DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYEN De tekenen zijn duidelijk, er breekt weer een tijd aan van spanning tussen het Vlaamse en Franstalige politieke milieu. In Wetstraatjargon noemt men dat cyclische verschijnsel graag ?een opstoot van communautaire koorts?. Die omschrijving klinkt geruststellend. Ze houdt in dat het om een verstoring van de goede orde gaat, iets negatiefs dus, maar ook dat het probleem tijdelijk is. In de mate dat het opduikt en telkens weer verdwijnt, zo zeker als een komeet, krijgt het zelfs iets speels. Het valt te herleiden tot een onschuldige vorm van Belgische folklore. Toch hebben veel weldenkende mensen een vage hekel aan het fenomeen. Ruzie maken is zelden aangenaam en bovendien wantrouwt de openbare opinie de motieven van waaruit de twistzoekers hun pikante uitspraken doen. Achter een aanstormende trein kan een andere verscholen zitten. Altijd wanneer een federale regering door interne conflicten vermoeid geraakt of klaarblijkelijk misprezen wordt door de bevolking, wijken politici graag even uit naar ergens een communautair strijdperk. Dan begint bijvoorbeeld José Happart zich als bij toverslag te roeren of gaan andere PS-tenoren wat schelden op het egoïstische en imperialistische Vlaanderen. Ook nu lijkt de tijd weer eens rijp voor een partijtje vuur stoken. Het federale kabinet nadert de eindmeet van de Europese monetaire eenmaking. Over minder dan een jaar valt de beslissing welke Unie-lidstaten meteen tot de nieuwe muntzone zullen kunnen toetreden. Naar alle verwachting zal België tot die club behoren, waarna een grote opluchting zich van de nationale goegemeente mag meester maken. Korte tijd later kunnen daar echter moeilijkheden van komen, waarop de politieke partijen zich nu al voorbereiden. Want wanneer de magische euro eenmaal op zak is, verliest de coalitie het enige cement dat haar nog samenhoudt. Nu worden in de schoot van de regering nog vrijwel alle geheime tegenstellingen en schandalen bevroren, stil gelegd, verzwegen, omzeild, ontkend, vooruit geschoven of onder de mat geveegd. Na de monetaire zegepraal zal dat echter allemaal weer snel voor de dag komen en voor electorale onrust zorgen : het ware aantal werklozen, de nevenkosten van de arbeid, de slappe koffie na afloop van de parlementaire onderzoekscommissies, de pensioenkwestie, de bescherming van misdadigers door hogerhand, de politieke benoemingen, de migranten, de ethische vragen. De oude lijst. Meer in de diepte kan de euro een voor België onoverzichtelijk gevaar afwentelen : het springen van de binnenlandse monetaire unie, door een te groot verschil tussen de Vlaamse en Waalse economische prestaties en het eraan beantwoordende sociale landschap. Tot dusver werd dat verschil met man en macht verdoezeld door de welbekende transfers, een paar honderd miljard die elk jaar van noord naar zuid versast worden. Dat gaat simpel in zijn werk : Wallonië brengt nog een kwart van het BNP voort, maar krijgt een derde van de openbare middelen toebedeeld. In het toekomstige euro-tijdperk komt zowel het Vlaamse als het Waalse geldverkeer onder een multinationaal dak terecht. Dat kan allerlei elegante vormen van sociale en economische boedelscheiding, maar ook van spontane dissidenties vergemakkelijken. Daarom zijn de omstandigheden gunstig voor enig duwen en trekken bij de politieke partijen die aan verkiezingen in 1998 denken. Omdat ze weinig of geen sociaal-politieke thema's kunnen uitspelen (want die liggen nog even onder Europees embargo), verscherpen ze nog maar eens hun regionaal of taalgebonden profiel. Daar hebben ze trouwens objectieve argumenten voor. Zowel Luc Van den Brande als VEV-voorzitter Karel Vinck vertellen zinnige verhalen over hun behoefte aan een welvaartsplan voor de bevolking : met Wallonië als het kan, met Vlaanderen alleen als het moet. In het zuiden kondigen alle partijleiders de banvloek af over die Vlaamse aandrang, en ze weten waarom. Er loopt een vaste, heldere lijn door alle Waalse politiek, namelijk het behoud op leven en dood van de transfers via de klassieke kanalen waarvan de unitaire soiale zekerheid er één is. PS-voorzitter Busquin houdt de resten van zijn partij bijeen met vijandige dreigementen aan het adres van de hebzuchtige noorderlingen. In Namen weigert minister-president Collignon zijn gewest ?tot een Vlaams protectoraat te zien verschrompelen?. PRL-leider Michel verstevigt zijn banden met het FDF en schrijft heel poëtisch over een espace francophone waartoe uiteraard ook veel grondgebied rond Brussel behoort. De PSC van Nothomb bestrijdt de koorts met de zachte geneeskunde van het politieke fatsoen. Dat ontbreekt zogenaamd al te zeer bij de socialisten en dus ook aan de top van de regering die binnenkort nog maar eens ?geëvalueerd? zal worden. Binnen de meerderheid gedragen de Nederlandstalige politici zich over het algemeen behoedzamer. Zij nemen minder risico's, want het ongestoorde behoud van regeringsmacht en coalitie nationaal en gewestelijk een kopie van elkaar is hen kennelijk veel waard. Daarom is zelfs Van den Brande voorzichtig en handig genoeg om zijn Vlaamse beleidsbelangen altijd erg hoffelijk en liefst in een normale economische logica te formuleren. Zijn voorganger Gaston Geens was op dat stuk veel agressiever (?Wallonië gaat dood aan zijn socialisme?). Waarom juist de huidige minister-president ook in eigen streek zo vaak wordt afgeschilderd als een onbezonnen vechtjas, blijft een raadsel. DE EURO KOMT ERMaar dus binnen een jaar of zo kan de euro in ieder geval niet langer dienen als stop op de fles waarin de Vlaams-francofone gisting aan de gang is. Het Dehaene-kabinet zou er eigenlijk belang bij hebben dat die Europese wachtperiode nog wat aansleept. Tot voor kort was die kans op verlengd zelfbehoudreëel. Duitsland en Frankrijk, de grote zingevers aan het monetaire project, leken de beruchte Maastricht-normen immers niet langer te kunnen halen. Hun begroting en binnenlandse politiek kwamen onder zware druk. Zowel in Parijs als Bonn-Berlijn begint men echter slimme kunstgrepen toe te passen. Chirac ontbond zijn parlement om elk voortijdig debat over de euro de pas af te snijden. En Helmut Kohl laat onder meer zijn goudvoorraad zo zwaar opwaarderen in de bondsboekhouding dat hij plotseling veel rijker is dan gisteren. De euro komt er wel degelijk. En meteen nadien het gedonder in de Belgische glazen.