Was het inzetten van de televisie op de Olympische Spelen een propagandistische zet van de nazi's? Gedeeltelijk wel, hoe bescheiden de kracht van het medium toen ook mocht zijn. Maar veel meer dachten Duitsers op langere termijn: de televisie zou het technische overwicht van Duitsland demonstreren, en het nazigedachtegoed verspreiden. Programmahoofd Eugen Hadamovski had het in maart 1935 al gezegd bij de opening van het station van de eerste regelmatige 'televisieprogrammadienst' ter wereld: 'De nationaalsocialistische televisie moet, diep en onuitwisbaar, de beeltenis van de führer in de Duitse harten planten.' De Spelen van Berlijn in 1936 waren in dat opzicht dan ook een uitgelezen kans.
...

Was het inzetten van de televisie op de Olympische Spelen een propagandistische zet van de nazi's? Gedeeltelijk wel, hoe bescheiden de kracht van het medium toen ook mocht zijn. Maar veel meer dachten Duitsers op langere termijn: de televisie zou het technische overwicht van Duitsland demonstreren, en het nazigedachtegoed verspreiden. Programmahoofd Eugen Hadamovski had het in maart 1935 al gezegd bij de opening van het station van de eerste regelmatige 'televisieprogrammadienst' ter wereld: 'De nationaalsocialistische televisie moet, diep en onuitwisbaar, de beeltenis van de führer in de Duitse harten planten.' De Spelen van Berlijn in 1936 waren in dat opzicht dan ook een uitgelezen kans. Vandaag hebben we digitale high definition-beelden voor honderden miljoenen mensen, maar in 1936, toen dagelijks vanuit het sportstadion van 10.00 tot 12.00 en van 15.00 tot 17.00 uur werd uitgezonden, was het armzalig behelpen. In Berlijn waren amper 75 privéontvangers in gebruik, hoofdzakelijk bij nazibonzen en een paar industriëlen. Voor het publiek waren in 27 postkantoren zogeheten Fernsehstuben ingericht: zaaltjes voor 20 à 40 man, plus nog twee grote zalen met schermen van drie bij vier meter voor respectievelijk 294 en 120 toeschouwers. Op die manier kon men berekenen dat 162.000 kijkers de Spelen via televisie hebben gevolgd. Niet meteen massapropaganda dus. De vraag werd later vaak gesteld: wat als Hitler en zijn propagandaminister Joseph Goebbels over een feilloos werkend televisienet hadden beschikt? Der Spiegel vroeg zich ooit af of de heren op het scherm wel zo goed waren overgekomen: die brullende Hitler, die slijmende Goebbels, die vette Hermann Göring en die kalkbleke Heinrich Himmler. Tegelijk valt het propagandistische effect van de films van cineaste Leni Riefenstahl dan weer niet te onderschatten. Dat de nazitop week na week in de bioscoopjournaals te zien was, bleef ook niet zonder gevolg. De televisie werd aanvankelijk stiefmoederlijk behandeld door de nazileiders en de Propagandastaffel. Het geringe aantal ontvangers, het kleine trillende beeldje van 19 bij 22 centimeter, en de slechte beeldkwaliteit werkten bij het opvoeren van zowel politieke als sportieve helden veeleer op de lachspieren. Hitler en Goebbels hadden dan ook geen bijzondere belangstelling voor het medium. Dat wordt bevestigd door Kurt Wagenführ, gewezen mediadocent en journalist van het blad Fernseh-Informationen. Hij was een directe getuige, en zag hoe weinig indruk het medium op hen maakte. 'Op een middag in 1934 was ik er getuige van hoe het nieuwe medium werd voorgesteld aan Adolf Hitler. De führer heeft er noch positief, noch negatief op gereageerd', aldus Wagenführ. 'Hij kon zijn draai niet vinden bij dat kleine kastje zonder publiek. Andere partijbonzen zagen de propagandamogelijkheden wél. Dat bleek later uit informatieprogramma's, en vooral uit antisemitische televisiedrama's.' Joseph Goebbels had een strak geleide pers voor ogen. Hij had veeleer een zwak voor de radio, volgens hem het belangrijkste instrument voor massabeïnvloeding. De verspreiding van de populaire Volksempfänger was een ongewoon succes: Duitsers lagen met hun oor aan het radiotoestel gekluisterd voor de nazipropaganda en vooral voor de ophitsende redevoeringen, al dan niet met een hevig uithalende Hitler. Goebbels had vooral een bijzondere voorliefde voor het medium film, maar beschouwde het als een ontspanningsmedium, zeer geschikt voor operette, romantische heimatverhalen en Blut und Boden-kitsch. (Hij hield nog het meest van de sterretjes die de filmstudio's bevolkten, vandaar zijn bijnaam 'der Bock von Babelsberg', naar de bekende studio'.) Maar hoe is het mogelijk dat de Olympische Spelen onder dit regime in Berlijn konden plaatsvinden? Heel eenvoudig: de Duitse hoofdstad was aangewezen voor 1916, maar toen was de Eerste Wereldoorlog in volle gang. Na de oorlog mocht een Duitse stad de Spelen beslist níét organiseren. Het werd eerst Antwerpen, dan Parijs, Amsterdam, Los Angeles... Het Internationaal Olympisch Comité (IOC), onder het voorzitterschap van de Belg Henri de Baillet-Latour, besliste in 1931, dus vóór Hitler aan de macht kwam, de Spelen toe te kennen aan Berlijn. Als een vorm van Wiedergutmachung én om de wereld te laten zien dat alles weer normaal was. Niet iedereen was het daarmee eens. Vanaf 1933 immers mochten Joodse atleten de sportvelden niet langer betreden. In 1935 dreigde daardoor een boycot vanwege de Verenigde Staten, Frankrijk en Nederland tegen de Spelen van Berlijn. De Spaanse tegenkandidatuur werd wegens de dreigende burgeroorlog in dat land afgewezen. Uiteindelijk liet Hitler enkele Joodse atleten toch deelnemen. Hij beloofde het olympische charter te respecteren en geen politieke redevoering te houden. In Berlijn verdween - voor de duur van de Spelen - alles wat op Jodenhaat wees. De voorzitter van het Duits Olympische Comité, de Jood Théodore Lewalt, mocht aanblijven. Het bleek te overtuigen. De voorzitter van het Amerikaans Olympisch Comité Avery Brundage (olympiër in 1912 en IOC-voorzitter van 1952 tot 1972) had na een bezoek aan Berlijn in 1934 verzekerd dat Joodse atleten fair zouden worden behandeld. Geruchten over het tegendeel noemde hij een jaar later 'een joods-communistische samenzwering'. Hij heeft dat tot het einde van zijn dagen volgehouden. Vrijwel alle landen waren het er na afloop over eens dat Berlijn 1936 de mooiste Spelen uit de geschiedenis waren. Zo vredelievend was het in werkelijkheid niet. De Jodenhaat bleef, zij het niet openlijk. Uiteindelijk werden amper twee atleten van Joodse afkomst, beiden sterren in hun vakgebied, geselecteerd voor het Duitse team: ijshockeyer Rudi Ball en de schermster Helene Mayer. In beide gevallen ging het om een Duitse windowdressing, die de internationale kritiek moest temperen. Mayer zou een zilveren medaille winnen en bracht op het podium - de swastika om de arm - de Hitlergroet. Volgens sommige bronnen probeerde ze zo de toekomst van haar familie veilig te stellen. De Joods-Duitse hoogspringster Gretel Bergmann, nationaal recordhoudster met 1,60 meter, kreeg twee weken voor de opening van de Spelen te horen dat ze op grond van haar recente prestaties niet kon deelnemen. Uiteindelijk veroverden twaalf Joodse atleten van uiteenlopende nationaliteiten - onder wie dus ook de Duitse schermster Mayer - een medaille. Twee dagen na het einde van de Spelen, nadat het olympische gezelschap was vertrokken, begon de discriminatie tegenover de Joden opnieuw. Wolfgang Fürstener, verantwoordelijke voor het olympisch dorp, werd vanwege zijn Joodse afkomst al na een paar dagen ontslagen. Hij pleegde zelfmoord. Twaalf niet-Duitse Joodse deelnemers aan de Olympische Spelen van 1936 werden tijdens de Holocaust vermoord. NA DE SPELEN GING DE TECHNISCHE ONTWIKKELING VAN DE TELEVISIE ONVERMINDERD VOORT. VOLGENDE WEEK: BEZET PARIJS KIJKT NAAR DE DUITSE TELEVISIE.DOOR HUIB DEJONGHE