DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYEN SOMS HEBBEN ZELFS SCHRIJVERS GELUK. De voorbije dagen is het ten deel gevallen aan aartsvader-columnist Manu Ruys (1924). Enkele maanden geleden bezorgde hij uitgever Pelckmans een manuscript, Achter de maskerade. De eerste helft beschreef toen al, eenvoudig maar precies, wat nu de Belgische ziekte genoemd wordt. In die wat meer dan honderd bladzijden zat het hele mentale programma van de Witte Mars. En zie, uitgerekend aan de vooravond van die onwezenlijke gebeurtenis kwam het boek op de lezersmarkt. Dat het soms wat uitwaaiert naar, bijvoorbeeld, de mislukte (post)koloniale politiek in Kongo-Zaïre, en dat niet iedereen het met dat hoofdstuk eens is, hindert niet. Alleen nog maar de flaptekst klinkt, in de huidige omstandigheden, beklemmend : ?België is een gehandicapt land. Het bestuur is gebrekkig en ondoorzichtig. Waar de macht wordt uitgeoefend, bestaat weinig of geen democratische controle. De burger voelt het aan, maar ziet niet klaar in de onzindelijke warboel. Hij weet niet echt wat er gebeurt en wie achter de schermen beslist. Hervormingen, conflicten, schandalen verdwijnen in grijze nevelen. Het gebrek aan degelijke informatie voedt de walg voor de politiek.? Zo is het, nagel op de kop. Ruys begint zijn helder ingedeeld verhaal, waarmee hij zich vooral tot de jongere generaties wil richten, met de van hem bekende uitgangspunten. Hij ziet een onmisbare eenheid tussen taal, cultuur en gemeenschap waarvoor een bevredigende staatsvorm nodig is. Dat schema, zegt hij, is echter niet mono-etnisch. Het in elkaar vloeien van gevestigde volksculturen (zoals de Vlaamse) en allerlei migrantenstromen, is van alle tijden. Ook in onze kleine uithoek van West-Europa is vrijwel elke inwoner erfgenaam van een groot aantal binnengesijpelde ?vreemden? : Kelten, Germanen, sefardische Joden, Spanjaarden en vele andere mediterranen, Turkse of Marokkaanse moslims, Walen. De eis tot voorrang van de eigen bevolking op de nieuwkomers ?heeft een racistische connotatie. In feite gaat het om een conservatieve reflex, geïnspireerd door sociale motieven.? Dat gezegd zijnde, begint de auteur aan een ronduit knappe beschrijving van wat hij het ?autoritaire Consortium? noemt : de machthebbers die bewegen in de rand van of zelfs buiten het grondwettelijke systeem. Zij besturen mee de staat en kunnen zelfs wetten maken, zoals centrale loonakkoorden en andere bindende afspraken in het beheer van de sociale zekerheid. Het is de wereld van de haute finance, het VBO en VEV, de vakbonden (?financiële burchten die niet geneigd zijn hun bezittingen in één pot samen te brengen?), ziekenfondsen en andere corporaties. Hun leiders vormen een ?vriendenclub?, voortdurend in contact met de hoge ambtenarij en vaak ook de universiteit. Maar de belangrijkste verbindingslijn legt het Consortium naar een andere club : ?de partijleiders, de ministers (met hun kabinetten) en een kern van spraakmakende parlementsleden een structuur met taaie wortels en gretige, soms giftige grijparmen.? ?De intieme en troebele uitwisseling van informatie, het geheime beraad over plannen en strategieën, het schuiven met de stukken op het politieke schaakbord : niets valt daar ooit stil,? terwijl Jean-Luc Dehaene, ?de pragmatische, soms wat cynische premier het kabinet domineert en ermee laveert.? Zijn regering ?is een verlengstuk, en haast altijd een instrument, van de reële machten.? Wie het spel niet meespeelt, wordt uitgebannen. ?Guy Verhofstadt kan erover meepraten.? Dit milieu, waarin ook ?maîtresses, intieme privé-secretaressen en andere geurige raadgeefsters? voor ?lunch- en andere afspraken? zorgen, laat zich weinig of niets gelegen aan de met de mond beleden democratische openheid. Wel probeert het met een ?slinkse tactiek van geleide informatie en gerichte lekken? de journalistiek in te palmen. Daarbij maakt het gebruik van vleierij, inspelend op ?hebzucht en ijdelheid? bij mediamensen. Zo spreekt, in zijn oudere dag, de gewezen hoofdredacteur van De Standaard. Hij bewondert de vrouwenbeweging en eigenlijk ook wel de koning, nuanceert de rol van de vrijmetselarij, registreert het wegdeemsteren van de kerkelijke macht en ontwaart in de zogenaamde verzuiling geen echte tegenstellingen meer. Zij is ?een rookgordijn, een alibi dat samenzweringen en belangenvermenging verbergt.? Voor veel parlementsleden is hun ambt een gewone ?broodwinning? geworden. Daarom ?vrezen zij verkiezingen? en laten zich gedwee domineren door de regering. ?In de jaren negentig belichaamt een Jean-Luc Dehaene met een nooit eerder geziene nonchalance de minachting van de uitvoerende macht voor de volksvertegenwoordiging.? Die kan zelfs niet meer optreden als hoorbare ?stoorzender in de ether van het geheime overleg.? Bij de burgers komt de rechterlijke macht over als ?onbekend, onduidelijk en enigszins beangstigend.? Haar kwalijke reputatie van ?gesloten kaste? is terecht, terwijl haar ?pretenties? niet kunnen verbergen hoe gebrekkig ze functioneert. Ondertussen ?groeit in het politieke milieu de drang om de onafhankelijkheid van de rechters te beknotten. De socialistische pogingen om het parket te onderwerpen aan de regering, zijn daarvan een illustratie.? ACHTER DE MASKERADE is een kleine encyclopedie, een wellicht onvolmaakt maar eerlijk vademecum voor ieders dooltocht in het Belgische labyrint. Het eenvoudige en niet zelden warme verhaal werd geschreven voor de nu ook letterlijk ?zwijgende?, witte meerderheid die met haar gongslag van stilte de oren van het autoritaire Consortium pijnigt. Met zijn kortgeknipte, grijze haren neemt de zeventiger Manu Ruys nog altijd deel aan het kritische de afgelopen weken sterk opgelaaide maatschappelijke debat. Het signaleren daarvan was deze pagina ruim waard.