Zijn helden zijn met Grote Kunst in de weer, spelen voetbal, mijmeren in de bomen, dansen of nemen een pose aan in hun salon. Niks ongewoons eigenlijk. Vaak proberen ze toch op een subtiele manier hun omgeving of zichzelf te verrassen. Alsof ze naar een discreet applausje hengelen. Als het van hun schepper afhangt, krijgen ze zelfs meer. 'Iemand wandelt in een bos of gaat naar een museum. Dan kan je zeggen: bravo', zegt Benoît. Maar die tekening dan van een kunstenaar die aan zijn tafel naar een blad met een abstract motief zit te staren? Die niet weet wat hij ermee aan moet? Dat is toch huilen met de pet op? 'En toch kun je zeggen: bravo', houdt de tekenaar vol.
...

Zijn helden zijn met Grote Kunst in de weer, spelen voetbal, mijmeren in de bomen, dansen of nemen een pose aan in hun salon. Niks ongewoons eigenlijk. Vaak proberen ze toch op een subtiele manier hun omgeving of zichzelf te verrassen. Alsof ze naar een discreet applausje hengelen. Als het van hun schepper afhangt, krijgen ze zelfs meer. 'Iemand wandelt in een bos of gaat naar een museum. Dan kan je zeggen: bravo', zegt Benoît. Maar die tekening dan van een kunstenaar die aan zijn tafel naar een blad met een abstract motief zit te staren? Die niet weet wat hij ermee aan moet? Dat is toch huilen met de pet op? 'En toch kun je zeggen: bravo', houdt de tekenaar vol. De titel van zijn nieuwe bundel deed hij op via de autoradio. Hij hoorde een tragikomisch liedje van Edith Piaf over een man die ongeluk heeft in zijn leven en die van alles tegenkomt: 'En bij ieder ding dat hij doet, zegt Piaf hem bravo! bravo! Et tu fais la vaisselle. Bravo! Bravo! Et ta femme te trompe. Bravo! Bravo! Het onderwerp is vrij dramatisch, maar de manier waarop Piaf die bravo zegt, is geweldig enthousiast. Ik vond dat een zeer mooi contrast.' In het vorige boekje, Felle Hemel, was er nog tekst en uitleg bij de figuren. Al waren ze toen ook niet zoveel van zeg. In de stilte en het luchtledige voelden ze zich in hun schik. Hun toestand was vergelijkbaar met het verheven-strenge van de heiligen bij Piero della Francesca, de lievelingsschilder van Benoît uit de vijftiende eeuw. Vreemd genoeg lijken de helden in Bravo!Bravo! zelfs dan op iconen, wanneer ze klaarstaan om een vrije schop te nemen of de bal met een zweefsprong uit het doel te redden. Het lijken engelen, ze zijn niet echt van deze wereld. In het moderne voetbal is van lieverlede minder plaats voor poëzie, maar dat is niet aan de tekeningen van Benoît te merken. Hij blijft er het schone en verhevene van zien, 'zoals een Spanjaard iets heiligs ziet in de corrida, terwijl andere mensen er niets van begrijpen'.ACHTER EEN BALUSTRADEHoewel de microbe hem al als kind te pakken had, slaagde hij er pas kort geleden in om voetballers goed te tekenen. Het liep telkens mis, omdat hij het te anekdotisch aanpakte. Nu zit er iets van een ver verleden in. Op een voetstukje staat de heilige Raoul Lambert in een wit shirt met blauwzwart gestreepte, horizontale banden. De spelers spelen een soort statisch voetbal. Ze zweven tussen dromen en waken. Dat heeft misschien met de prilste herinneringen aan Club Brugge te maken. Op zijn tiende mocht hij voor het eerst met z'n grote broer en diens vriend mee op verplaatsing naar Anderlecht. Vanwege z'n kleine gestalte posteerden ze hem achter een balustrade waar hij net met z'n hoofd bovenuitstak. Lange tijd stond het 1-0 voor Anderlecht, tot Lambert in de tweede helft schuin voor doel kwam, de keeper lobde en scoorde. 'Ik was waarschijnlijk een pluimgewicht,' vertelt Benoît, 'en die vriend van mijn broer pakte mij vast en zwaaide met mij als met een sjaal. En ik zweefde daar in de lucht, dat was zo'n zalig moment.' Lijken de voetballers stil te staan, ook als ze bewegen, de dansers in Bravo! Bravo! zwieren in snelle vaart over de bladzijden. Dat contrast heeft veel te maken met het gebruik van een ander instrument. De dansers zijn getekend met de rietpen. Dat is een bamboestaafje dat regelmatig met een mes geslepen wordt. Het laat bewegingen toe die meer met schilderen te maken hebben. Maar als het mes wat te diep gekerfd heeft, kan de lijn bijna weer zo scherp worden als bij een gewone metalen profielpen. Die gebruikt Benoît voor de meeste van z'n tekeningen. Goede pennen worden niet meer gemaakt. Als je een lijn trekt, gaan ze haperen, loopt de inkt eruit of ze zijn na één tekening kapot. Een goede pen moet de tekenaar toelaten om door het geven van minder of meer druk, dikkere of fijnere lijnen te maken. 'Maar de meeste pennen die je tegenwoordig in de handel koopt, blijven - eenmaal dat je erop geduwd hebt - openstaan, zodat je geen fijne lijn meer kunt trekken.' In een oud Leids winkeltje kocht Benoît een tiental dozen, elk een paar honderd kloeke, veerkrachtige pennen bevattend. De tekenaar kan nog een eeuwigheid mee. Al is er een gerede kans dat hij op een dag door de schilder achterhaald wordt. Op z'n eigen tempo, en niet noodzakelijk om in de collectie van het SMAK te belanden.Benoît, "Bravo! Bravo!", uitg. Jef Meert.Jan Braet