De Verenigde Naties en andere grote internationale organisaties publiceren geregeld rapporten waarin ze ervoor waarschuwen dat de toekomst van de mensheid er niet noodzakelijk rooskleurig uitziet. Ze moeten dat natuurlijk doen, want het is een deel van hun opdracht: waken over de gezondheid van de mens, als individu en als soort. De cijfers in de rapporten willen weleens variëren, maar de kernboodschap is vaak: het ziet er niet goed uit.
...

De Verenigde Naties en andere grote internationale organisaties publiceren geregeld rapporten waarin ze ervoor waarschuwen dat de toekomst van de mensheid er niet noodzakelijk rooskleurig uitziet. Ze moeten dat natuurlijk doen, want het is een deel van hun opdracht: waken over de gezondheid van de mens, als individu en als soort. De cijfers in de rapporten willen weleens variëren, maar de kernboodschap is vaak: het ziet er niet goed uit. Dat geldt zeker voor de watervoorziening in de wereld. Tegen 2025 zal twee derde van de mensen geregeld met watertekort te maken krijgen, luidt het in een recent rapport van het World Water Assessment Programme van de VN. Voor liefst 1,8 miljard mensen (dat is meer dan een vijfde van het aantal mensen dat dan op aarde rondloopt) zal watertekort dan zelfs een essentieel gegeven in het dagelijks bestaan zijn. Tegen 2050 zullen 7 miljard mensen in zestig landen met zwaar watertekort te kampen krijgen. VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon waarschuwde al voor een toekomst beheerst door problemen met water. 'Als de globale economie groeit, zal ze ook dorstiger worden', zei hij vorig jaar. Of bij een andere gelegenheid: 'Het risico bestaat dat waterschaarste een vredevolle competitie (om hulpbronnen) in geweld doet omslaan.' Sinds een aantal jaren worden we overstelpt door berichten over waterproblemen in diverse hoeken van de wereld. Ze varië-ren van verwoestende overstromingen tot moeilijkheden met extreme droogte. Landen als Japan en Australië hadden regelmatig te maken met droogtes en moesten zich inspannen om hun burgers aan voldoende stromend water te helpen. In China, dat in zijn streven om bij de belangrijkste landen ter wereld te behoren soms sneller loopt dan wenselijk is, dreigt watertekort de economische ontwikkeling op korte termijn te hypothekeren. De Chinezen hebben een plan om het waterverbruik per eenheid economische productie tegen 2020 met liefst 60 procent terug te dringen. Anders dreigen uitdrogende rivieren en stoffige velden er de regel te zijn, en niet de uitzondering. Chinese boerderijen staan bekend om hun waterverspilling (naast andere vormen van economische inefficiëntie). In China's graanschuur zijn water-tekorten nu al verantwoordelijk voor een angstwekkende daling van de productie. Het noorden heeft twee derde van het landbouwareaal in het gigantische land, maar slechts een vijfde van de watervoorraden. De Gele Rivier is een groot deel van het jaar niet langer een stroom maar een modderige bedding waardoor wat water druppelt. Massale transporten van water uit zuidelijker gelegen rivierbekkens kunnen het probleem niet langer maskeren. Water is zwaar, zodat transport ervan verhoudingsgewijs duur is. China heeft daarenboven te kampen met de ergste droogte van de voorbije vijftig jaar. Het probleem wordt versterkt door het feit dat veel water er ernstig vervuild is. In Afrika is droogte in het ecosysteem ingebakken. Tientallen miljoenen mensen moeten er elke dag grote afstanden afleggen om aan een beetje water te komen. Een situatie die er niet op lijkt te verbeteren, ondanks de vele ontwikkelingsgelden die in de toegang tot zuiver water worden gepompt. Het Wereld Water Forum bracht in de lente een rapport, waaruit blijkt dat vele bronnen en pompen die met ontwikkelingsgeld worden aangelegd, na verloop van enkele jaren niet meer functioneren, omdat er niets voorzien is om hun onderhoud te garanderen. Het zou om liefst 50.000 pompen over het hele continent gaan. Geschat wordt dat op deze manier ongeveer 250 miljoen euro aan ontwikkelingshulp verloren is gegaan. Een deel van het probleem zou zijn dat voor de bouw en het beheer van de bronnen lokale mensen worden ingehuurd. Dat lijkt de degelijkheid niet altijd te bevorderen. Het broeikaseffect zal het watertekort uiteraard in de hand werken. Grote arealen landbouwgrond zullen in de toekomst onbewerkbaar blijken, tenzij er massaal geïrrigeerd wordt, wat met hoge kosten gepaard gaat. In een aantal landen die niet met chronisch watertekort te kampen zullen krijgen (zoals België), is landbouw ondertussen een vrij marginale bezigheid geworden - en is ook de vrije ruimte schaars, zodat heromschakelen naar een hogere productie van voedingsgewassen niet voor de hand ligt. Er zijn ook onverwachte effecten die de gevolgen van watertekort kunnen verergeren, zoals het binnendringen van zout water in zoetwatervoorraden langs de kust. Vele grote steden liggen in kustzones. Minder beschikbaar zoet water en een hogere zeespiegel (een verwacht gevolg van het broeikaseffect) zullen er samen toe leiden dat minder kustbewoners van voldoende lokaal geproduceerd drinkbaar water zullen kunnen genieten. Grondwater is nog altijd de voornaamste bron van watervoorziening in de wereld. Het is minder gevoelig voor vervuiling dan rivierwater. Meer dan 2 miljard mensen hangen ervan af, inbegrepen de bijna voltallige bevolking van mega-steden als Bombay, Bangkok en Jakarta. Rond Manila op de Filipijnen is zeewater de laatste jaren al vijf kilometer landinwaarts de watertafel binnengedrongen. Omdat problemen met de watervoorziening op globale schaal ernstiger worden, circuleert al enige tijd het concept van de 'wateroorlog': water kan lokaal een schaars goed worden, en houdt zich niet aan nationale grenzen, zodat er conflicten rond toegang tot water dreigen. Naties kunnen andere landen de duivel aandoen door zoveel water uit een gemeenschappelijke rivier te tappen dat er stroomafwaarts, bij de buren, problemen ontstaan. Dat het bekende Aralmeer zo goed als uitgedroogd is, heeft mee te maken met de ondoordachte exploitatie van de voornaamste rivier die het bevoorraadt (de Amu Darya) door Turkmenistan. Turkmenistan is een echt woestijnland dat voor mensen alleen leefbaar is door kunstmatige waterbevoorrading. Het wil nu een gigantisch stuwmeer aanleggen om zijn groeiende bevolking voor nog grotere problemen te behoeden. Alleen zal het zo de Amu Darya nóg meer belasten, zodat er nog meer problemen zullen komen met water in de buurlanden Oezbekistan en Kazachstan. Dat zijn sowieso al niet de stabielste naties. Ook in het Midden-Oosten dreigen waterproblemen voor onrust en (nieuwe) conflicten te zorgen. In het zuiden van Irak worden boeren in steeds grotere mate naar de steden gedreven omdat er te weinig water meekomt met de Tigris, als gevolg van grootschalige irrigatie- en damprojecten bovenstrooms, vooral in Turkije en Syrië. De humanitaire catastrofes in kurkdroge landen als Sudan en Somalië worden deels op het conto geschreven van een moeilijker wordende overleving in een woestijnachtig landschap. Israël heeft al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw met watertekorten te kampen, Jordanië vanaf de jaren zestig, Egypte van de jaren zeventig. Voorlopig zijn die problemen er op 'economische' wijze opgelost: door het importeren van graan en ander voedsel dat lokaal niet meer geproduceerd kan worden. Maar vooral de Westelijke Jordaanoever kreunt onder een permanent watertekort, dat door de zo al gespannen situatie tussen Joden en Palestijnen een extra dimensie krijgt. Een wateroorlog loert om de hoek, is de algemene reactie daarop. Fout, stelt de internationale experte Wendy Barnaby in een opgemerkt essay in het wetenschappelijke topvakblad Nature. Barnaby was door een uitgever gevraagd een boek te maken over wateroorlogen (voorbije en toekomstige), maar is na uitgebreide studie van de beschikbare gegevens tot de conclusie gekomen dat er tot nu toe nog geen sprake is geweest van wateroorlogen, en dat de kans op wateroorlogen véél kleiner is dan wordt aangenomen. Een wateroorlog is geen hedendaagse politieke realiteit maar een creatie van de media, die de trieste cijfers over gebrekkige watervoorziening zelf extrapoleren naar meer conflicten, zonder dat het verband wetenschappelijk is aangetoond. Barnaby lardeert haar stelling met enkele opvallende cijfers. Er zijn 263 grensoverschrijdende watersystemen in de wereld. Tussen 1948 en 1999 werd daar 1831 keer over gedebatteerd. Slechts 28 procent van de discussies kon als 'conflictueus' worden omschreven. De meestal kleinschalige problemen werden gewoonlijk door diplomatie opgelost. Geen enkel incident leidde tot een oorlogsverklaring. 'Landen lossen hun onderlinge waterproblemen op door handel en internationale afspraken', besluit Barnaby in haar analyse. Ze geeft zelfs voorbeelden van water-afspraken die de animositeit tussen landen eerder hebben verzacht dan versterkt. Egypte en Sudan hebben duidelijke afspraken over wat er met het water van de Nijl moet gebeuren, en Ethiopië, waarvan veel water uit het Nijlbekken afkomstig is, wordt sinds kort bij de onderhandelingen betrokken. India en Pakistan zijn buurlanden die al veel geruzied hebben, maar nog nooit over wat er met het water van de Indus moet gebeuren. Ook de waterafspraken die tussen Joden en Palestijnen zijn gemaakt, worden buiten het tumult gehouden. Hoewel veel Palestijnse boeren klagen dat het voor hen moeilijk is hun velden leefbaar te houden als er grote industriële plantages van Joden in de buurt liggen, die vaak met staatssteun worden geïrrigeerd. Het probleem met water op globale schaal is niet dat er te weinig is, wel dat het niet eerlijk is verdeeld. Maar de wereld lijkt dat relatief goed in de hand te houden door allerhande arrangementen. Een belangrijk element daarbij is het concept 'virtueel water'. Dat vertrekt van de vaststelling dat twee derde van het waterverbruik in de wereld dient voor de irrigatie van velden en akkers. Landen die zelf niet genoeg water hebben, importeren het in de vorm van landbouwproducten die ze in het buitenland aankopen. De virtuele waterstroom via handel heeft jaarlijks een omvang van twintig keer het bekken van 's werelds langste rivier: de Nijl. Landen die niet zelfbedruipend zijn qua watervoorziening, kunnen dus van problemen gevrijwaard blijven als ze erin slagen hun tekorten via import weg te werken. Ook die stroom van virtueel water is gevoelig voor economische wetmatigheden. Tot voor kort was Australië de voornaamste exporteur van virtueel water, in de vorm van fruit en andere landbouwproducten, goed voor 70 miljard ton per jaar. Maar door de droogte is de export van virtueel water uit Australië aan het afkalven. De tweede exporteur op wereldschaal, de Verenigde Staten, kanaliseert steeds meer water in de richting van de productie van biobrandstoffen. Toch wordt niet verwacht dat een vermindering van virtueel water voor onoplosbare problemen (en dus eventueel conflicten) zal zorgen. Berekeningen van de Wereldvoedselorganisatie (FAO) hebben uitgewezen dat we elk jaar slechts 10 procent verbruiken van de hoeveelheid zoetwater die in de watersystemen van onze planeet terechtkomt. Wetenschappers hebben ook vastgesteld dat landen in principe voort kunnen met veel minder water dan ze vandaag nodig hebben, op voorwaarde dat ze er efficiënt mee omgaan. Het probleem, zo wordt gesteld, kan worden opgelost met bestaande technologieën, aangepaste investeringen en voldoende politieke wil. Niet een van de olierijke golfstaten heeft grote problemen met de watervoorziening voor zijn burgers, hoewel ze allemaal in woestijnachtige gebieden liggen. Anderzijds zijn vele landen in Zwart-Afrika rijk aan water, maar hebben vele mensen er toch geen toegang tot zuiver water. Er is dus, zeggen wetenschappers, geen logisch verband tussen de aanwezigheid van water en de beschikbaarheid ervan. De link heeft wel te maken met het onderscheid tussen rijkdom en armoede. Een onderscheid dat dringend weggewerkt moet worden - zo zeggen vele internationale organisaties, met op kop de VN zelf. De introductie van het concept virtueel water (via internationale handel) heeft ertoe geleid dat de minimale dagelijkse hoeveelheid water die een land per inwoner zou moeten kunnen oppompen, teruggebracht is van 1369 liter tot amper 135. Dat is een sterke afname. Het cijfer wordt nu ook naar voren geschoven als argument om te stellen dat wateroorlogen niet voor de hand liggen. Want dat lage getal ligt binnen bereik van de meeste landen in de wereld - op voorwaarde dat ze op een normale manier voedsel kunnen importeren wanneer dat nodig is. Critici hebben er echter al op gewezen dat het 'vredevolle' model voor het omgaan met waterproblemen staat of valt met de mate waarin arme landen erin zullen slagen hun groeiende bevolking te blijven voeden. Want met het welvarender worden van steeds grotere delen van de wereld groeit de kloof tussen rijk en arm, en dreigt er meer water van arm naar rijk te worden gekanaliseerd dan goed is voor vooral de armste naties. De strijd tegen watertekort zal dus vooral een strijd tegen armoede moeten zijn. DOOR DIRK DRAULANS