'Ik heb die film van vroeger al meer dan honderd keer in mijn hoofd afgespeeld', zegt Dyab Abou Jahjah. 'Vandaag kan ik het relativeren, maar ik vind toch dat we nooit echt eerherstel hebben gekregen. Ik ben in beroep vrijgesproken, maar excuses zijn er nooit gekomen. Dat hoeft niet van mij, hoor. Ik vraag niemand iets. Maar ik zou wel willen dat we voortaan op een positieve en constructieve manier met elkaar omgaan.'
...

'Ik heb die film van vroeger al meer dan honderd keer in mijn hoofd afgespeeld', zegt Dyab Abou Jahjah. 'Vandaag kan ik het relativeren, maar ik vind toch dat we nooit echt eerherstel hebben gekregen. Ik ben in beroep vrijgesproken, maar excuses zijn er nooit gekomen. Dat hoeft niet van mij, hoor. Ik vraag niemand iets. Maar ik zou wel willen dat we voortaan op een positieve en constructieve manier met elkaar omgaan.' Het is al ruim tien jaar geleden dat de nu 42-jarige Abou Jahjah half Vlaanderen de stuipen op het lijf joeg. Als voorzitter van de Arabisch-Europese Liga beheerste hij van begin 2000 tot eind 2002 het nieuws. Toen in oktober 2002, na de moord op een Marokkaanse leerkracht, relletjes uitbraken in Borgerhout, kwam het tot een confrontatie tussen hem en toenmalig politiechef Luc Lamine. In het parlement kondigde premier Guy Verhofstadt, dwars tegen de scheiding der machten in, 's mans arrestatie aan. Abou Jahjah werd opgepakt en veroordeeld - voor het ophitsen van de gemoederen - maar later in beroep vrijgesproken. In 2006, vijftien jaar nadat hij als vluchteling in België was aangekomen, keerde hij terug naar zijn geboorteland Libanon. Voorgoed, dacht iedereen. Tot hij twee weken geleden op Twitter en Facebook ineens aankondigde dat hij terugkomt naar België. Hij kwam de voorbije jaren wel vaker op bezoek, maar wil nu weer politiek wegen: de klus afmaken waarmee hij tien jaar geleden was begonnen. 'Ik start met een nieuw project', zegt hij. 'Een open en pluralistische beweging die de problemen van racisme en discriminatie opnieuw op de kaart moet zetten.' Wat onmiddellijk opvalt bij de begroeting: Abou Jahjah is, behalve vijftien kilogram zwaarder, ook veel rustiger geworden. Gelouterd, zo lijkt het wel. 'Ik merk dat ik vandaag ook op een andere manier wordt bekeken dan vroeger', zegt hij. 'Er is geen hetze in de media, sommige politici en journalisten hebben mij zelfs al welkom geheten.' Dyab Abou Jahjah: Ja, maar ik weet waarom hij zoiets zegt. Hij reageert emotioneel, vanuit het Arabisch-Israëlische conflict. Abou Jahjah: Dat zegt hij, maar het klopt niet. Ik ben nooit lid geweest van Hezbollah. Abou Jahjah: Ik was toen een snotneus van twintig jaar, dat had ik verzonnen. Men heeft er ook geen rekening mee gehouden. Ik heb wel altijd gesympathiseerd met de politieke tak van Hezbollah, omdat die al meer dan twintig jaar het voortouw neemt in het verzet tegen de Israëlische bezetting. Hezbollah is een bijzonder populaire partij in Libanon, niet alleen bij mij. Ze zit ook in de regering, en er komen weleens Europese ministers op bezoek. Abou Jahjah: Ten onrechte. Al heb ik daar niets mee te maken. De laatste twee jaar is mijn relatie met Hezbollah zelfs heel slecht, omdat ik vind dat ze in Syrië een nefaste rol spelen. Abou Jahjah: Ach, Libanon is een beetje zoals Texas: iedereen heeft er thuis een geweer. Dat heb ik ook nooit ontkend, het staat zelfs in mijn laatste boek. Die foto heeft mijn vrouw ooit genomen en op Facebook gezet om haar vriendinnen te imponeren. Maar blijkbaar is vooral Dewinter geïmponeerd. Abou Jahjah: Nee, ik ben geen soldaat. Ik had wel een geweer, en ik wilde wel gaan helpen, maar ik heb nooit gevochten. Ik ben teruggekeerd in 2006, drie dagen na het begin van de oorlog, omdat ik bij mijn familie wilde zijn. Een kwestie van eergevoel. Mijn dorp ligt vlakbij de grens, en het was een slagveld: in die omstandigheden kon ik niet in België blijven. Abou Jahjah: Ik zat er in het management van een marketingbedrijf. Abou Jahjah: Nee, juist niet. Dat ik tien jaar geleden zo radicaal was, had onder meer met mijn leeftijd te maken. Als je dertig bent en iemand toont je zijn middenvinger, dan geef je twee middenvingers terug. Hier was ik bovendien een allochtoon, en dus keek ik vanuit een marginale positie naar de maatschappij. In Libanon ben ik een autochtoon. Daar word ik wel aanvaard. Daar houdt de politie mij niet tegen omdat ik een vreemdeling ben. Dat heeft mij gekalmeerd. Ik heb nu ook meer empathie met de meerderheid. Abou Jahjah: In Libanon bestaan xenofobie en racisme ook. Ik heb mij daartegen verzet, maar ik heb wel ondervonden dat iedereen vatbaar is voor zulke gevoelens. Als mijn buren zeiden dat de Syrische vluchtelingen alles verkloten, dan wilde een deel van mij daarin meegaan. Het is niet gemakkelijk om niet racistisch te zijn. De mens heeft nu eenmaal die aanleg. En in Vlaanderen ligt dat nog gevoeliger. Abou Jahjah: Vlaanderen zit nog altijd in de knoei met de eigen identiteit. Vlamingen zijn nog niet voldoende geëmancipeerd. Ze vragen zich nog altijd af of ze onafhankelijk moeten worden of niet. Zeker een gesprek over linguïstische diversiteit in Vlaanderen is hier nog altijd blasfemie. Abou Jahjah: (lacht) Dat was destijds uw kop boven een interview met mij, maar u weet evengoed dat het een grap was. Een plaagstoot. Dat was ook duidelijk voor wie de tekst van het interview las. Al vond ik de reacties een beetje overdreven. In die zin is Libanon voor mij ook een psychologische kuur geweest. Een soort vakantie. Een periode zonder stress. Abou Jahjah: Er zijn verschillende redenen waarom ik terugkom. Mijn kinderen zijn vier en anderhalf, en sinds de bomaanslagen twee maanden geleden begonnen, is het daar niet meer veilig voor mijn gezin. Mijn vrouw is een Belgisch-Marokkaanse van de tweede generatie en zij heeft de voorbije jaren vooral hier gewoond. We hebben altijd getwijfeld waar we ons definitief zouden settelen. Ik had een voorkeur voor Libanon, maar zij verkiest België. En ik heb hier nog veel vrienden en kameraden met wie ik dat nieuwe project wil opstarten. Abou Jahjah: Dat is een andere reden waarom ik terugkeer: het politieke verhaal. Ik ben inderdaad betrokken geweest bij een netwerk aan de linkervleugel van de Arabische revolutie. Vooral in Tunesië en Syrië heb ik veel vrienden, die erg invloedrijk zijn. Een kameraad van mij is adviseur van de Tunesische president, en een andere vriend, Diaa Dogmosh, vergadert tegenwoordig met mensen zoals Guy Verhofstadt. Hij is lid van het Vrije Syrische Leger. Abou Jahjah: Ik heb hem dat verhaal verteld, ja. Maar Diaa geloofde mij niet: hij vindt Verhofstadt een geweldig toffe kerel. Maar goed, mijn rol ginder is uitgespeeld. Vandaag bevindt de Arabische Lente zich in een dynamiek van staten en geopolitiek. Het is een fase die je kunt vergelijken met de terreur na de Franse Revolutie. Ik ben nog altijd optimistisch, maar in deze overgangsfase kan ik daar geen rol spelen. Abou Jahjah: Ik wil mij inzetten voor de dossiers die mij vroeger ook al bezighielden: de achterstelling van minderheden in het onderwijs, qua huisvesting, op de arbeidsmarkt. Dat zijn de problemen waar mensen zich zorgen over maken. Ikzelf ook, nu ik hier weer kom wonen. Hoe gaat men mij behandelen? Zal ik een goede woning vinden? Krijg ik een job of niet? Die basisrechten houden mij bezig. Ik wil proberen om de basis van vroeger opnieuw bij elkaar te brengen, maar ik wil ook de grenzen verleggen. Abou Jahjah: De beweging die we voor ogen hebben, moet open en pluralistisch zijn. Ze mag niet etnisch of religieus of ideologisch gedefinieerd worden. We gaan ons niet profileren rond identiteit, we willen ons niet noodzakelijkerwijze links profileren, we willen werken rond specifieke dossiers. Een van de belangrijke takken zal zeker een studiedienst zijn. Abou Jahjah: Niet noodzakelijk. Ook een studiedienst kan bevolkt worden door activisten uit academische hoek. Ik geloof heel sterk in vrijwilligerswerk. Abou Jahjah: Het is niet aan mij om die namen te noemen. Voor mij is het geen probleem om mij hierop te profileren, voor andere mensen is het nog altijd opletten geblazen. In elk geval willen we nu ook progressieve krachten uit de autochtone gemeenschap toelaten tot onze beweging. Die hebben we destijds buiten de deur gehouden, wat zeker een fout was. Abou Jahjah: Nee, wat mij betreft is dat een verkeerd doel. Ik verkies een zweepbeweging boven een politieke partij. Ik beschouw het meer als een vereniging van geëngageerde burgers, als een beweging die deel uitmaakt van het middenveld, en die met iedereen wil praten. Wij willen gemarginaliseerde gemeenschappen op de politieke agenda zetten, we willen minderheden wat meer ruggengraat geven. Abou Jahjah: Daarvoor is het nog iets te vroeg. Ik hoop dat we tegen het einde van het jaar een platformtekst hebben. We zouden graag al een impact hebben op de verkiezingsdebatten van volgend jaar. Abou Jahjah: Zeker. Onze achterban van toen is rijper en sterker geworden. Velen onder hen bekleden goede posities aan universiteiten, in de media, bij studiediensten... Ook mensen die er nooit echt voor uitgekomen zijn dat ze bij de Arabisch-Europese Liga behoorden. Abou Jahjah: Omdat wij druk wilden uitoefenen op het beleid. En omdat alles wat ik voor die tijd had geprobeerd, niet werkte. In 2000 was ik tien jaar hier. Ik had de Belgische nationaliteit, ik sprak beide landstalen, ik had een diploma aan de universiteit én een degelijke job bij de vakbond. Ik was directeur van de migrantenwerking bij het ABVV en dacht echt dat ik in die positie iets kon bereiken. Maar men was alleen maar geïnteresseerd in symboliek. Postercampagnes en brochures, meer wilde men nooit doen. Dat frustreerde mij enorm. Abou Jahjah: Professioneel was dat een degradatie. Ik verdiende minder, ik had minder aanzien, maar ik dacht dat ik bij zo'n zelforganisatie meer zou kunnen bereiken. Maar ook daar raakte ik snel gefrustreerd. Vanuit een gesubsidieerde organisatie kun je geen druk zetten op de overheid. Dat is ook logisch, want je krijgt je geld van diezelfde overheid. Abou Jahjah: Dat wilde hij altijd al. Maar hij geloofde niet in de logica van de militante beweging. Chakkar geloofde in de institutionele weg, en je ziet waar het toe leidt: na veertig jaar heb je één schooltje in Borgerhout. Wat op zich oké is, maar je kunt niet zeggen dat het zo echt opschiet. Ik geloof vandaag, en ik geloofde toen ook al, dat je in het leven alleen maar iets kunt realiseren als je ervoor vecht. Binnen de grenzen van de grondwet, uiteraard. Abou Jahjah: Dat kwam pas later, toen men ons begon te vergelijken met de Black Panthers, en mij met Malcolm X. Toen ik hem begon te lezen, kwam ik onder de indruk van zijn gedachtegoed. Abou Jahjah: Het was zeker niet de bedoeling dat de AEL een gewelddadige beweging zou worden. We waren radicaal, dat wel. En als je voortdurend in de hoek wordt gezet, maakt dat je alleen maar radicaler. Abou Jahjah: Helemaal niet. Dat verraste ons geweldig. Wij wilden gewoon de dingen zeggen zoals ze waren, zonder blad voor de mond. Het is ontploft toen onze mensen burgerpatrouilles organiseerden, om het racistische gedrag van de politie te documenteren. Abou Jahjah: Ja, er kwamen altijd mensen op af die de held wilden uithangen. Wij probeerden dat weliswaar onder controle te houden, maar dat was moeilijk. Tegelijk verschenen er in die tijd ook artikels over mij die totaal krankzinnig waren. Ik las elke dag wel iets dat nergens op sloeg. Er is een karaktermoord op mij gepleegd. Abou Jahjah: Als jongeman geniet je altijd van aandacht, ook van negatieve. Vooral als je boos bent. Negatieve aandacht betekent dat je tegenstander je erkent. Dat ze bang van je zijn. Aanvankelijk vond ik dat niet slecht, maar gaandeweg raakte ik toch zwaar teleurgesteld. Abou Jahjah: Men schreef zelfs dat ik banden had met terroristen, met de drugswereld, dat er wapens en kinderporno waren gevonden in mijn appartement - allemaal onzin, en dat moest ik allemaal slikken. Maar het heeft mij niet gekraakt. Ik was moe, soms. Maar ik bleef gefocust. Ik was ook niet alleen, ik was deel van een beweging. En in zo'n beweging vind je altijd troost bij elkaar. Abou Jahjah: Wij hadden geen middelen. Op ons hoogtepunt hadden we vierduizend leden, die allemaal een kleine bijdrage betaalden. En we kregen weleens giften van zakenmensen, maar nooit meer dan een paar honderd of duizend euro. Abou Jahjah: Dat heeft men grondig onderzocht, en het is duidelijk dat die geldschieters er niet waren. Wat niet wil zeggen dat ik daar tegen was. Ik heb in Qatar ooit steun gevraagd aan de prins: ik stelde hem voor om een stichting te subsidiëren die Arabische immigranten in Europa zou kunnen steunen. Maar hij was niet geïnteresseerd. Abou Jahjah: Sommigen dachten in die richting, ja. Zo wilden we aparte scholen, zodat kinderen onderwijs zouden krijgen met de nodige aandacht voor hun eigen cultuur. Vandaag vind ik dat zeker geen prioriteit meer. Integendeel, ik wil met die nieuwe beweging streven naar een meer harmonieuze samenleving, naar minder versnippering. In plaats van eigen scholen te stichten, kunnen we beter pleiten voor meer diversiteit in het onderwijs. Abou Jahjah: Als het tweerichtingsverkeer is, vind ik integratie niet slecht. Maar als het assimilatie is, vind ik het... Abou Jahjah: Dat is sterk uitgedrukt. Maar culturele zuivering is het wel. Ik geloof nog altijd dat diversiteit beheerd moet worden, niet weggeveegd. Als je mensen probeert te assimileren, dán creëer je pas verschillende gemeenschappen. Als Turkse en Marokkaanse kinderen op school hun moedertaal niet mogen gebruiken, dán zullen hun ouders aparte scholen willen stichten. Het is beter dat de overheid zorgt voor onderwijs waarin Turks en het Arabisch een optie zijn. Anders worden kinderen naar de moskee gestuurd om Arabisch te leren, en dat lijkt mij niet opportuun. Abou Jahjah: Niet noodzakelijk. Wat wij wilden doen, sloot aan bij wat mensen zoals wijlen Remi Verwimp wilden doen, de dissidente priester: hij wilde de Bijbel op een linkse manier interpreteren. Wij ook. Het was een vorm van bevrijdingstheologie. Abou Jahjah: Ik was scherp voor hen, ja. En dat ben ik nog altijd. Abou Jahjah: Ze hadden geen agenda. Als je je politieke carrière bouwt op je achterban, moet je een agenda hebben om iets voor die mensen te doen. Politieke vertegenwoordiging betekent dat je mensen naar het beleid stuurt, niet dat het beleid gezanten stuurt naar de mensen. Die allochtone politici lieten zich gebruiken als gezanten van het beleid, die de mensen maar moesten bedaren en vertellen hoe het moest. Zo werkt de democratie niet. Abou Jahjah: Omdat de PVDA onze alliantie louter electoraal bekeek. En onderschat niet hoezeer het racisme ook in een communistische partij aanwezig kan zijn. Veel van hun kiezers konden niet aanvaarden dat ik als allochtoon de lijst trok. Dat heeft tot een serieus conflict geleid binnen hun partij. Abou Jahjah: Ik heb mijn kameraden ook het advies gegeven om voor de PVDA te stemmen. Niet omdat ik vind dat de PVDA het antwoord is. Maar als protest, en om de SP.A te straffen, voor het hoofddoekenverbod en voor de manier waarop die partij Antwerpen heeft beheerd. De Antwerpse SP.A leefde in de illusie dat je rechts kunt indijken door zelf een beetje rechtser te worden. Abou Jahjah: Absoluut, honderd procent. Ik ben er zelf al geweest en heb gezien hoe jonge gasten met bewondering naar video's van Al-Qaeda zaten te kijken. Ik ben daar onmiddellijk tegenin gegaan. Ik laat mij niet intimideren en sommigen onder hen ken ik nog van vroeger. Abou Jahjah: Aspirant-lid. Volwaardig lid is hij nooit geworden. Hij begon ook vrij snel de radicaal religieuze richting uit te gaan. Ik heb nog een tijdje gedacht dat hij een infiltrant was van de Staatsveiligheid. Abou Jahjah: Ik denk van niet. Er zijn gevaarlijker salafisten dan Belkacem. Sommigen hebben echt banden met Al-Qaeda. Hij draagt die ideologie in zich, dat is duidelijk, maar ik denk dat hij vooral mensen wil choqueren. Hij is meer een sjoemelaar dan een terrorist. Het probleem is dat jongeren via hem misschien bij de echt gevaarlijke salafisten terechtkomen. Abou Jahjah: Dat weet ik niet. Zo moeilijk is het niet om in Syrië te raken, hoor. Je moet alleen maar naar Turkije gaan. Aan de zuidelijke grenzen zitten de ronselaars. Ik weet niet of dat van hieruit georganiseerd wordt. Het is gemakkelijk om in je eentje daar te raken. Abou Jahjah: Nee. Ik ben een culturele moslim. Ik heb een fase in mijn leven gehad dat ik twijfelde. En ik heb ook iets aan dat geloof. Ik sta niet zo ver van de waarden van die religie. Abou Jahjah: Niet veel, maar af en toe wel, ja. Abou Jahjah: Nee, en ze heeft dat ook nooit gedaan. Ik ben daar allemaal vrij open over. Dat is trouwens een van de redenen waarom de salafisten mij aanvallen. Omdat ik volgens hen een kafir ben, een vijand van het geloof. Ik krijg ook al bedreigingen uit die hoek. Ik denk dat de tegenstand binnen de allochtone gemeenschap deze keer sterker zal zijn dan die van daarbuiten. Abou Jahjah: Vandaag zit de verzuring aan alle kanten. Bij de rechtse kiezers, maar ook bij heel wat allochtonen. Daar moeten we aan werken. Anders stevenen we af op problemen. De derde generatie is meer geassimileerd dan de eerste generatie, om dat woord toch maar eens te gebruiken. Maar dat betekent dat ze zich harder zal verzetten tegen de ongelijkheid en de onrechtvaardigheid. Dat hebben de Vlamingen zelf ook lang moeten doen. Abou Jahjah: Ik heb vroeger weleens met hem in debatten gezeten, maar veel scherpe herinneringen heb ik daar niet aan. Ik werd destijds altijd geconfronteerd met Vlaams Blokkers. De Wever zat er dan bij als de zachte kant van rechts. Abou Jahjah: Ik heb dingen van hem gelezen waaruit blijkt dat hij durft te provoceren. Hij heeft ons vroeger wel aangevallen, maar verzette zich tegen onze veroordeling. Dat wijst erop dat hij ook moedig is. En ik hoor dat hij een sterke debater is. Dat spreekt mij wel aan. Ik kijk ernaar uit eens met hem in debat te kunnen gaan. Abou Jahjah: Toen ik politieke wetenschappen studeerde, heb ik mijn thesis gemaakt over het volksnationalisme in Europa. Ik vond de Volksunie een mooie, progressieve partij. Ik heb een vriendin van mij ooit nog geadviseerd om op de VU te stemmen. Ik woonde in die tijd, begin de jaren negentig, in Brugge, en als ik naar Brussel ging, sprak ik altijd Nederlands. Uit principe, hoewel ik ook goed Frans sprak. Abou Jahjah: Ja, de Volksunie was een voorbeeld voor mij. Ik ben als kind opgevoed in een links nationalistisch nest, dus ik ben altijd al gevoelig geweest voor die zaken. Gaandeweg is de Volksunie een beetje overbodig geworden, omdat de thema's van die partij vandaag bij alle partijen aanwezig zijn. Abou Jahjah: Ja, die vergelijking gaat zeker op. Zo was het vroeger ook: zelfs mensen die geen lid waren van de AEL, begonnen zoals wij te praten. Zoals politici die geen nationalisten zijn, vandaag toch een beetje denken zoals de Volksunie. Een ander vergelijkingspunt is de emancipatiestrijd, die soms nogal hard moet worden gevoerd. Ook vandaag nog. Ik wil een constructieve dialoog, maar we zullen nog ruzie maken, er zal nog discussie zijn. Met alleen maar bloemen kun je nu eenmaal niet strijden. DOOR JOËL DE CEULAER EN WALTER PAULI, FOTO'S SASKIA VANDERSTICHELE'Ik ben niet gelovig. En mijn vrouw draagt geen hoofddoek. Dat is een van de redenen waarom de salafisten mij aanvallen.' 'Men schreef dat ik banden had met terroristen, dat er wapens en kinderporno waren gevonden - allemaal onzin, en dat moest ik maar slikken.'