd toen ook al op sociale programma's aangestuurd om criminaliteit en overlast te voorkomen. Dat doet mij soms denken aan de preventiecontracten die het ministerie van Binnenlandse Zaken in de jaren negentig van de 20e eeuw met steden en gemeenten afsloot. Die hadden vaak ook een sociaalpreventief karakter. Daar kun je het mee vergelijken.' Jules Lejeune was er met andere woorden van overtuigd dat hij mensen uit de cel kon houden, als er maar in begeleiding en controle werd geïnvesteerd. Ondanks het feit dat veel gevangenisdirecteurs het bezoek van buitenstanders van patronagecomités niet zagen zitten, werkte het systeem wel goed. Met een patronagecomité in elk arrondissement. Soms opgesplitst per kanton. Christiaensen: 'Ik weet dat het paternalistisch klinkt, maar het is beter om mensen de indruk te geven dat ze nog iets betekenen dan hen aan hun lot over te laten. Lejeune ging er ook prat op dat hij het dossier van iedereen die onder de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling vrijkwam persoonlijk opvolgde. Toen besliste de minister ook nog zelf, vandaag zijn er daarvoor strafuitvoeringsrechtbanken. Maar iemand zoals Marc Dutroux zou in de tijd van Lejeune niet zijn vrijgekomen, voor hij zijn straf volledig had uitgezeten. Mensen die zo'n zware feiten hadden gepleegd, werden streng gevolgd en gecontroleerd. Dat is in dit geval helaas niet gebeurd. 'Hoe dat komt? Ik vrees dat degenen die voor de controle moeten zorgen zoveel dossiers op hun tafel krijgen dat ze er zich te vaak met een verre telefoon moeten van afmaken. Er zijn nog plekken waar het goed gaat. De Antwerpse organisatie U-Turn, bijvoorbeeld, werkt op een strakke manier met een harde kern van jongeren. Ik vind overigens niet dat de wet strenger moet worden. Er moeten wel middelen worden uitgetrokken om ze goed toe te passen. En ze moet zeker niet worden afgeschaft.' Afgezien van de wet die zijn naam draagt, tekende Lejeune nog voor een moderne wet op de landloperij en de bedelarij. Ook in die wet stond de bedoeling voorop om mensen opnieuw bij de maatschappij te betrekken. Mensen die door een samenloop van omstandigheden uit de boot vielen, werden weer op weg geholpen. Mensen die geen zin hadden om te werken, kregen het harder te verduren. Christiaensen: 'Het klassieke strafrecht keek naar de feiten, en paste daarop een tarief toe. Lejeune keek naar de mens. Dat is ook vandaag nog een heel moderne benadering.' Eigenlijk mag ook de eerste wet op de kinderbescherming van 1912 mee op zijn naam worden geschreven. Ze werd door Henri Carton de Wiart door het parlement geloodst, maar Lejeune deed ruim twintig jaar tevoren het voorbereidende werk. Hij legde in 1889 een wetsontwerp neer, dat de eindstreep niet haalde. Carton de Wiart nam het zo goed als volledig over en kreeg het wel gestemd. Lejeune zelf was dan al een jaar dood. Hij stierf in Brussel in 1911. Hij werd 83 jaar. Na de verkiezingen van 1894 zat de tijd van Beernaert en Lejeune er hoe dan ook op. Er kwamen opnieuw meer orthodoxe katholieken aan de macht. 'Toen Jules Lejeune minister werd, was dat niet van harte', zegt Stef Christiaensen. 'Maar hij kreeg de smaak snel te pakken. Hij probeerde zijn thema's na 1894 nog een tijd warm te houden als gecoöpteerd senator, maar veel kreeg hij niet meer klaar. Conservatieven zoals Charles Woeste droegen hem niet in het hart. Ze beschouwden hem als een avonturier, een fantaisiste. Hij bleef zijn rol spelen als voorzitter van de Nationale Patronagevereniging, maar zijn opvolger Victor Begerem zette zijn progressieve beleid op justitie niet voort. De klok werd teruggedraaid. Het was wachten op mensen zoals Carton de Wiart en zeker op de socialist Emile Vandervelde voor het vernieuwende denken op het departement weer een kans kreeg. We zijn met Vandervelde al na de Eerste Wereldoorlog. Maar in zijn omgeving mocht ook de oude Adolphe Prins nog even mee richting geven aan de Belgische justitie in de 20e eeuw.' STEF CHRISTIAENSEN, TUSSEN KLASSIEKE EN MODERNE CRIMINELE POLITIEK. LEVEN EN BELEID VAN JULES LEJEUNE, UNIVERSITAIRE PERS, LEUVEN, 745 BLZ., 58 EURO. TE VERKRIJGEN OP HET TELEFOONNUMMER 016 32 53 45 OF VIA info@upers.kuleuven.be.DOOR HUBERT VAN HUMBEECK