Eind 1991 probeerde Guy Verhofstadt al eens een rood-blauwe regering op de been te brengen. Dat mislukte onder andere omdat, zo beweren toch Boudewijn Vanpeteghem en Olivier Mouton in hun eerder dit jaar verschenen Verhofstadt-biografie Numero Uno, koning Boudewijn bezwaar maakte tegen de kandidaat-premier, de Vlaamse socialist Willy Claes. De biografen piekeren zich suf over de reden van - als het inderdaad zo was - dit veto. Claes was tenslotte altijd een vriend van het Hof. Behalve dat de strengkatholieke koning vast niet erg hoog opliep met een regering zonder christen-democraten, hadden Vanpeteghem en Mouton nog een andere verklaring moeten overwegen.
...

Eind 1991 probeerde Guy Verhofstadt al eens een rood-blauwe regering op de been te brengen. Dat mislukte onder andere omdat, zo beweren toch Boudewijn Vanpeteghem en Olivier Mouton in hun eerder dit jaar verschenen Verhofstadt-biografie Numero Uno, koning Boudewijn bezwaar maakte tegen de kandidaat-premier, de Vlaamse socialist Willy Claes. De biografen piekeren zich suf over de reden van - als het inderdaad zo was - dit veto. Claes was tenslotte altijd een vriend van het Hof. Behalve dat de strengkatholieke koning vast niet erg hoog opliep met een regering zonder christen-democraten, hadden Vanpeteghem en Mouton nog een andere verklaring moeten overwegen. Een goed jaar eerder had zich namelijk een incident voorgedaan. Toen lekte uit dat Boudewijn een brief had geschreven aan de toenmalige premier Wilfried Martens (CVP), met de bede een bijzondere inspanning te doen ten gunste van het zeer katholieke, maar bedreigde regime van Rwanda. De zaak maakte veel ophef, ook omdat het lek zich ongetwijfeld in de regeringstop situeerde. De 'schuldige' werd nooit publiek met name genoemd, maar de verdenkingen gingen al snel de richting uit van de toenmalige vice-premier Willy Claes. Het Hof tilde zwaar aan de zaak, zo valt af te leiden uit de verontwaardiging waarmee Boudewijns voormalige kabinetschef André Molitor de zaak te berde bracht in zijn boek La fonction royale en Belgique (1994): 'de minister in kwestie had met- een ontslag moeten nemen' voor deze 'zware inbreuk op de ministeriële deontologie' û il n'en fit rien. Zoals bekend heeft 'Laken' nu eenmaal een olifantengeheugen. Wie het daar verkorven heeft, moet er niet op rekenen om snel weer in de gratie te komen. Dat kan dus Claes' gemankeerde premierschap verklaren. Berucht is bijvoorbeeld de welhaast onredelijke wrok die het Paleis decennialang koesterde tegen al wie het tijdens de Koningskwestie van de late jaren veertig had gewaagd om kritiek te hebben op Boudewijns vader Leopold III. Het curieuze aan deze zaak is niet zozeer dat Boudewijn die brief had geschreven. Het is tenslotte zijn recht, ja zijn opdracht om voortdurend contact te onderhouden met 'zijn' ministers en om hen, zoals dat heet, te consulteren, raad te geven en zo nodig te vermanen. Het zegt veel over de evolutie van het politieke denken over de koninklijke rol dat een groot deel van de publieke opinie zijn brief interpreteerde als een onrechtmatige poging tot beïnvloeding van de politiek. De Belgen zijn misschien wel republikeinser dan ze zelf wel denken. Molitor zag in de zaak een bewijs van de 'totale onwetenheid' over de aard van de contacten tussen koning en regering en over het 'noodzakelijkerwijs vertrouwelijke karakter' van die contacten. Molitors boek, waarvan de eerste editie in 1979 verscheen, is een klassieker. De auteur wist waarover hij sprak; hij diende Boudewijn als kabinetschef van 1961 tot 1977 en deed dat met veel wijsheid. Dat had de monarchie ook nodig, na de schade die het instituut zichzelf in de Koningskwestie had toegebracht. Er kan maar sprake zijn van een succesrijk koningschap wanneer de koning boven elke polemiek verheven blijft - en dat principe was toen ernstig geschonden. Daarom mag de kroon nooit 'ontbloot' worden en moet elke politieke daad van de vorst door de regering zijn 'gedekt'. Het gevolg daarvan is, zo benadrukt Molitor, dat een Belgische koning over een slechts beperkte persoonlijke macht beschikt. Slechts op twee momenten in het politieke leven treedt de koning daadwerkelijk autonoom op: bij het al dan niet aanvaarden van het ontslag van een regering (hij kan dat eventueel weigeren of in beraad houden) en bij het benoemen van een informateur of formateur. Maar dan nog kan hij daarbij nooit buiten de politieke feiten zoals ze zijn. Een koning moet dus 'realistisch' zijn. Wat hij er verder privé over denkt, doet er niet toe. Desnoods moet hij wetten en besluiten maar tegen zijn zin ondertekenen. Met die 'frustratie', aldus Molitor, 'wordt te weinig rekening gehouden'. Dat verklaarde ook de consternatie in 1990 rond Boudewijns - door Molitor besmuikt 'ongebruikelijk' genoemde - weigering om de pas gestemde abortuswet te ondertekenen, die alleen met een ingewikkelde truc kon worden omzeild. Dat dit ernstige incident er toch niet toe leidde dat de koninklijke functie werd gewijzigd, bewijst volgens Molitor hoe nauw het allemaal luistert: hier zijn fragiele evenwichten in het geding. Hij citeerde al met instemming Montesquieu: dat een grondwet het best zo weinig mogelijk en alleen 'met trillende handen' wordt veranderd. Voor de rest hangt het allemaal af van de evolutie in de tijd en van de persoonlijkheid van de vorst. Wat het eerste betreft, is de trend duidelijk. De bevoegdheden die de grondwet aan de koning toeschrijft, worden steeds meer louter formeel ingevuld. De macht is helemaal naar de verkozen politiek verschoven. Stelt de grondwet bijvoorbeeld dat de koning de ministers benoemt (en ontslaat), bij de jongste regeringsvorming bleek duidelijker dan ooit tevoren dat hij daar in het geheel niets aan te zeggen heeft. Verhofstadt heeft zich nog moeten reppen om ervoor te zorgen dat koning Albert tenminste nog 'de primeur' van het namenlijstje kreeg en het niet uit de krant moest vernemen. Boudewijn placht zich daar nog druk over te maken, bijvoorbeeld toen premier Wilfried Martens in 1980 drie onwillige FDF-ministers uit zijn regering gooide, vooraleer de vorst hen formeel had kunnen ontslaan. De persoonlijkheid van de koning is net van belang omdat de koninklijke functie ingebed ligt in de schemerzone tussen de letter van de wet en de politieke praktijk. Het is duidelijk dat het Boudewijn niet aan ambitie ontbrak, zeker niet in de tweede helft van zijn bewind. Hij startte in 1950 als een plichtsbewust, maar vooral jong en onervaren broekje, toen hij nog geheel onder invloed stond van zijn vader en zijn stiefmoeder, prinses Lilian, die trouwens op het kasteel van Laken waren blijven wonen. Hij verwierf zijn zelfstandigheid pas na zijn huwelijk met Fabiola in 1960. Bleef hij naar buiten politiek in de luwte, rond de onafhankelijkheid van Congo in datzelfde jaar speelde hij niettemin al een essentiële politieke rol, met zijn steun aan de Katangese secessie van Moïse Tshombé en de daarmee verbonden economische belangen en met zijn aversie jegens de Congolese premier Patrice Lumumba. Hij trachtte toen zelfs de zittende regering te vervangen door een andere, die zijn plannen gunstiger gezind was. Maar hij durfde het, dankzij het verzet van de toenmalige premier Gaston Eyskens (CVP), toch niet aan zijn grondwettelijke recht om de regering te ontslaan ook daadwerkelijk uit te oefenen. Boudewijn beschouwde Congo lange tijd als een geprivilegieerd terrein, des- noods tegen de regering in. Tot in de jaren tachtig beval hij Belgische ambassadeurs in Kinshasa om hun rapporten eerst naar het paleis te sturen; er was een formeel verbod vanwege Buitenlandse Zaken nodig om daaraan een eind te stellen. En de benoeming van nieuwe ambassadeurs in Congo (maar ook elders) kon moeilijk zonder voorafgaandelijke instemming van Boudewijn. Zo niet liet hij de benoemingsbesluiten, die hem ter ondertekening werden voorgelegd, onaangeroerd in zijn lade liggen. Boudewijns bijzondere belangstelling voor Congo vloeide voort uit een conservatief-paternalistisch gekleurd, familiaal plichtsbesef. Hij wilde het 'beschavingswerk' vrijwaren dat zijn voorganger Leopold II was begonnen en verwachtte daarvoor veel van de Congolese dictator Joseph-Désiré Mobutu. Die inmenging kleurde ook af op de officiële Belgische Congopolitiek, wat pas veranderde nadat het dolgedraaide Congolese regime aan het eind van de jaren tachtig openlijk alludeerde op 'pikante geheimen in de gangen van het koninklijk paleis'. Doordat Boudewijn zich daardoor zwaar beledigd voelde, kreeg ook de regering de kans om afstand te nemen van het Mobuturegime. Dat laatste geeft een indicatie van de geheel informele macht, de invloed die Boudewijn uitoefende. Op zichzelf is daar, constitutioneel, niets fout aan, aangezien de koning permanent in dialoog moet blijven met zijn ministers en hen dus zijn wijsheid niet mag onthouden. Daarin speelt 's konings persoonlijkheid haar rol. Zeker in de jaren tachtig kon Boudewijn op de politiek wegen omdat hij nu eenmaal de meest ervaren 'politicus' van het land was. Hij torste tenslotte al de kroon op een moment dat de politici van toen nog de korte broek droegen. Die opgestapelde ervaring motiveerde hem in zijn ambities. Naarmate hij pessimistischer aankeek tegen de wereld in het algemeen en tegen België in het bijzonder, vond hij dat hij niet langer afzijdig mocht blijven. Hij had, zo bleek bijvoorbeeld uit zijn toespraken, grote moeite met de federalisering van het land en met wat hij aanzag als het verval van de publieke moraal. Boudewijns politieke bewegingsruimte kon evenwel nooit groter zijn dan wat de politiek hem toestond. Het staat de politiek altijd vrij om al dan niet in te gaan op 's konings wensen. De koning kan bijvoorbeeld geen enkel politiek ve- torecht inroepen - tenware de politici dat aanvaarden. De halfslachtigheid van de Congopolitiek bij momenten of, postuum dan, de schimmigheid waarin het klooster van Opgrimbie tot stand kwam, tonen aan dat niet elke minister evenveel moed kon opbrengen. De vrees om 'Laken' te mishagen - en zo uit de koninklijke gratie te vallen - was altijd groot. Hoe ver Boudewijns invloed precies strekte, valt nooit te achterhalen, aangezien die verborgen blijft onder de verplichte geheimhouding van de colloque singulier tussen koning en regering, een indiscretie hier of daar niet te na gesproken. Die vaagheid verschafte Boudewijns feitelijke macht een haast occult en zelfs intimiderend karakter. Slechts weinig politici voelden zich bijvoorbeeld geroepen om uiting te geven aan hun eventuele republikeinse overtuiging, uit vrees dat de koning hen daardoor nooit tot minister zou benoemen. En Boudewijn eiste én verkreeg inderdaad soms een feitelijk vetorecht. Daardoor konden voorstanders van een liberalisering van abortus, zoals de socialisten Willy Calewaert of Roger Lallemand, of een Vlaams-nationalist als Frans Van der Elst nooit minister van Justitie worden. Van Boudewijn was ook bekend dat hij het traditionele huwelijk verre verkoos boven het concubinaat, wat verklaart waarom een ongehuwd samenwonende kandidaat-staatssecretaris in 1973 in zeven haasten trouwde om toch maar benoemd te kunnen raken. Nog in 1991 heerste er twijfel of ongehuwde parlementsleden hun vriend of vriendin wel mochten meebrengen naar een huldiging van de koning in het parlement. Boudewijn had vast niet weinig de wenkbrauwen gefronst als hem was verzocht om een ongehuwde moeder als Freya Van den Bossche (SP.A) in een ministerambt te benoemen. Dat koning Albert daar geen problemen over maakt, getuigt niet alleen van Alberts tolerantere ideeën, maar evenzeer van de gewijzigde, informele machtsbalans tussen de koning en de democratisch verkozen politiek. Het ontbreekt niet aan indicaties over Boudewijns politieke invloed. Dat Sabena decennialang veel overheidsgeld toegestopt kreeg, is mee te verklaren door aandringen vanwege Boudewijn, die deze letterlijke vaandeldrager van België in de wereld niet graag zag verdwijnen. Idem waarom de politiek - een tijdlang toch - werk heeft gemaakt van de strijd tegen de vrouwenhandel. En er bestond ongetwijfeld een goede reden waarom premier Martens na een bemiddelingsronde in het door burgeroorlog geteisterde Rwanda éérst op het koninklijk paleis en pas daarna op de ministerraad verslag ging uitbrengen. Maar het was Martens' persoonlijke keuze (en dus niet Boudewijns 'schuld') om op koninklijke verzoeken daartoe in te gaan. Dat geldt evenzeer voor Boudewijns suggestie dat hij in 1989 nog eens een regering zou leiden, al was hij daar met zijn hart niet bij. Het ontbreekt niet aan speculaties over de flarden informatie die wijzen op Boudewijns aanhoudende pogingen om een politieke rol te spelen. De immer voorzichtige en discrete André Molitor noemt die speculaties 'begrijpelijk'. Maar, voegt hij daaraan toe, 'worden ze gerechtvaardigd door de feiten? Dat moet nog worden bewezen.' Versta: er wordt daarin misschien wat overdreven, maar er zit zeker een grond van waarheid in. Hoeveel? Dat zal hij ons niet vertellen. Marc ReynebeauBoudewijn beschouwde Congo lange tijd als een geprivilegieerd terrein, desnoods tegen de regering in. 'Laken' heeft een olifantengeheugen. Wie het daar verkorven heeft, moet er niet op rekenen om snel weer in de gratie te komen. De koning kan geen politieke rol spelen als de politici hem dat niet toelaten.