Om koningin Victoria te bezoeken neem ik een ferry naar het eiland Wight. Op de kade van Southampton is het pretpark aan zijn winterslaap begonnen; maar de reis naar deze overkant, die Engeland eigenaardig genoeg in een vasteland verandert, heeft alle magie die mijn kinderachtigheid verlangt, want het eiland is smaragdachtig en ook de baai doet mee, met zeilboten en de novemberzon die zilverkrullen van het water schaaft.
...

Om koningin Victoria te bezoeken neem ik een ferry naar het eiland Wight. Op de kade van Southampton is het pretpark aan zijn winterslaap begonnen; maar de reis naar deze overkant, die Engeland eigenaardig genoeg in een vasteland verandert, heeft alle magie die mijn kinderachtigheid verlangt, want het eiland is smaragdachtig en ook de baai doet mee, met zeilboten en de novemberzon die zilverkrullen van het water schaaft. Ik associeer haar altijd met het voorwerp dat in Engeland enigszins idioot thee-gezellig heet, teacosy dus - ongetwijfeld vanwege die enorme jurk waarin ze de voorbije eeuw op schilderijen en foto's heeft nabestaan, maar ook om de knusheid die een regressieve hersenwinding met het Engeland van toen verbindt, en die via de naam Pickwick onlosmakelijk met thee verbonden is. Een reusachtig tijdvak, mits je niet in een arbeidersgezin in Manchester ter wereld was gekomen. Victoria beschikte over de gevoelige inborst van rijke mevrouwen. Na een protestmars van arme lucifermakers in 1873 gaf ze de liberale eerste minister William Gladstone per brief te kennen dat de zogenaamde match tax 'een groot aantal van de allerarmste mensen en kleine kinderen, vooral in Londen' zou treffen. Politiek instinct had ze ook. Geheel terecht was ze bang voor de expansie van het jonge Duitse keizerrijk, waaraan ze overigens zelf de noodzakelijke baarmoeder had geleverd in de persoon van haar dochter Vicky, mevrouw Frederik III van Pruisen, moeder van de latere keizer Wilhelm II. Nee, Victoria betekent nog wel iets anders dan biedermeier, al was het maar omdat ze zo waanzinnig lang op die troon heeft gezeten, vierenzestig jaar, vanaf 1837 - tot ze helemaal scheef hing, voor zover dat mogelijk was voor iemand die op hogere leeftijd vrijwel even breed als lang was. (Elizabeth II kan dit record breken als ze het uithoudt tot 2016.) Osborne House ligt aan de noordkust. Het was haar geliefde woning, haar persoonlijkste huis, datgene wat nog het meeste op de cottage van de modale welgestelde Engelsman van haar tijd leek, maar dan honderdvijftig keer zo groot. Er hoort een streng gebrilde mevrouw bij, historisch uitstekend geïnformeerd, maar helaas geschoold in onafschudbaarheid. 'Welkom in Victoria's huisje aan zee', zegt ze in ruil voor mijn kaartje. In een dagboekaantekening uit 1853 schrijft Victoria dat de situatie met Albert (haar prins-gemaal sinds 1840) heel anders is dan die van andere paren, want 'hij woont in mijn huis, niet ik in het zijne'. Als je huis interpreteert als familie klopt dat - maar haar 'lieve mooie Osborne House' was het hoogstpersoonlijke project van haar echtgenoot. Ze hadden het oorspronkelijke buiten in 1845 voor 26.000 pond gekocht, maar dat telde slechts zestien slaapkamers, en dus werd het afgebroken. In plaats ervan liet Albert zijn persoonlijke interpretatie van een Italiaans palazzo verrijzen, voorzien van alle moderne comfort, als in een hedendaagse reisbrochure: zo kreeg het gebouw centrale verwarming, wat toen een extravaganza was, maar na honderdvijftig jaar nogal kleinburgerlijk klinkt. Hoe merkwaardig, denk ik, op strategische afstand van mijn groep door een boulevard van een gang wandelend, langs een bevroren mars van Romeins bedoelde negentiende-eeuwse beelden: ben ik in een paleis, kom ik dat als eerste woord tegen. Het dartelt de Grand Corridor door en vindt andere woorden om mee te spelen, Pompeus en Smakeloos en, onvermijdelijk, victoriaans. 'Gaf ze haar kinderen de borst?' vraagt een dame plotseling boven de gids uit, die aan de voortplantingsgeschiedenis van de familie is begonnen. Nee, maar toen haar dochter Alice dat wel deed, noemde Victoria prompt een koe naar haar. Dat was nog niet zo gek, want al die onderling doorgekweekte Europese vorsten hebben wel iets van stamboekvee - maar in mijn geconditioneerde kop wekt die anekdote onmiddellijk de vraag of Wilhelm de Tweede als baby ook aan de Britse monarchie gesabbeld heeft. Nu, Duitsers zijn het allemaal, ook het huis Hannover, tegenwoordig Windsor geheten. We staan in een vertrek dat uitpuilt van meubilair dat toen nog antiek moest worden, want de victorianen wilden hedendaags zijn, zij het met beschaafde verwijzingen naar de oudheid - de huidige notie van antiek is het buitenechtelijke kind van Nostalgie. Wat mij betreft is dit victoriaanse interieur oud geworden maar lelijk gebleven. In elk geval hoorde ze hier, tussen al die tierelantijnen en muffe draperieën, in 1878 voor het eerst een telefoon rinkelen. Wie zou ze toen aan de lijn hebben gekregen? De exotische joodse eerste minister en romanschrijver Benjamin Disraeli? Hem stuurde ze weleens een boeketje sleutelbloemen, of anders schonk ze hem een Kousenband en een hertogdom. Aan Gladstone daarentegen had ze de pest. Engeland is eerder een conservatief dan een liberaal land, zelfs de socialisten zijn er conservatief. En ik ben het met Victoria eens: liberalen kun je niet vertrouwen, die zijn te glibberig. Soms verandert het gebrek aan intimiteit waarvan dit huis lijkt te zijn gemaakt als bij toverslag in een grandioos uitzicht: ingelijst door een hoog raam is daar opeens het park weer, en die eindeloze groene helling met de boomcoulissen, waartussen het smaakvolle achterdoek van de baai en de haven van Portsmouth is opgehangen. Hiervoor zijn in opdracht van Albert tonnen grond verplaatst, geheel in imperiale stijl, de aarde moest zich maar aanpassen - hij zou het eiland Wight in zijn totaliteit hebben laten verslepen als het uitzicht verderop aantrekkelijker was geweest. Gaande onze tocht begin ik me af te vragen waarom de technologisch angehauchte Albert geen ondergrondse in Osborne House heeft laten aanleggen, want eindeloos dwalen wij, het volk, in dit mausoleum rond, waar bloembedden van tapijten onze stappen dempen in ieder vertrek. benno barnard