Op het Antwerps heeft hij het niet begrepen. Het dialect van de sinjoren dat volgens de humanist Becanus ooit de taal van Adam en Eva was geweest, is van een 'vettige janhagelige opsnijderigheid': 'Op zijn oude dag vertrouwde hij me toe dat het Antwerps het lelijkste, vulgairste en ordinairste dialect was dat hij ooit gehoord had.'
...

Op het Antwerps heeft hij het niet begrepen. Het dialect van de sinjoren dat volgens de humanist Becanus ooit de taal van Adam en Eva was geweest, is van een 'vettige janhagelige opsnijderigheid': 'Op zijn oude dag vertrouwde hij me toe dat het Antwerps het lelijkste, vulgairste en ordinairste dialect was dat hij ooit gehoord had.' Aan het woord is de Brugse vader-timmerman voor wie de in Borgerhout geboren zoon, Joris Note, een monument uit taal heeft opgetrokken, Timmerwerk. Note bewandelt niet de begane paden van de biografie, maar laat zijn vader herleven door de woorden die hij ooit sprak en via de teksten die hij vroeger heeft gelezen. Het leven van Notes vader omspande ongeveer de hele twintigste eeuw. Er vallen dus in Notes reconstructie veel linguïstische exotica te degusteren en er worden ook de meest diverse teksten opgedist: van standaardwerken uit de Mariadevotie tot kranten, reglementen en het burgerlijk mobilisatieboekje voor ambtenaren van vlak voor de Tweede Wereldoorlog ('den overweldiger geenerlei weerstand bieden'). Note neemt een aanloop om het katholieke Brugse milieu te schetsen waarin zijn vader in 1906 geboren werd. Natuurlijk kan die andere Bruggeling dan niet ontbreken, zeker omdat hij Notes onderneming als het ware rechtvaardigt. Gezelle was immers net zo door taal bezeten als Note junior. Ook hij timmerde aan een archeologie van de taal, meer bepaald het West-Vlaams, om op die manier de oerkracht van het leven te kunnen bezweren. En wat voor een leven. Als Note begint te graven in de woordenlijsten van Gezelles Woordentas, blijkt dat Gezelle ook de meest obscene woorden niet uit de weg ging: 'Geen woordeken of woordendeelken mocht verdwijnen.' Vervolgens laat Note een stoet van West-Vlaamse benamingen voor het mannelijke en vrouwelijke genitaal op de lezer los, zoals Gezelle die heeft gebloemleesd en zoals Notes vader die misschien ook ooit heeft gebezigd: ' 'k He hem getoogd, hij bult al, 'k he m'ne gaai afgespeeld, mijn hokketokkestokke, mijn wijbewabbewulle, mijn appoertje, mijn pijtje plooi. 'k He me mijn hand aan minen maagdom gevroet. 'k He ze bij heur vrouwvolk gepakt, bij heure fernote. Uwe vinger in uw flijse. Verdeesemen buiten de zak: interruptus. Zijn tapken. He'je van je leven mijne kerel ni gezien? Heur freute, heur pleute. Hij vroeg om mij te bezigen. Een keersesnuiter, een mollegat.' Wie zei er ook weer dat Gezelle of Note lezen saai zou zijn? Dergelijke tekstuele vondsten uit lang vervlogen boekwerken of dialecten zijn Notes waarmerk. Hij legt zich niet toe op het serveren van fraaie anekdotes of melodramatische wendingen uit het leven van zijn vader. Note tracht veeleer de Vlaamse, katholieke en sociale biotoop van zijn vader te reconstrueren door de teksten van toen uit te spitten. Hij gaat daarbij zeer grondig te werk. Wie zijn talige piste volgt, stoot op merkwaardige passages. Note begint, zoals gezegd, bij de Brugse jaren van zijn vader waarin hij vooral inzoomt op het Daensisme en op de verderfelijke rol van de toenmalige conservatieve clerus. Note citeert overvloedig - en hoofdschuddend om zoveel onbegrip voor de volkstaal - uit klerikale banbliksems, zoals uit de toespraak Arm Vlaanderen uit 1913 van pater Desideer Stracke. Stracke had geen goed woord over voor het Vlaamse dialect: 'Tevreden met een klankenkramerij die aantoont hoe de ziel is afgestompt, weet het geen schakering der gedachten te vatten, noch uit te drukken.' Na de Eerste Wereldoorlog wordt Note senior schrijnwerker. Vervolgens trouwt hij en trekt naar Antwerpen om er de rest van zijn leven douanier te zijn. De Tweede Wereldoorlog komt in beeld en Joris wordt geboren. Maar de zoon-biograaf wil de vader niet voor de voeten lopen en gunt zichzelf nauwelijks een blik. De verteller komt slechts zijdelings voor in het stuk, alhoewel hij best in zijn nopjes moet geweest zijn met de boekenkast die zijn vader ooit voor hem heeft getimmerd. Naarmate de eigen tijd dichterbij komt, versnelt de pas van Notes biografisch veldwerk. In een epiloog zet hij de puntjes op de i door een robotfoto te maken van de katholieke, sociaal bewogen flamingant die zijn vader geweest is, samen met vele andere gewone mensen: 'Het centrale personage in zijn mythologie was een eenzame die massa en macht tartte en die daarvoor op zijn kop kreeg. (...) Hij wond zich op over onderdrukte Vlamingen, niet over het onderdrukte Vlaanderen.'Note brengt door het archeologisch portret van zijn vader de era van het flamingantische, katholieke Vlaanderen opnieuw tot leven. Hij heeft lak aan pakkende getuigenissen of sterke verhalen en laat de documenten en de woorden van zijn vader voor zich spreken. Als de verteller de doodsprentjes van zijn overgrootouders en van zijn grootmoeder in handen krijgt, formuleert Note onrechtstreeks zijn eigen programma als biograaf. Hij probeert de kracht van die op het eerste gezicht onpersoonlijke bidprentjes te vatten die vol staan met teksten uit de Schrift of met citaten van heiligen. Note: 'Onpersoonlijk, gewild onpersoonlijk: teksten als masker, als dam tegen gevoelens en feiten.' Note gelooft niet in de waarheid achter het masker, maar probeert wel de grimassen ervan zo uitputtend mogelijk te beschrijven. Wie wil weten hoe het profiel van de katholieke doorsnee flamingant er ooit zou hebben uitgezien, kan in Notes taalcarnaval terecht. Liefhebbers van smeuïge verhalen dienen zich echter te onthouden. Frank HellemansJoris Note, 'Timmerwerk', De Bezige Bij, 288 pag., a 21,50.