Lenin noemde haar ooit "de adelaar van de revolutie". Maar ze is ook vergeleken met "een syfilisbacil". Na haar dood werd ze door Stalin naar de mestvaalt van de geschiedenis verbannen: voor communisten was luxemburgisme voortaan een ziekelijke afwijking, waarvan je alleen in Siberië kon genezen.
...

Lenin noemde haar ooit "de adelaar van de revolutie". Maar ze is ook vergeleken met "een syfilisbacil". Na haar dood werd ze door Stalin naar de mestvaalt van de geschiedenis verbannen: voor communisten was luxemburgisme voortaan een ziekelijke afwijking, waarvan je alleen in Siberië kon genezen. Pas in de jaren zestig werd ze opnieuw een revolutionair icoon. In de Duitse Bondsrepubliek kreeg ze zelfs een eigen postzegel. Oproerige studenten in Keulen kozen haar als schutsvrouw voor hun universiteit. Ook in Leuven en Gent kon je nog wel eens iemand betrappen met socialisties drukwerk, waarin haar theorie over de kapitalistiese akkumulasie werd uiteengezet. En er moeten in Vlaanderen nog een paar Rosa's van middelbare leeftijd rondlopen die in het begin van de jaren zeventig naar haar zijn genoemd. Margaretha von Trotta maakte een film over haar. Maar pas sinds Lenin van zijn sokkel is gehaald en het communisme begraven, dringt het besef door dat Rosa Luxemburg niet alleen een romantische heldin was, maar een van de weinige marxistische theoretici die gewaarschuwd hebben tegen de pervertering van hun idealen. Róza Luksenburg (ze veranderde haar naam pas later in Luxemburg) werd in 1871 geboren in het Poolse Zamosc, als dochter van niet onbemiddelde, cultuurlievende, geassimileerde joodse ouders. Ze groeide op in Warschau. Haar ene been was korter dan het andere - een handicap waar ze haar leven lang mee heeft gesukkeld. Ze was, kortom, op de lagere school al voor haar klasgenootjes een mankepoot en een vuile jodin. Polen was bezet door de Russen, de Oostenrijkers en de Pruisen, en het gefrustreerde Poolse nationalisme vertaalde zich - toén al - in nauwelijks verholen antisemitisme. Op kerstavond 1881 leidde dat, onder het toeziend oog van de tsaristische politie, tot een regelrechte pogrom in de joodse wijken van Warschau. Dagenlang moest de kleine Rosa zich schuilhouden - met haar manke been had ze nooit kunnen ontkomen aan de klopjacht van het gepeupel - en hoorde ze het gerinkel van brekend glas, de Jiddische jammerklachten en Poolse verwensingen. Haar biografen zouden later in die traumatische ervaring de verklaring zoeken voor haar joodse zelfhaat en de zelfgekozen ballingschap, waarin ze het grootste deel van haar leven zou doorbrengen. HET LABORATORIUM VAN DE REVOLUTIEIn 1889 arriveerde Rosa in Zürich, waar ze natuurwetenschappen zou gaan studeren - niet meteen een discipline die haar voorbestemde voor de barricadenkrijg. Maar in Zwitserland was ook het laboratorium voor de wereldrevolutie gevestigd. Russische ballingen als Alexander Herzen en Michail Bakoenin hadden er al sinds 1850 de oppositie tegen de tsaar georganiseerd, later gevolgd door Georgi Plechanov en Vladimir Iljitsj Oeljanow - beter bekend als Lenin. Duitse intellectuelen als Wilhelm Liebknecht, August Bebel, Eduard Bernstein en Karl Kautsky legden er de fundamenten voor de machtigste sociaal-democratische partij van Europa, de SPD. Er werd wat afgedebatteerd en geconspireerd in de Zwitserse Kneipen. In 1889 zat Rosa Luxemburg in Zürich nog over haar microscoop gebogen. Ze had meer belangstelling voor vlinders en vliesvleugeligen dan voor de voetnoten bij de "Anti-Dühring" van Friedrich Engels. Dat veranderde toen ze in 1890 de Litouwer Lev Jogiches ontmoette, een dolende revolutionair die in Vilnius door de politie gezocht werd en wiens faam hem tot in Zwitserland vooruitgesneld was. Hij zou Rosa's minnaar en mentor worden. Tijdgenoten beschrijven Jogiches als een kille, ascetische man - nog briljanter en tirannieker dan Lenin. Bijna tien jaar lang zou Rosa totaal afhankelijk van hem zijn en zich als een handpop door hem laten gebruiken. Ze vormden een paar apart, Jogiches en Rosa Luxemburg. Ze hielden hun relatie voor de buitenwereld geheim, want concubinaat werd in het preutse milieu van wereldverbeteraars en hemelbestormers niet op prijs gesteld. Jogiches trad min of meer op als de impresario van Rosa Luxemburg. Hij bleef op de achtergrond, maar maakte gebruik van haar literaire en oratorische talenten, om zíjn doelstellingen te bereiken. Híj bepaalde welke boeken ze moest lezen. Híj controleerde iedere letter die ze schreef. Smachtende brieven van Rosa aan Jogiches: "Ik heb veel geleerd van je kritiek op mijn laatste stuk. Ik beloof je dat ik er rekening mee zal houden. Maar waarom schrijf je ook niet dat je van me houdt? Begrijp je dan niet dat ik een leven wil dat de moeite waard is om geleefd te worden? Waarom praten we alleen maar over de zaak? Krijg ik dan nooit een kindje van je? Een lief, klein kindje? Om samen mee naar de dierentuin te gaan?" Het zou er nooit van komen. Er moesten geen kinderen worden gemaakt, maar revolutie. Rosa Luxemburg werd hoofdredacteur van het door Jogiches gefinancierde blad (hij beschikte over een aanzienlijk familiefortuin) "Sprawa Robotnicza", waarin ze tegen het Poolse onafhankelijkheidsstreven fulmineerde: Poolse en Russische arbeiders hadden immers dezelfde belangen. In 1893 hield ze haar eerste grote toespraak tijdens het congres van de Tweede Internationale in Zürich. De Belgische socialist Emile Vandervelde was onder de indruk, zoals hij later zou schrijven in zijn memoires: "Rosa was toen tweeëntwintig, en behalve in de kringen van een paar Poolse en Duitse socialisten een nobele onbekende. Ik zie haar nog op een stoel klauteren, zo klein als ze was, in haar mooie zomerjurk die haar mismaaktheid moest verdoezelen. Maar ze sprak met zo'n vuur in haar stem en zo'n gloed in haar ogen, dat ook haar tegenstanders zich gewonnen moesten geven." EIGENZINNIG ALS EEN MUILEZELIn 1898 besloot Jogiches dat het tijd werd om naar Berlijn te verhuizen - althans voor Rosa. Hijzelf zou in Zürich blijven en haar van daaruit instructies sturen. Omdat een Poolse jodin nooit een rol van betekenis zou kunnen spelen in de Duitse sociaal-democratie, arrangeerde Jogiches voor Rosa een schijnhuwelijk (met ene Gustav Lübeck) waardoor ze het Duitse staatsburgerschap verwierf. Al na tien dagen meldde ze hem vanuit Berlijn dat ze Duits sprak "als Bismarck". En al hield ze niet van "de Hunnen", zoals ze de Duitsers noemde, ze gaf hoog op van de Gründlichkeit waarmee de SPD georganiseerd was. Op verzoek van de partijleiding ging ze in Silezië Poolse arbeiders toespreken. Ze verwierf het troetelnaampje rode Rosa. Ze publiceerde in kranten en tijdschriften, en schreef haar eerste belangrijke boek "Sozialreform oder Revolution?", waarin ze afrekende met het "revisionisme" van Bernstein. Revisionisme? Wat was dat ook alweer? De eminente socialistische theoreticus Eduard Bernstein had in het blad Neue Zeit een aantal marxistische dogma's ter discussie gesteld. Marx' beroemde Verelendungstheorie (verpaupering van de arbeiders leidt tot verheviging van de klassenstrijd, en daarop volgen onontkoombaar de ineenstorting van het kapitalisme en de wereldrevolutie) was volgens Bernstein achterhaald, socialisten konden beter streven naar hervormingen van het kapitalistisch systeem. Voor Rosa Luxemburg was dat erger dan vloeken in de kerk. Een eeuw later is het nog moeilijk na te voelen, maar de passie waarmee ze de "ideologische dwalingen" van Bernstein bestreed, maakten haar in één klap beroemd. Ze had een groot polemisch talent. Niet iedereen binnen de SPD was gediend van "politiek in onderrokken", maar de partijleiding benoemde haar tot directeur van de Sächsische Arbeiterzeitung. Voor het eerst in haar leven verdiende ze haar eigen kostje. Ze hoefde niet langer om geld te bedelen bij Jogiches, en liet hem dat ook weten. "Als ik onafhankelijk genoeg ben om aan politiek te doen, ben ik ook onafhankelijk genoeg om zelf te beslissen over de aankoop van een nieuwe jas. De enige vrijheid die jij me wil gunnen, is de vrijheid om mijn mond te houden." Jogiches antwoordde dat ze "eigenzinnig en koppig was als een muilezel". En hij besloot dat het tijd was om zijn koffers te pakken en haar achterna te reizen. GEEN FEMINISME, MAAR SOCIALISMERosa Luxemburg zou decennia na haar dood door de feministische beweging op een piëdestal geplaatst worden: een rebelse meid is een parel in de klassenstrijd. Er bestaat een foto van een bijeenkomst van de Tweede Internationale in Amsterdam, 1904: Rosa, met een breedgerande strooien hoed, in het gezelschap van twintig mannen met vervaarlijke knevels. Het is opmerkelijk genoeg dat een vrouw tot dat bastion wist door te dringen. Toch was Rosa Luxemburg in haar persoonlijk leven allerminst een feministe avant la lettre. Eerst liet ze zich de grillen van de jaloerse Jogiches welgevallen, daarna was ook de stiekeme relatie met haar veertien jaar jongere minnaar Konstantin Zetkin, de zoon van haar vriendin Klara, niet echt een toonbeeld van vrijgevochtenheid. Rosa sprak schamper over het blad "Die Gleichheit", waarin vrouwenemancipatie bepleit werd. Dat kon toch alleen maar tot verdeeldheid binnen de arbeidersklasse leiden! Ze maakte een onderscheid tussen dames en vrouwen. Dames waren wezens "die zich te goed voelen voor de rol van modepop of kokkin, en daarom via de vrouwenbeweging hun lege hoofden en hun leeg bestaan willen vullen". Vrouwen daarentegen begrepen dat de strijd van de arbeidersklasse voor gelijkheid en broederschap universeel was. Een toespraak waarin ze keizer Wilhelm II beledigde, bracht Rosa Luxemburg in 1904 voor het eerst in de gevangenis. Vanuit haar cel schreef ze aan Luise Kautsky: "Het leven speelt verstoppertje met me. Het leven is elders - maar nooit waar ik ben." Maar de revolutie was wel te lokaliseren. Op 22 januari 1905 openden soldaten in Sint-Petersburg het vuur op een vreedzame demonstratie van arbeiders voor het Winterpaleis. De Russische Revolutie, die daarop volgde, veroorzaakte schokgolven in heel Europa. In Warschau (dat onder tsaristisch bestuur stond) werd massaal gestaakt. Jogiches en Rosa Luxemburg (die inmiddels gratie had gekregen) keerden terug naar hun voormalige vaderland, waar ze prompt werden gearresteerd en ternauwernood aan executie ontsnapten. Rosa - Duits staatsburger immers - werd op borgtocht vrijgelaten, en reisde via Finland, waar ze Lenin ontmoette, terug naar Berlijn. Daar schreef ze in 1906 haar boek "Massenstreik, Partei und Gewerkschaften", een poging om voor de Duitse sociaal-democratie lessen te trekken uit het mislukken van de eerste Russische Revolutie. Rosa Luxemburg had sympathie voor de bolsjewieken (de minderheid binnen de sociaal-democratische Russische partij), die tenminste geprobeerd hadden het kapitalisme omver te werpen. Ze mocht Lenin wel, "met zijn lenige geest en vileine kop". Maar ze had ook kritiek op zijn interpretatie van het "Communistisch Manifest" ("een staaltje van metafysisch denken") en zijn theorie van de gewapende opstand, die moest worden geleid door een harde kern van beroepsrevolutionairen. "Het spreekt toch vanzelf dat het socialisme niet per oekaze kan worden opgelegd. Lenin vergist zich volkomen in de keuze van zijn methodes. Decreten, dictatoriale bevoegdheden voor de inspecteurs in de fabrieken, draconische straffen, terreur... het blijven lapmiddelen. Zonder algemene verkiezingen, zonder persvrijheid, vrijheid van vergadering en vrije meningsuiting, zal het openbare leven verlamd raken. Dan blijft alleen de bureaucratie over. De macht bevindt zich dan uitsluitend in handen van een paar dozijn partijbonzen en de elite van de arbeidersklasse wordt af en toe uitgenodigd om te komen applaudisseren. Men komt dan terecht in een dictatuur - niet de dictatuur van het proletariaat, maar van een handvol politici." Deze tekst werd pas na haar dood gepubliceerd en in de Sovjet-Unie vanzelfsprekend een vervalsing genoemd.KAARSJES VOOR DE KERSTBOOMVan alle socialistische theoretici had zij de meest vooruitziende blik. Haar boeken mogen dan merendeels onleesbaar zijn geworden - ze hadden de matglazen helderheid van zoveel marxistische schrijfsels -, je treft er passages in aan die ook nu nog verrassend actueel klinken. Rosa Luxemburg was een verklaard tegenstander van iedere vorm van nationalisme. Aan de vooravond van de Groote Oorlog (1914-1918) waarschuwde ze, net als de Franse socialist Jean Jaurès, tegen de bewapeningswedloop en de heersende oorlogsstemming. Ze geloofde niet dat Krupp "in de plaats van kanonnen, kaarsjes voor de kerstboom zou gaan produceren". Ze deelde het optimisme van de leiders van de Tweede Internationale niet, die dachten "dat de wolf en het lam in elkaars armen konden slapen, dat de tijger kon spinnen en met zijn ogen knipperen als een grote poes, terwijl de antilope hem met haar horens achter de oren krabt." Toen de Duitse sociaal-democraten in de Reichstag de oorlogskredieten goedkeurden, schreef ze een vlammend pamflet waarin ze betoogde dat de oproep aan het einde van het "Communistisch Manifest" maar beter gewijzigd kon worden in: "Proletariërs aller landen, verenigt u in vredestijd, maar snijd elkaar de keel af in oorlogstijd." Tijdens een toespraak in Frankfurt bezwoer ze de Duitse arbeiders om niet op hun Franse en Belgische kameraden te schieten. Het kwam haar op een aanklacht te staan. De procureur vorderde een jaar gevangenisstraf wegens "ophitsing tot burgerlijke ongehoorzaamheid". Op dat moment (1914) was Rosa Luxemburg binnen de SPD en de Tweede Internationale al geïsoleerd geraakt. Ze had ruzie met Camille Huysmans (de Belgische secretaris van de Tweede Internationale), met Kautsky, met Bebel - met vrijwel iedereen. Ze was niet langer "een socialistische heilige", maar - in de woorden van de Oostenrijkse sociaal-democraat Victor Adler - "een venijnige heks". Tijdens de Eerste Wereldoorlog zat Rosa Luxemburg meer dan drie jaar in de gevangenis. Maar nog net voor ze achter de tralies ging, nam ze deel aan de vergadering van een groep radicale socialisten rond Karl Liebknecht, die zich in 1916 zouden verenigen in de zogeheten Spartakusbund. Vanuit haar cel schreef ze prachtige brieven aan Sonja Liebknecht, over het beklagenswaardige lot van haar kat Mimi, maar ook over politieke onderwerpen: ze verzette zich tegen de voorstellen van Lenin om van de imperialistische oorlog een burgeroorlog te maken, die moest leiden tot de oprichting van een nieuwe Internationale. Oorlog was voor Rosa Luxemburg, in alle omstandigheden, een terugkeer naar de barbarij. Op 8 november 1918 kwam Rosa vrij. Op 10 november arriveerde ze in Berlijn. Daar wapperde de rode vlag. "ORDE HEERST IN BERLIJN!"De wapenstilstand betekende alleen buiten Duitsland vrede. Nadat Wilhelm II in Spa, met het pistool op de borst, troonsafstand had gedaan en de sociaal-democraat Friedrich Ebert tot rijkskanselier was benoemd, had Karl Liebknecht op 9 november de "Duitse vrije en socialistische Republiek" uitgeroepen. Daarmee was de chaos compleet. Bij de officieren van het verslagen Duitse leger was de dolkstoottheorie populair: socialisten, communisten, pacifisten en vooral joden hadden het moreel van de natie ondermijnd. Zij waren verantwoordelijk voor de nederlaag van de Duitse troepen. In heel Duitsland werd gestaakt. Arbeiderscomités bezetten kantoren en fabrieken. Rosa kreeg de leiding over het nieuwe blad "Die rote Fahne", het officiële orgaan van de Spartakisten en later van de Duitse communistische partij. Maar ook al bleef zij volhouden dat "de proletarische revolutie er nooit in zal slagen met terreur zijn doelstellingen te bereiken", het tij was niet meer te keren. Er circuleerden geruchten over een nakende invasie van de bolsjewieken, over een mogelijk voedselembargo van de geallieerden en over een nieuwe hongerwinter. De sociaal-democraat Gustav Noske sloot een verbond met maarschalk von Hindenburg om de opstand van de Spartakisten neer te slaan. Eenheden van het leger en moordeskaders van vrijwilligers - de voorlopers van de nazistische Einsatzgruppen - zakten af naar Berlijn om er orde op zaken te stellen. Op 14 januari 1919 verscheen in "Die rote Fahne" een artikel van Rosa Luxemburg, met de ironische titel: "Orde heerst in Berlijn." Het bleek haar testament: "Orde heerst in Berlijn! Gij stompzinnige beulsknechten! Uw orde is op zand gebouwd. De revolutie zal zich morgen reeds met luide galm verheffen en tot uw schrik onder bazuingeschal verkondigen: Ik was, ik ben, ik zal zijn." Op 15 januari 1919 werden Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht op hun onderduikadres gearresteerd en naar een hotel in het centrum van Berlijn gebracht voor ondervraging. Rond middernacht werd Rosa weggevoerd tussen een haag van joelende mensen: "Daar heb je Röschen! De oude slet." Een soldaat verbrijzelde haar kaak met de kolf van zijn geweer. Ze werd bewusteloos naar een auto gedragen, waar luitenant Kurt Vogel haar nog een kogel door het hoofd joeg. Ze werd in het Landwehrkanal gegooid - voor alle zekerheid. De daders kregen van de krijgsraad een lichte straf, maar zouden in 1933 door Hitler rijkelijk worden beloond. In Berlijn werden spotschriften verspreid met de mededeling dat rode Rosa nu dode Rosa was. Maar vijf maanden later, toen haar kadaver was opgevist, begeleidden duizenden communisten haar naar de groeve. Ze droegen foto's mee, en bordjes met de tekst: "Ik was, ik ben, ik zal zijn." Een van de rouwenden was de 21-jarige Bertolt Brecht. De Weimarrepubliek was begonnen, waarin Hitler democratisch aan de macht zou komen. Willkommen, bienvenue, welcome! Elzbieta Ettinger, "Rosa Luxemburg, a Life", Beacon Press, Boston Max Gallo, "Une femme rebelle, Vie et mort de Rosa Luxemburg", Presses de la Renaissance, Parijs Rosa Luxemburg, "Orde heerst in Berlijn", een keuze uit haar geschriften, L.J.C. Boucher, Den HaagDe Grote OerknalPiet Piryns