Een nieuwe biografie schetst een totaal ander beeld van Graham Greene, een van de grootste katholieke schrijvers van deze eeuw.
...

Een nieuwe biografie schetst een totaal ander beeld van Graham Greene, een van de grootste katholieke schrijvers van deze eeuw.De Britse auteur Graham Greene (1904-1991) werd beschouwd als een sympathisant van links en een gelovig, zij het kritisch rooms-katholiek. Hij schreef over zondigheid en genade en bereikte met zijn romans een miljoenenpubliek. Ook de kritiek, vaak schichtig als het om dergelijke romans gaat, was laaiend enthousiast, al kon een Nobelprijs Literatuur er nooit af. Bij zijn dood in 1991 stelde het jaarboek van de Encyclopaedia Britannica dat hij een ?beroemd auteur? was, die wilde bekend zijn ?als een schrijver die toevallig katholiek was. Maar omdat in al zijn serieuze romans het kwade en de uiteindelijke verlossing zo'n grote rol spelen? werd zijn godsdienst ervaren als zeer belangrijk. Was dat zo ? Bekend was al dat Greene zich wezenloos dronk. Hij verveelde zich kapot en kon die verveling enkel doorbreken door met de revolver van zijn broer Russische roulette te spelen. Hij wilde ?mans? genoeg zijn om zelf zijn verdoemenis te zoeken. De wereld van zijn helden is voor normale mensen de hel op aarde : leprozenkolonies, slums, ondergrondse riolen. Voor Greene was het materiaal voor zijn werken. Hij leek gefascineerd door onmenselijke plaatsen, ging om met verlopen spionnen, uitgetreden priesters en gedesillusioneerde revolutionairen. Hun ellende werd het thema van romans als ?The Power and the Glory? (1940), ?The Heart of the Matter? (1948), ?The Third Man? (1950) and ?The Personal Factor?. Hij leek te worstelen met de wereld en zichzelf. Zijn biograaf, Norman Sherry, ziet in hem een door zondebesef gekweld auteur, die zich als christen engageerde voor de noodlijdende mensheid. Hoogleraar in de Engelse literatuur Michael Shelden schetst een heel ander beeld. Zijn stelling luidt dat de romans over schuld en boete één grote leugen zijn, ontstaan uit een diepste verachting voor de lezers. Op basis van getuigenissen stelt hij dat Greene bevriend was met dictators en tegen een vriend vertelde dat hij enkel op zoek was naar plezier, wijn en vrouwen. De rest kon hem niets schelen. Zijn echte ambitie was een Latijns-Amerikaans land te vinden waar ?iedereen corrupt is en naar de hoeren gaat.? VADER, IK HEB EEN HOND VERKRACHTDe bekeerde katholiek en persoonlijke vriend van de paus, in wiens werken God zo'n grote rol speelde, vond het de gewoonste zaak van de wereld om met zijn maîtresse de liefde te bedrijven onder Italiaanse kerkaltaren. Allemaal in de hoop de pastoors te schokken. Greene liep proestend van het lachen uit een biechtstoel weg en verklaarde zijn vriend Guy Elmes dat hij de priester had toegefluisterd : ?Vader, ik heb vanmiddag een hond verkracht. Hoeveel weesgegroetjes moet ik bidden ?? Hij was toen al in de veertig. Wie was de echte Greene ? Vijf jaar na zijn dood kan de zoektocht beginnen. De sporen moeten we zoeken in zijn eigen werken, ook al wiste Greene vol fantasie zijn eigen sporen uit : op zijn sterfbed maakte hij nog een dagboek. Pas na zijn dood, zo beschikte hij, mochten de dagboeken uitgegeven worden. Ze duiden nog maar eens aan dat Greene bewust of onbewust leefde in zijn individuele waanwereld, met zijn zelfgemaakte waarheid. Greene haatte één land : Duitsland. Hij vond het een natie die zichzelf niet kan veranderen. Het kleine Haïti daarentegen was zijn Latijns-Amerikaanse droomdictatuur, de staat van de corrupte hoerenlopers. En als hij daar was, ?ben ik vaak bang geweest, maar gegruwd heb ik niet?, schrijft hij. ?Misschien was mijn angst altijd weer gekruid met avontuur en een zekere vreugde.? Haïti was Greeneland. Dat is het nog in 1996. De aankomst op de chaotische luchthaven van Port-au-Prince alleen al. De hoofdstad waar de slums van La Saline stinken. Daar leven tienduizenden mensen zonder wc of waterleiding. Daar staan de ellendige, uit oude blikken gemaakte hutten waar baby's door ratten worden aangevallen. Port-au-Prince is één enorme catastrofe. Een schandvlek in de westelijke wereld. Op geen 1.200 kilometer van Miami sterft één kind op acht voor het twaalf is. De gemiddelde levensverwachting van de zeven miljoen inwoners is 55 jaar. Het jaarlijkse inkomen per hoofd is minder dan vijfhonderd dollar. Twee op drie volwassenen zijn werkloos, de meerderheid kan niet lezen of schrijven. Vertwijfeling en voodoo zijn de sleutelwoorden voor dit landje van vroegere slaven, de trotse eerste zwarte republiek uit de geschiedenis, gesticht in 1804. En nog steeds staat daar boven Port-au-Prince hotel Oloffson, net als in de tijd dat Graham Greene hier kwam. De eerste directeur wou een hotel voor en door excentriekelingen. Dat was in de jaren dertig. De man hield alligators in het zwembad. Zijn opvolger at van pure vertwijfeling de ene dikke sigaar na de andere op en verbrandde in machteloze woede de rekeningen van zijn gasten. Soms lag er 's ochtends een politicus doodgeschoten op de veranda. Niemand had iets gehoord. Oloffson was het ontmoetingspunt van de machtigen. Het toevluchtsoord van de mislukkelingen. Een huis waar de geschiedenis tot leven komt, paradijs voor schrijvers, een Danteske hellekring. Waren de gebroeders Grimm architecten geweest en geen sprookjesverzamelaars, hadden zij hotel Oloffson ontworpen. Het gebouw ziet er uit als een vergroot peperkoekenhuisje : overal puilen torentjes en erkertjes uit, houten balkons zijn gescheiden door witte ingewikkeld-gedraaide hekjes. Een hoekig, vergaan, verwenst en vervloekt huis. 's Nachts horen de gasten enge geluiden : zachte fluittonen van het kerkhof lager op de heuvel, waar gelovigen met schelphorens hun zombiegeesten oproepen. Krassen daar raven ? Of zijn het de krankzinnige bedelaars die rond het terrein van het hotel ronddolen ? Kaarsen werpen griezelschaduwen over de muren. De palmbomen lijken spoken. ?Je verwachtte dat een heks of een waanzinnige butler je zou binnenlaten,? beschrijft Greene het hotel in zijn Haïti-roman ?The Comedians?. Hij woonde hier wekenlang in de jaren vijftig en zestig. In dat boek beschrijft hij niet alleen het hotel, dat daar trouwens Trianon heet, maar ook zijn vriend Aubelin Jolicoeur. ?Hij was journalist en iedereen kende hem als petit Pierre. Vele mensen zegden dat hij banden had met de Tontons Macoutes. Hoe kon hij anders aan mishandelingen en moeilijkheden ontsnappen ? En toch. Er waren momenten dat zijn roddelrubriek van een zeldzame, satirische moed getuigde. Misschien begreep hij dat de politie niet tussen de regels kan lezen.? HIJ HIELD VAN ZONDIGENJolicoeur leeft nog. Hij stapt het hotel binnen als hoort het hem toe. Hotel Oloffson ziet hem graag komen. Een avond zonder hem is een mislukte avond. Hij is nu meer dan zeventig jaar oud en nog steeds een charmeur. Zo te herkennen : slank, wit pak, zwarte wandelstok met gouden knop. ?Graham was zo'n vent,? zegt Jolicoeur. ?We hielden van elkaar, broeders in de geest. Hij hield van zondigen, net als ik.? Greene heeft eens aan een Haïtiaanse zakenman hetzelfde gezegd : ?Aubelin neemt elke bocht. Hij helpt mensen en gaat tegelijk over lijken. Weet u wat ons verbindt ? We wisten altijd dat we iemand gingen verraden en we genoten van dat verraad.? Toen Aubelin geboren werd, joeg een tropische storm over het eiland. Zijn moeder wilde, zoals gebruikelijk in de Haïtiaanse dorpen, in haar ouderlijk huis gaan bevallen. Maar ze haalde het niet en Aubelin werd op een kerkhof geboren. Moeder en kind overleefden het avontuur. Zijn vader was een welstellend man in Jacmel, toen de belangrijkste exporthaven van het land. En de provinciestad met haar vele, vervallen herenhuizen was bekend als de hoofdstad van het linkse verzet. Zelfs in het stadhuis werd de Internationale gespeeld. De Amerikaanse bezetters, die sinds 1915 in het land waren, lieten begaan. Washington voelde zich aangetrokken en afgestoten door de arme staat. ?Mijn God, negers en ze spreken Frans,? zo vatte de toenmalige buitenlandminister William J. Bryan zijn gevoelens over het volk samen. Aubelin herinnert zich hoe Amerikaanse vlaggen en uniformen zijn jeugd kleurden. Zijn vader stuurde hem naar school in de hoofdstad. Zorgde ervoor dat hij te biechten ging en de tien geboden onderhield. Hij leerde vroeg dat hij tot een elite behoorde, twee keer zelfs : omdat hij als mulat boven de zwarten stond, en omdat hij uit een welstellend gezin kwam. Thuis werd hij door de bedienden als Monsieur Aubelin aangesproken. Hij was slim ; hij las al snel de Franse klassiekers en sloeg in de middelbare school een klas over. Hij wist wat hij worden zou : journalist was zijn roeping. Samen met spioneren. Of het regende toen Graham Greene in 1904 geboren werd, weten we niet. Maar het regent veel in Berkhamsted in het Zuid-Engelse graafschap Hertfordshire. We weten wel dat Graham Greene een overbeschermd kind was. Hij leefde geïsoleerd in zijn kamer, snakte naar ouderlijke liefde. Als zijn moeder op zijn kamer kwam, leek dat net een ?staatsbezoek?. Zijn vader, een streng schoolhoofd, joeg hem de daver op het lijf. Graham wilde weg uit het afgesloten Berkhamsted. Dat lukte niet, want hij kwam op het internaat van zijn vader, onder direct toezicht. Waar hij van vrijheid droomde. En waar hij (net als alle andere scholieren) spioneerde en verklikte (wie masturbeert ? wanneer ? waar ?). Hij wilde niet klikken, maar toen hij gepest werd, koos hij de zijde van de volwassenen. Een klasgenoot Carter werd van school gestuurd. Graham Greene had zijn eerste maat verraden. Pas zestien was hij toen hij psychiatrische hulp kreeg. Oxford werd voor hem een toevluchtsoord. Hij probeerde journalist te worden en werd hopeloos verliefd op een streng katholiek meisje. Voor haar zou hij zich bekeren, maar ook omdat hij een godsdienst wou ?waaraan ik mijn slechtheid afmeten kan.? De roomse kerk gaf hem regels die hij breken kon, rituelen die hij parodieerde. En prachtige decors voor een schrijver, breekbare hosties, geheimzinnige paternosters, muffe biechtstoelen. Maar een moreel kompas gaf de kerk hem niet, tenminste dat zegt biograaf Shelden. SPION VOOR LONDENBekend is dat Graham Greene al vroeg geïnteresseerd was in de dubbele wereld van de spionage, in de flirt met het gevaar. Hij was geen twintig jaar oud toen hij de Duitse ambassade voorstelde om in Oxford positieve artikels te schrijven over het land dat de Eerste Wereldoorlog verloren had en nog steeds met Frankrijk over herstelbetalingen onderhandelde. Berlijn beet, hij kreeg een reis naar de Rijn, alles gratis, en leverde in ruil een propagandastukje af. Daarna probeerde hij het bij de Fransen. Het Duits-Franse verdrag was voor hem een klap : gedaan met zijn leven als dubbelspion. Greene werd lid van de Britse Communistische Partij. Hij betaalde één maand contributie en trok zich ontgoocheld terug. Niet omwille van de ideologie, zo vertelde hij vrienden, hij had gehoopt dat Moskou hem zou uitnodigen. Als bekend auteur vond hij het goed staan links te zijn. Maar engageren deed hij zich niet. Zelfs toen de Spaanse Burgeroorlog woedde, koos Greene geen partij. Hij trouwde met zijn katholieke Vivienne, werd vader en bleef zijn basisregel trouw : ?Katholiek zijn, is geloven aan de duivel.? Maar zonden, verklaarde hij, zijn mooi als je ze met lichaam en ziel bedrijft. Dat deed hij ook. Hij werd een kenner van bordelen, vertelde een vriend ooit dat hij een vaste klant was bij 45 hoeren. En die dubbele moraal bracht hem tot een leven als spion, die verraad zag als ?de kern van de zaak.? Trouw toon je niet, zegt een van zijn helden. ?Als je geld verdienen moet en ze vragen trouw in de plaats, kan je alleen een dubbelagent zijn.? Greene was al een bekend schrijver, toen hij in 1941 officieel voor de Britse geheime dienst ging werken. Hij noemde MI6 ?het beste reisbureau ter wereld? en was een bijzonder slecht spion. Bij zijn opleiding reed hij verschillende motorfietsen in de vernieling en zijn eerste standplaats Freetown, Sierra Leone was geen groot succes. Hij kon de cijfercode niet hanteren en was maandenlang onbereikbaar voor de dienst. Zijn nummer als agent (59.200) gaf hij later wel aan zijn held in ?Our Man in Havana?. Hij vergat de combinatie van de safe en moest die met dynamiet opblazen. Maar hij zorgde wel voor hilarant materiaal. Zo stelde hij de Dienst voor om een bus uit te rusten als rijdend bordeel. Daardoor zou hij in staat zijn plaatselijke politici af te luisteren. MI6 weigerde. Het leverde hem wel stof voor zijn romans. Verraad en vermomming, subversiviteit als deugd, ontrouw als hoogste genot. Zijn helden zijn verscheurde mensen : hun roem ligt in het feit dat ze verdoemd zijn. Rust en verlossing zijn christelijke deugden, Greene gruwde ervan. Zijn voorbeeld was de dubbelspion Kim Philby, zijn baas op MI6. Biograaf Shelden vermoedt dat Greene wist dat Philby een Russische mol was, maar daar niets over zei. Greene ging naar Portugal, trok met zijn vriendin Cathérine naar Italië, dronk en experimenteerde met drugs. De zoektocht naar genot, gevaar, angst en verraad was zijn leven. Hij nam ontslag bij de geheime dienst, maar bleef (en dat werd pas onlangs bekend) informant. Hij trok door Vietnam, voorspelde met genoegen het Amerikaanse debâcle daar. Maar wat hij werkelijk zocht, was een hemelse hel in de Caraïben. In 1954 vond hij Haïti. Aubelin Jolicoeur had het tegen die tijd ?gemaakt?. Hij was dertig jaar oud en had zijn eigen column in de kwaliteitskrant Le Nouvelliste. Hij kende iedereen, de blanke prominenten die Haïti bezochten, de ministers van de autocratische regering van Paul Magloire. Zo ontmoette hij Graham Greene. En werd zijn vriend. Greene bezocht Haïti vaak, zegt Jolicoeur. In 1955 kwam hij terug en verbleef weer in Oloffson. Hij bracht de avonden door met Jolicoeur, zoop als een tempelier ?en zoog informatie op als een stofzuiger?. En telkens weer wilde hij naar Chez Georgette, een bordeel dat in ?The Comedians? als Chez Cathérine figureert. Gevaarlijk werd het voor Greene pas bij zijn bezoek in 1963. Toen was François Duvalier de baas. Natuurlijk kende Jolicoeur die ?Papa Doc? zoals het volk hem liefdevol noemde. Een plattelandsarts die met Amerikaanse hulp inheemse ziekten bestreed en later, gedreven door de waanidee dat alleen zwarten iets betekenden, ook alle mulatten en blanken wou uitroeien. TONTONS MACOUTESDe tot dictator verworden dokter betrouwde het leger niet en creëerde zijn eigen terreur : de Tontons Macoutes, half militie, half geheime politie. De leden werden gerekruteerd uit de allerlaagste sociale klasse, ze mochten roven, plunderen, verkrachten en moorden. Tenminste als het om mogelijke opposanten ging. Jolicoeur mulat, rijk, lieveling van het vorige regime overleefde. ?Als hij macht rook, bespioneerde hij iedereen, speelde elk spel om door het regime geaccepteerd te worden,? schrijft de Amerikaanse Amy Wilentz, Haïti-kenner bij uitstek. Jolicoeur verraadde mensen, maar alleen als hij wist dat hen geen kwaad kon overkomen. De anderen bezorgde hij valse paspoorten waarmee ze naar de Dominicaanse Republiek ontkwamen. Hij danste met grote virtuositeit op het slappe koord tussen bevordering en levensgevaar. Hij was de hofnar die vaak op bezoek ging in het presidentiële paleis. Papa Doc benoemde hem tot directeur-toerisme, Jolicoeur gebruikte de baan om een netwerk van vrienden en relaties op te bouwen. Hij was een man naar Greene's hart. Maar in 1963 was Papa Doc geen grap meer. De dictator liet zich de afgehakte hoofden van zijn opposanten bezorgen, ging persoonlijk folteringen bijwonen in de gevangenis van Fort Dimanche en verspreidde het gerucht dat hij Baron Samedi was, de voodoo-heerser van de kerkhoven die over duivelse macht beschikt. Greene wist dat. Jolicoeur bracht hem in de huizen van de rijken, maar ook bij de paar opposanten die de folteringen hadden overleefd. Hij waarschuwde Greene niet alles te geloven. ?Alle Haïtianen zijn komedianten,? zei hij toen Greene vertrok. ?Maar vergeet niet dat ze hier moéten toneel spelen.? In 1966 verscheen ?The Comedians? en Papa Doc kreeg een woede-aanval. Zijn terreur was perfect geschilderd. De dictator verbood het boek als een ?belediging voor Haïti.? Jolicoeur was doodsbang. Petit Pierre was voor iedereen herkenbaar. Vier keer werd hij door de Tontons gearresteerd. Vier keer vrijgelaten. Niemand durfde hem te folteren omdat hij zich beriep op zijn vriendschap met Papa Doc. Maar bang was hij wel. Hij wist dat hij opgepakt was met instemming van Duvalier, omdat niemand in Haïti een pink uitstak zonder de toestemming van Papa Doc. Hij was gewaarschuwd. In zijn column zong hij voortaan de lof van het regime. Op 21 april 1971 stierf Papa Doc. Hij was veertien jaar lang president geweest. Bij zijn begrafenis veegde een wervelstorm de helft van Port-au-Prince weg. Voor het volk de laatste wraak van Baron Samedi. Papa Doc had een opvolger benoemd : Baby Doc. Zoon Jean-Claude Duvalier was een verwend, dik, nutteloos kind die net als zijn vader voodoo en Tontons als machtspijlers had. Maar Jolicoeur ging het goed. Hij werd plaatsvervangend minister voor Toerisme en wachtte op zijn vriend Greene. Hij trouwde een blonde Canadese, kreeg kinderen binnen en buiten zijn huwelijk, en liet zich scheiden. Hij bleef een onderdeel van de dictatuur, maar was er niet meer bang voor. Hij viel Baby Doc frontaal aan, toen die zich net als zijn vader tot president-voor-het-leven liet verkiezen (en op veel plaatsen meer dan 120 procent van de stemmen haalde). ?Het Haïtiaanse volk is bedrogen en is zijn vrijheid kwijt,? schreef Jolicoeur. ?De Tontons, ooit boegbeelden van vooruitgang, zijn de kweekbodem van onrecht en terreur.? Dat was te veel : hij raakte zijn baan bij de regering kwijt, maar Duvalier junior waagde het niet zijn ?broer? in de gevangenis te gooien. Jolicoeur begon een galerie en werd het levende bewijs dat het regime op zijn laatste benen liep. Enkele jaren nog van corruptie en willekeur. Dan gingen Baby Doc en zijn gulzige vrouw Michelle onder internationale druk het land uit. In februari 1986 raapte het echtpaar Duvalier voor de allerlaatste keer bijeen wat het kon en verdween voorgoed naar Frankrijk. Jolicoeur dook onder. Wachten wat er zou gebeuren. Overleven als hoogste kunst. SPIJT NA DE ZONDEOok Graham Greene ging na Haïti verder. Steeds verder naar exotische en gevaarlijke streken. Dat hij ?het beste reisbureau van de wereld? gebruikte en de Britse geheime dienst goede diensten bewees, staat vast. Shelden heeft de MI6-documenten gezien. Greene was wel degelijk ?Our man in Havana? toen hij in 1966 Cuba bezocht en er Fidel Castro ontmoette. Hij speelde er de socialist. Verklaarde openlijk dat hij ?liever in de Sovjet-Unie dan in de Verenigde Staten oud zou worden.? Commandante Castro liet hem door een Cadillac met chauffeur van de luchthaven halen en gaf hem voor de duur van zijn verblijf een militair vliegtuig ter beschikking. Greene hield niet van Havana onder Castro : te puriteins, te serieus en zonder bordelen. Eén enkele keer werd zijn jeugddroom vervuld. Hij bezocht op uitnodiging van generaal Omar Torrijos en Manuel Noriega drie keer Panama (hij vloog first class). Maar ging ook naar de marxistische sandinisten in Nicaragua en ontmoette daar Lenin Cerna, chef van de geheime dienst. In 1987 gaf Greene de rechtse dictator Noriega een hangmat ten geschenke, eigendom van Daniel Ortega uit het linkse Nicaragua. Graham Greene is nooit meer naar Haïti teruggegaan. Ook na de val van de Duvaliers niet, toen zijn boek al lang niet meer verboden was en velen hem als een held zagen die de dictator bestreden had. Maar Jolicoeur kon hij niet vergeten. In het dagboek dat hij vanaf 1990 samenstelde (hij was toen al ziek), flakkert af en toe wat spijt op over het verraad tegenover zijn Haïtiaanse vriend. Hij heeft het over diens ?problemen met de Tontons? en heeft nachtmerries over zijn rol in de hele zaak. Aubelin Jolicoeur is zeventig. Met kinderen maken, is hij opgehouden. Hij heeft er tien van tien verschillende vrouwen, zegt hij trots en dat is een goed getal. De oudste is 46, de jongste is twee. Hij werkt nog altijd als journalist, gaat naar party's en begrafenissen, de laatste jaren uiteraard meer naar begrafenissen. Hij wil met het weinige geld dat hij heeft, jonge schilders een kans geven. Na de Duvaliers is ook de militaire junta verjaagd. De Amerikaanse militairen die onder VN-vlag werken, hebben in 1944 de verkozen president Jean-Bertrand Aristide teruggebracht en de vreedzame ambtsovername van zijn vriend René Préval bewaakt. De Operatie ?Steun de democratie? is op papier geslaagd, maar patiënt Haïti ligt op sterven. De staatsterreur bestaat niet meer, die is vervangen door een golf van onbestrafte misdaden. Ontvoeringen en moorden bij klaarlichte dag zijn normaal. De daders zijn vaak ex-Tontons, die politie en leger infiltreerden. Haïti is nog steeds op zoek naar een duivelsbezweerder die dat land voorgoed uit zijn lijden kan verlossen. Hotel Oloffson bestaat nog. Oud geworden net als Jolicoeur. Graham Greene zelf is in Zwitserland begraven. In dat land waarover hij Harry Lime in ?The Third Man? laat zeggen : ?Vijfhonderd jaar democratie en vrede en wat hebben de Zwitsers voortgebracht ? De koekoeksklok.? Copyright Knack/Der SpiegelGraham Greene : de katholieke auteur en vriend van pausen dronk zich wezenloos.Sierra Leone, de eerste post van spion Greene : hij was maandenlang onbereikbaar.Een schandvlek in de westerse wereld : Haïti.Baby Doc met zijn sinistere Tontons macoutes : een dik verwend nutteloos jong.