De terugkeer van een mislukte expeditie, want geen levende Ierse harp gevonden.
...

De terugkeer van een mislukte expeditie, want geen levende Ierse harp gevonden.De weg van Dublin naar Cashel voert u door het rurale Ierland met weiden, koeien, schapen en alles waar de landman zoal zijn profijt mee doet. Tot er plots temidden van zachte glooiingen en groene heuvels een tand van kalk door het grasland omhoog steekt. Dit is de Rock of Cashel. Net zoals veel vogels graag op het hoogste punt van de omgeving gaan zitten, zo ook bouwen de mensen hun burchten en forten zo hoog mogelijk boven het landschap. Kwestie van het vergezicht en met als toemaat dat de vijand geen al te zware wapens naar boven kan slepen. Het is op deze plaats dat Sint Patrick koning Aengus doopte. De gemeente was samengelopen om het spektakel van nabij te bekijken en, indien het meeviel, ook gedoopt te worden. Toen de ceremonie begon, plantte de heilige zijn kromstaf die onderaan puntig uitliep om hem ook in een bergachtig gebied steun te bieden, ongelukkigerwijs dwars door de ongeschoeide voet van de dopeling. Deze verroerde geen vin daarbij, totaal onwetend inzake christelijke gebruiken en rituelen dacht hij dat dit deel uitmaakte van zijn kerstening. Koningen waren in die tijd niet kleinzerig. De toeschouwers echter wel, want huilend en schreeuwend maakten zij zich uit de voeten, tot groot spijt van de sint want deze zieltjes waren hem door een stom toeval ontsnapt en ook zou blijken dat koning Aengus geen blijver was, want hoewel hij tevreden van de font huiswaarts hinkte, begon hij sinds zijn bekering van lieverlede de ene oorlog na de andere te verliezen. We moeten ons van deze oorlogen niet te veel voorstellen. Soms was dat een raid om enkele koeien te bemachtigen, dan weer wat stenen gooien naar de twaalftallige vijand aan de overkant van een brede beek. Maar verliezen blijft verliezen ; al is het een ruzie met je schoonbroer. Na de tiende nederlaag begon hij te twijfelen, na de dertigste knaagde de twijfel dag en nacht en bij de veertigste het schijnt wel een man te zijn geweest die reeds in decimalen rekende was zijn christendom opgebruikt en hij wierp zich terug in het heidendom. Wij schrijven het jaar 450 slechts een handvol jaren later zegt Clovis : ?Als ik deze strijd win, omhels ik de god van Clotildis.? En hij wint. Hiermee zien we weer dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn en dat wij het niet met Hem op een akkoordje kunnen gooien. Over de kathedraal en de spannende levensstijl van de bisschop ga ik hier niet uitweiden, want wij moeten voort langs de kustweg van Beara, een van de vijf vingers van Zuid-Ierland die in de oceaan steken. Dit is natuurlijk iets heel anders dan het vredige neerhof dat wij tot hiertoe gezien hebben. Hier laat de ondergrond, het geraamte, de drager van Ierland die alle weiland, bossen, koeien, schapen, dorpen, hobbeldesobbel steden en mensen torst , zijn taaie aard zien. Dertig centimeter humus en dan zit je op tandsteen. Wij kronkelen langs de groen omlijnde R572 en zingen als wij honderd meter rechtdoor kunnen rijden. Hier weerklinken nog de koehoorns der Vikingen, nu zijn we tweehonderd meter hoog, even later waterpas met de zee. Dit ware een feest geweest voor Pascal en zijn barometer. Ik verwittig mijn vrouw dat ze mij waarschuwt wanneer we aan de Healy Pass komen, zodat ik deze niet stommelings oprijd, want hij voert u 330 meter hoog wat nu bepaald geen records meer haalt maar een oudere toerist moet het niet gaan zoeken. Na deze rij oefening vatten wij de Ring of Kerry aan. Alweer geen lachertje. Daar stoppen wij in Parknasilla. Of de plaats nu zo heet of het hotel weet ik niet zomaar te zeggen, maar het staat op de Michelinkaart en dus zal het wel een plaatsnaam zijn. De gronden van het hotel beslaan 250 hectaren, men kan er golf spelen, zwemmen in een overdekt zwembad, wandelen in een natuurpark, mediteren of lezen in een groene doolhof, kleiduif schieten, zwemmen aan een eigen strand en in een houten ton vol bruisend water zitten, zoals de kindjes in de pekelkuip die de goede Sinterklaas gered heeft. Wij hebben van geen enkele dezer faciliteiten gebruik gemaakt doch wel tien uur geslapen. Wanneer wij vertrokken, gaf de hotelmanager me een hand, wat een rariteit is in de Engelssprekende wereld. Dit kwam zeer te onpas want ik had mijn beide handen broodnodig om mijn ogen in hun kassen te houden bij het zien van de rekening. Maar niet getreurd. ?Wij nemen slechts ons doodshemd mee,? is een spreuk die hier meer dan waar ook op zijn plaats is. De volgende dag was het opnieuw een draaien en keren tot mijn handpalmen roze waren als die van een chimpansee. Maar wat hadden wij niet aan ongeschonden natuur gezien. Ik zou bijna durven zeggen, een schep te veel. En dan de Skelligs. Twee bastions die buiten de kust oprijzen. De Geest waait waar hij wil, wordt er gezegd, maar waar hij niet kan waaien, neemt hij de boot en roeit in de persoon van Sint Finian in de zevende eeuw naar Skellig Michael om er een gemeenschap te stichten, maar niet eer de paters honderden treden in de rots hebben uitgehouwen. Daarna dragen zij zoals de bladsnijdersmieren in een mand, in hun kap, toegeknoopte zakdoek of hoe dan ook kruimels zeewier en bladgrond naar boven zodat ze hun uien, bonen en weet ik veel wat eremieten eten, kunnen kweken. Aangekomen in Tralee overwegen wij of we doorstoten naar Connemara met zijn veenvelden waarin men kan wegzinken zonder dat er ooit nog iemand taal of teken van u hoort, de Aran-eilanden met hun wereldvermaarde breisters van wie het tikken der breipennen tot op het vasteland wordt gehoord. En ja, wij zijn weerom slap en laten deze wilde gewesten, waar de Ierse harp zeker nog geroerd wordt, terzijde en koersen zuidwaarts, waar ik drie dagen later aan de boorden van de kalme Nete sta te dromen over de vervaarlijke schoonheid van de Ierse kust en mij onderdompel in de ongeremde liefde van onze donkerharige Siamees. Gommaar Timmermans