Bij het begin van de Koude Oorlog maakten de Israëlische leiders, David Ben Goerion en Golda Meir, een inschatting van de groeiende kloof met Moskou. Om te verhinderen dat de jonge staat werd afgesneden van
...

Bij het begin van de Koude Oorlog maakten de Israëlische leiders, David Ben Goerion en Golda Meir, een inschatting van de groeiende kloof met Moskou. Om te verhinderen dat de jonge staat werd afgesneden van het grootste joodse reservoir in Europa, werden geheime plannen ontwikkeld om het contact met de sovjetjoden levendig te houden en vooral hen tot een massale emigratie aan te zetten. Ben Goerion vreesde namelijk dat veel joodse jongeren onder de indruk zouden komen van de overwinning op nazi-Duitsland en zouden opgeslorpt worden door het communisme, zoals dat in 1917, na de Oktoberrevolutie, was gebeurd.In 1952 werd in Jeruzalem een clandestiene campagne gestart onder de codenaam Nativ (De Weg) die een grote bijdrage zou leveren tot het ontstaan van de beweging van joodse dissidenten in de Sovjet-Unie. De campagne werd georganiseerd door de Lisjkat Hakesjer (Het Verbindingsbureau) die rechtstreeks afhing van de eerste minister en tot het begin van de jaren negentig in het geheim bleef werken. Dan stapte het Verbindingsbureau uit de schaduw en bleek dat met de emigratie van een miljoen sovjetjoden de Israëlische buitenlandse politiek en het zionisme een van haar meest markante successen in de geschiedenis van de uitbouw van de staat hadden geboekt. Ben Goerion vertrouwde de operatie Nativ toe aan twee van zijn nauwste medewerkers, Sjaul Avigoer en Isser Harel, de eerste chef van de spionagedienst. Avigoer, geboren in Rusland onder de naam Meirov, had altijd al aanleg gehad voor clandestiene en delicate opdrachten. Hij was zo achterdochtig dat zijn vrienden schertsend vertelden dat hij in de safe van zijn kantoor een spiegel had aangebracht om te controleren dat de man die ze open deed geen bedrieger was... Toen hij Nativ startte, had hij al een heel bewogen leven achter de rug: hij was een overlevende van de gevechten in Galilea, waar de bekende Russische pionier Josef Trumpeldor in 1920 omkwam bij de verdediging van de nederzetting Tel Hai die door Arabieren werd aangevallen. En voor de Tweede Wereldoorlog was hij de leider van de clandestiene operatie waarbij, ondanks de beperkingen van het Britse Mandaatbestuur, werd gepoogd zoveel mogelijk joden uit Europa naar Palestina over te brengen om ze te redden van het komende onheil.TUNNEL ONDER AMBASSADEDe eerste agent die het Verbindingsbureau in 1953 naar Moskou stuurde, was Nehemia Levanon, geboren in Riga en lid van kibboets Kfar Blum, aan de Syrische grens. Nog voor hij van start kon gaan, verbraken de sovjets de diplomatieke betrekkingen omdat in de tuin van hun ambassade in Tel Aviv een bom was ontploft. Het werd nooit duidelijk of de aanslag een provocatie van de KGB was of een protest tegen de jodenvervolging in Oost-Europa. Noodgedwongen week Levanon uit naar Stockholm, waar bevriende diplomaten een handje toestaken. Ze namen brieven mee voor zijn contactpersonen in de Sovjet-Unie of vervalste reisdocumenten voor kandidaat-emigranten. Toen na de dood van Stalin de diplomatieke relaties hervat werden, kon hij in Moskou zelf onder een diplomatieke dekmantel zijn geheime werkzaamheden voortzetten. Na enige tijd kwam de KGB hem op het spoor - de staatsveiligheid had onder de ambassade een tunnel gegraven om de communicaties af te luisteren - en werd hij uitgewezen. Via de Lisjkat Hakesjer bleef hij echter informatie over de sovjetjoden in het Westen verspreiden en zionistische propaganda naar de Sovjet-Unie smokkelen. Een andere activist van de operatie Nativ was Arje Eliav. Hij was in 1921 in Moskou geboren en emigreerde drie jaar later met zijn ouders - orthodoxe joden - naar Palestina. Later speelde hij een prominente rol in de socialistische arbeidersbeweging en werd hij algemeen secretaris van de partij, tot hij brak met Golda Meir over de Palestijnse kwestie. Eliav werd in 1958 als eerste secretaris op de ambassade in Moskou geïnstalleerd, waar hij tot 1961 voor de Lisjkat Hakesjer bleef werken. 'We wisten zeer weinig over de sovjetjoden', vertelde hij later. Ze moesten uitvissen waar er joden woonden en hoeveel. Zo kwamen ze in contact met de eerste neo-zionistische cellen. 'Onze belangrijkste taak was de joden hoop te geven. We drukten duizenden kleine bijbels, kleine gebedsboeken, we brachten talitot (gebedssjaals). Ik verstopte ze onder mijn jas. Het probleem was ze te bezorgen aan de mensen die ze nodig hadden en het waakzaam oog van de GPOE te vermijden.' Als eerste Israëli kreeg hij een reisvergunning naar Birobidsjan, het joodse autonome gebied. Ook daar, zo stelde Eliav vast, hadden de zuiveringen toegeslagen: 'Ontelbare joden werden vermoord door die gekke Stalin die op een goeie dag wakker werd en besliste dat het toch niet zo'n goed idee was om joden aan de Chinese grens te installeren. Wie weet zouden het spionnen worden. Ik zag het lelijke gezicht van het communisme.' Toen al voorspelde hij de massale exodus van sovjetjoden: 'Tussen een half miljoen en een miljoen joden zijn nu klaar om naar Israël te emigreren. Ik bedoel alleen de eerste golf van de emigratie.' In de jaren negentig bleek dat Eliav zich nauwelijks vergist had.BEWEGING VAN DISSIDENTENDe snelle Israëlische overwinning in de Zesdaagse Oorlog van 1967 werd bij de sovjetjoden enthousiast ontvangen. Het sluimerend zionisme kreeg plots een nieuwe impuls. De joodse dissident Nathan Sjaransky zei over die tijd: 'We werden zionisten. Met honderden, met duizenden.' De beweging van de dissidenten was geboren. Een van hun niet-joodse sympathisanten, de atoomfysicus Andrej Sacharov noemde ze de vrijdenkers, niet omdat ze atheïsten waren, maar omdat ze zich ook ideologisch uit het sovjetkeurslijf wilden bevrijden. De sovjetpers reageerde met verhevigde aanvallen op de 'Israëlische oorlogsstokers', de censuur schrapte afwijkende meningen en gevaarlijke publicaties. Zelfs een heruitgave van de klassieker 'De joodse oorlog' van Flavius Josephus, voor het eerst gepubliceerd in 77 voor Christus over de joodse opstand tegen de Romeinen, werd verboden. Joden die naar Israël wilden uitwijken, werden aangehouden of gebroodroofd. Een aantal van de eerste joodse dissidenten poogden zelfs met geweld hun vertrek te forceren. In juni 1970 werd een nogal amateuristisch plan tot vliegtuigkaping in Leningrad door de staatsveiligheid ontdekt. De groep stond via de geheime kanalen van de operatie Nativ in contact met Israël en kreeg van Golda Meir de raad van zijn voornemen om een vliegtuig te bemachtigen en naar Zweden te vliegen, af te zien. Meir vond dat een dergelijke onderneming, na de Palestijnse kapingen, een slechte reclame zou zijn voor de zaak van de sovjetjoden. 'Zeg de patiënt de medicatie niet te nemen, ze is te gevaarlijk', luidde haar boodschap. Sommigen haakten af, maar anderen gingen er koppig mee door, tot de geheime politie ze op het spoor kwam en ze arresteerde. Moskou organiseerde een spektakelproces, waar de negen samenzweerders in december 1970 hard werden aangepakt. Twee kregen zelfs de doodstraf: de leider, Mark Dymsjitz, een gewezen luchtmachtmajoor die in 1961 ontslagen was wegens zionistische activiteiten, en Edward Koeznetsov die toen al zeven jaar gevangenis achter de rug had. Het vonnis lokte in het buitenland felle protesten uit die de sovjetleiders, toen al op zoek naar westerse kredieten, deden bijdraaien. Op 31 december werden de leden van het opperste gerechtshof weggeroepen van een nieuwjaarsreceptie om het vonnis alsnog te veranderen. De doodstraf werd omgezet in vijftien jaar werkkamp en de straffen van de andere beklaagden werden verminderd. Het proces van Leningrad en vooral de strafvermindering betekende een doorbraak voor de joodse dissidenten omdat, aldus Koeznetsov, het Kremlin tot een vernederende toegeving was gedwongen: 'Voor het eerst begrepen de mensen dat het sovjetregime noch zo sterk noch zo koppig was als zijn imago. Twintig jaar voordien zouden we naar een kelder gebracht zijn en terechtgesteld. Nu moesten ze processen organiseren en zelfs onder internationale druk inbinden.'CONFERENTIE VAN BRUSSELOnder de invloed van de Leningrad-affaire stimuleerde de Lisjkat Hakesjer in vele westerse landen protestacties ter ondersteuning van de 'Gevangenen van Zion' (in het Hebreeuws de Assirei Zion). De climax kwam in februari 1971, toen in Brussel de eerste 'Wereldconferentie van de joodse gemeenschappen ten gunste van de sovjetjoden' gehouden werd onder het motto uit het Boek Exodus 'Laat mijn volk gaan' (Sjalach Ami). Er waren niet minder dan negenhonderd afgevaardigden uit 37 landen aanwezig, samen met tweehonderd journalisten en evenveel waarnemers. De conferentie was een initiatief van de bijzonder actieve Belgische joodse leider David Susskind, een gewezen communist. Hij was tijdens een bezoek aan Jeruzalem in september 1970 door twee vertegenwoordigers van de Lisjkat Hakesjer benaderd om zo'n bijeenkomst te organiseren in België, niet in New York, want men wilde ze buiten de Koude Oorlog houden. De regering van premier Gaston Eyskens bleek allerminst opgetogen met de conferentie. Ze stond onder zware diplomatieke druk van Moskou en weigerde ministers naar de openingszitting af te vaardigen. De enige die zich niet aan de boycot stoorde was Theo Lefèvre, toen minister belast met wetenschapsbeleid, die op de vraag waarom hij zich niet aan de regeringsbeslissing hield, antwoordde: 'Het kan me niet schelen!'. Susskind, die de voorzitter van het organisatiecomité was, werd ook ontboden op het ministerie van Buitenlandse Zaken, toen onder de leiding van Pierre Harmel, waar hem met aandrang werd gevraagd de conferentie in een ander land te houden, maar hij weigerde. Ook het Kremlin deed nog een poging de openbare opinie te beïnvloeden en stuurde een delegatie van antizionistische sovjetjoden naar Brussel, onder de leiding van ex-generaal Dragoenski. Zij ontkenden de vervolgingen, maar hun verhaal was verloren moeite. De dag voor de opening konden de organisatoren op een persconferentie uitpakken met de dissident Grigorij Fejgin, een gewezen officier in het sovjetleger, die pas uit de gevangenis was vrijgelaten. De driedaagse bijeenkomst van joodse organisaties uit de hele wereld had een grote internationale weerklank. Onder de aanwezigen bevonden zich de bejaarde en zieke David Ben Goerion, die het geheime Verbindingsbureau had gestart, oppositieleider Menachem Begin en Arje Eliav, toen nog secretaris-generaal van de Arbeiderspartij. Ben Goerion was zo enthousiast dat hij David Susskind een briefje overhandigde, nota bene in een van zijn zeldzame boodschappen in het Jiddisch, waarin hij stelde dat hij de bijeenkomst zelfs belangrijker vond dan het congres van Bazel dat in 1897 de internationale zionistische beweging stichtte. De conferentie van Brussel kon met succes de openbare opinie mobiliseren, ondanks de tegenkantingen van de Belgische regering die zich angstvallig buiten de internationale twisten poogde te houden. Een jaar later, in mei 1972, bleek het kabinet-Eyskens bereid een losgeld te betalen voor de bevrijding van de negentig passagiers van een Sabenatoestel dat door Palestijnen was gekaapt en naar Tel Aviv omgeleid. De Israëli's weigerden te onderhandelen en bestormden het toestel. Bij de actie, die geleid werd door de huidige eerste minister Ehud Barak, werden de twee mannelijke kapers gedood en twee Palestijnse vrouwen gevangen genomen. Zij kregen levenslang, maar kwamen vrij in een gevangenenruil in 1983.CAMPAGNE TEGEN ZIONISTENDe Belgische overheid besefte zeker niet dat de conferentie van Brussel ook de start vormde van een hele reeks netwerken die met de hulp van de Lisjkat Hakesjer de Sovjet-Unie infiltreerden en er de groei van de zionistische beweging stimuleerden. De joodse organisaties in het Westen, vooral de Belgische, slaagden er in om, aldus Susskind, 'jarenlang via allerlei delegaties en toeristische groepen honderden en honderden afgezanten naar de Sovjet-Unie te sturen om de joodse gemeenschappen boodschappen, instructies, boeken, bijbels en Hebreeuwse cursussen over te brengen. (.) Er was niet één groep toeristen naar de Sovjet-Unie, er was niet één delegatie zonder een man van ons.' De initiatiefnemers van de conferentie van Brussel hoopten in de volgende tien jaar vijftigduizend joden uit de Sovjet-Unie te laten vertrekken, een doelstelling die ze al erg ambitieus vonden. Ze bleken zich vergist te hebben. In de vijf jaar na de conferentie alleen al zouden meer dan honderdduizend sovjetjoden, na heel wat moeilijkheden en vertragingsmanoeuvres, de toelating aanvragen om het land te verlaten, een bewijs dat de zionistische campagne stilaan een massabeweging was geworden. Er zouden nog twee internationale conferenties volgen, een in 1976, eveneens in Brussel, met duizend afgevaardigden uit vijftig landen, en in aanwezigheid van Golda Meir én dit keer ook met Belgische ministers van de regering-Tindemans. En een derde conferentie die in 1982 doorging in Jeruzalem, in aanwezigheid van premier Menachem Begin. De sovjetleiding geraakte steeds meer geïrriteerd door de internationale kritiek. De pers kreeg de opdracht de openbare opinie te bewerken en ontketende een felle campagne tegen het zionisme. 'De criminelen werden gestraft', schreef de Izvestia over het proces van de joodse kandidaat-vliegtuigkapers: 'Wegens de constructieve politiek van de Sovjet-Unie met het oog op een politieke regeling in het Midden-Oosten, hebben de zionistische organisaties in talrijke kapitalistische landen hun activiteiten fors verhoogd. (...) De bron van dit antisovjetisme is te vinden in de klassenhaat van het internationaal zionisme tegen de USSR. Iedereen weet dat het zionisme de ideologie, de politiek en de praktijk is van de monopolistische joodse bourgeoisie.' De Pravda schreef: 'De joden lanceerden hun jongste antibolsjewistische kruistocht onder de oude versleten banier van de verdediging van de joden die in de Sovjet-Unie en andere socialistische staten leven.' Andere persorganen in Moskou gingen op zoek naar een nog groter complot, waarbij ze niet aarzelden om nogal bedenkelijke argumenten te gebruiken over een wereldomvattend joodse samenzwering. Zo viel het weekblad Nieuwe Tijd fel uit tegen de Zuid-Afrikaan Harry Oppenheimer, die werd voorgesteld als een pijler van het apartheidsregime, maar van wie ingewijden nochtans wisten dat hij niet hoog opliep met de nationalistische machthebbers. Voor de Nieuwe Tijd echter was hij 'de ongekroonde koning van het land' die 'de controle verwierf over de diamantmijnen van Zuid-Afrika dankzij verscheidene machinaties, onderhandse deals, speculaties en soms gemene misdaden.' Oppenheimer, zo signaleerde het blad, had zijn imperium uitgebouwd door nauw samen te werken met de Amerikaanse Guggenheims, de Rockefellers en de Europese Rothschilds: 'Maar het portret van Oppenheimer zou niet volledig zijn als we niet zouden spreken over zijn banden met het internationale zionisme. (...) Via de banden met de big business in de USA, Engeland, Frankrijk en andere kapitalistische landen vertegenwoordigen de monopolies van Oppenheimer één van de belangrijke bolwerken van het internationale en het Zuid-Afrikaanse imperialisme en neokolonialisme in Afrika. Tegelijkertijd vormen zij een belangrijke band met het systeem van het zionistische kapitalisme. Deze groep van de internationale financiële oligarchie heeft recent een steeds grotere rol gespeeld in het provoceren van internationale conflicten, in het opdrijven van de anticommunistische hysterie en in het verergeren van de internationale spanning.' Het blad verzweeg zijn lezers dat de Sovjet-Unie zelf voor de verkoop van zijn diamanten ijverig zaken deed met De Beers in Londen. En het wist blijkbaar niet dat de grondlegger van het Anglo-American imperium, de in Duitsland geboren jood Ernest Oppenheimer, zich in 1935 had laten dopen en dat de relaties van de Oppenheimers met Israël in de jaren zeventig onbeduidend waren.OMZWERVINGEN DOOR TEREZINOok elders in Oost-Europa werden de joden als gevaarlijke samenzweerders geviseerd. Na de sovjetinvasie in Tsjechoslowakije, in augustus 1968, werden de hervormers rond Dubcek bestempeld als zionisten die in contact stonden met de buitenlandse vijand. Bekende joodse voorstanders van de liberalisering, zoals Edward Goldstücker, rector van de Praagse universiteit, of Frantisek Kriegel, vreesden voor hun leven en moesten naar het buitenland vluchten. Vijftienhonderd joden emigreerden. Alles wat met Israël te maken had, werd als verdacht voorgesteld. Toen de Praagse auteur Marie Krizkova een bundel met kindertekeningen en verhalen uit het concentratiekamp Terezin (Theresienstadt) wilde publiceren, werd dat door de staatsuitgeverij geweigerd, want het zou in de kaart spelen van het zionisme: 'De Israëlische propaganda heeft de vervolging van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog misbruikt om een soort "morele rechtvaardiging" te leveren voor de Israëlische agressie tegen de Arabische buurlanden.' Krizkova was getroffen door het verhaal van de kinderen van Terezin die terechtkwamen in het doorgangskamp, waar meer dan honderdvijftigduizend joden naar Auschwitz werden gestuurd. Een ervan was Trude, de jongste dochter van Theodor Herzl. Slechts zeventienduizend overleefden, onder wie honderd kinderen. In het kamp had een handvol kinderen een clandestien met de hand geschreven blaadje gemaakt, met verhalen, gedichten en tekeningen. Het bevatte onder meer een artikelreeks, Omzwervingen door Terezin, waarvan een de titel droeg 'Wat is een crematorium en hoe ziet het eruit?'. De twee jonge gevangenen, Benno Kaufman en Zdenek Taussig, gaven er een kille beschrijving van de uitroeiingsmachine: 'Het meest interessante deel van het crematorium is de oven die verhit wordt tot een temperatuur van 800-1200 graden. De beste ovens gebruiken olie. Zes tot negen liter olie zijn nodig om de oven op temperatuur te brengen.' Ze noteerden ook dat 'in een crematorium het vlees op enkele minuten wordt verbrand.' Na de oorlog bleken achthonderd bladzijden van het krantje bewaard gebleven in twee koffers van de Oostenrijkse communiste Friedl Dicker, een studente van het Bauhaus, die in het kamp tekenles gaf, tot ze in 1944 met dertig kinderen op transport werd gezet naar Auschwitz, waar ze in het crematorium werden verbrand. Een kwarteeuw later weigerde de staatsuitgeverij het verhaal van de kinderen van Terezin en hun tekeningen te publiceren. Toch zorgden Marie Krizkova en anderen voor een clandestiene editie. Later sloot zich aan bij de protestbeweging Charta 77 van auteur Vaclav Havel.ROTE KAPELLEIn Polen ontketenden partijleider Gomulka en zijn minister van Binnenlandse Zaken Moczar, de leider van de zogeheten Partisanen, een campagne tegen de 'revisionisten' en de 'zionisten', nota bene in een land waar van de meer dan drie miljoen joden er slechts enkele duizenden de shoah hadden overleefd. Ook Gomulka viel toen uit tegen de 'zionistische vijfde colonne' die de Israëlische overwinning in de Zesdaagse Oorlog had toegejuicht. Het bekende Jiddische theater, opgericht in 1950, werd ontbonden en zijn directrice Ida Kaminska ging in ballingschap. De partij, het leger, de universiteiten werden gezuiverd. Honderden ambtenaren van joodse origine werden als potentiële spionnen beschouwd en afgedankt, een maatregel die Adam Rapacki, minister van Buitenlandse Zaken en auteur van een nucleair ontwapeningsplan, zodanig tegen de borst stuitte dat hij in 1968 ontslag nam. Toen de bekende nazi-jager Simon Wiesenthal het Poolse antisemitisme aanklaagde, insinueerde de communistische pers dat hij de shoah had overleefd omdat hij al in 1942 voor de Duitse inlichtingendienst werkte. Na de oorlog, beweerde een krant, rekruteerde hij nazi-agenten voor de CIA en werkte hij als Israëlisch spion mee aan de eliminatie van Adolf Eichman 'omdat die te veel wist over de samenwerking tussen nazi's en zionisten.' Het blad was slecht geïnformeerd: Wiesenthal, geboren in Polen, bleef tot 1945 opgesloten in het concentratiekamp Mauthausen. Het bleek echter dat Moskou het hem erg kwalijk nam dat hij in een van zijn boeken geschreven had dat net voor de oorlog Duitse communisten, die naar de Sovjet-Unie waren gevlucht, aan de Gestapo waren uitgeleverd. Als gevolg van de hetze, vroegen een paar duizend Poolse joden een uitreisvisum aan. Een van hen was Leopold Trepper, tijdens de oorlog de baas van het communistische spionagenet Rote Kapelle (het Rode Orkest) in Brussel en Parijs, die zijn arrestatie door de Duitsers in 1942 had overleefd. Na de oorlog had hij zich in de Sovjet-Unie gevestigd, in zijn ogen toen nog het communistische vaderland, maar zijn inspanningen tijdens het verzet werden niet beloond. Integendeel, hij werd beschuldigd van collaboratie met de Duitsers en in 1947 veroordeeld tot tien jaar opsluiting. Na de dood van Stalin werd hij vrijgelaten en probeerde hij in 1957 in zijn geboorteland Polen een nieuw leven te beginnen. Ook daar kwam hij in moeilijkheden. Trepper, die toen al meer dan veertig jaar in de communistische beweging had gestaan, kwam tot het besluit dat er nog maar één uitweg open bleef, uitwijken naar Israël. Hij werd echter als een veiligheidsrisico beschouwd en liep herhaalde weigeringen op. Pas in 1974 kreeg hij een uitreisvisum dat geldig was voor alle landen, behalve Israël. Toch keerde hij terug naar het land, waar hij in de jaren twintig zijn activiteit van antizionistisch militant van de Palestijnse communistische partij was begonnen. Hij vestigde zich in Jeruzalem en leidde er een teruggetrokken leven, tot aan zijn dood in 1982.(wordt voortgezet) Kris Borms, 'Tussen Rode Ster en Davidster. Waarom communisme en zionisme aartsvijanden werden'. Verschijnt in mei bij Icarus/Standaard Uitgeverij.Kris Borms