Jezuïeten in Vlaanderen. Je hoort er nog nauwelijks van. Hoogstens vind je ze in de overlijdensberichten in de krant. Toch zijn de kerkelijke stoottroepen van weleer nog lang niet uitgeteld. Hoewel hun aantal zienderogen kleiner wordt, zetten zij nieuwe projecten op. De strategie is gewijzigd. 'Mensen komen niet meer naar ons, zoals vroeger. Wij stappen nu zélf naar hen toe. Wij zijn er misschien iets minder vóór hen, maar we willen des te meer mét hen zijn', zo kan je de visie van Mark Rotsaert (60) samenvatten.
...

Jezuïeten in Vlaanderen. Je hoort er nog nauwelijks van. Hoogstens vind je ze in de overlijdensberichten in de krant. Toch zijn de kerkelijke stoottroepen van weleer nog lang niet uitgeteld. Hoewel hun aantal zienderogen kleiner wordt, zetten zij nieuwe projecten op. De strategie is gewijzigd. 'Mensen komen niet meer naar ons, zoals vroeger. Wij stappen nu zélf naar hen toe. Wij zijn er misschien iets minder vóór hen, maar we willen des te meer mét hen zijn', zo kan je de visie van Mark Rotsaert (60) samenvatten. Mark Rotsaert: Die gegevens dwingen ons onherroepelijk tot herstructurering. Zo hebben we drie huizen laten inrichten, speciaal voor opvang van oudere en zieke medebroeders. Ook zijn al enkele huizen gesloten en er zullen er nog volgen. Het blijft gelukkig niet bij afschaffen alleen. We bundelen onze actieve krachten in een paar apostolische gemeenschappen. Een dubbele as dwars door Vlaanderen: van west naar oost - met Brugge en Godsheide-Hasselt - en van noord naar zuid - met Antwerpen, dat de grootste concentratie aan actieve Vlaamse jezuïeten kent, naar Leuven en Brussel. Op het snijpunt ligt Mechelen. Rotsaert: Op de as west-oost ligt de klemtoon op pastoraal en spiritualiteit, deels ook op sociaal engagement. In Inigo, in Brugge komen die drie elementen het duidelijkst aan bod. De pastoraal loopt er via verzorgde liturgie. Spiritualiteit zit in het geven van 'geestelijke oefeningen', onder meer aan mensen die volop in het werk staan en gedurende enkele maanden dagelijks wat tijd nemen voor bezinning en gebed. De sociale inzet blijkt dan weer uit het feit dat daar in huis vier of vijf jonge mensen wonen, die net uit de gevangenis ontslagen zijn en tijdelijk een bufferperiode nodig hebben, vooraleer terug in het gewone maatschappelijke leven te stappen. Nieuw in het Centrum voor Ignatiaanse Spiritualiteit in Godsheide zijn - naast klassieke initiatieven van retraites, bezinningsdagen en conferenties - weekends rond 'geloof en cultuur'. Sinds een paar jaar wordt het aanbod naar buiten uitgebreid. Om de drempel naar spiritualiteit te verlagen, stapt een team van medewerkers zelf naar parochies. Bedoeling is mensen meer vertrouwd te maken met het evangelie en hen beter te leren bidden. In de mate van het mogelijke gebeurt dat in individuele gesprekken en begeleiding. Iets soortgelijks vindt vanuit Brugge en bij studenten in het Leuvense plaats. We gaan dus op drie plaatsen in Vlaanderen op die manier zelf naar de mensen. Zo bereiken we een ruimer en meer gevarieerd publiek dan in spiritualiteitcentra, zonder het persoonlijke contact in de begeleiding uit het oog te verliezen. Op de as noord-zuid is de invalshoek cultuur. Bovenaan ligt Antwerpen, met de UFSIA en het maanblad Streven, onderaan heb je het nieuwe provinciaalhuis in Brussel en onze aanwezigheid aan de KU Leuven. Bij de UFSIA blijven we inspanningen leveren om de drie bestaande instellingen tot één enkele Universiteit Antwerpen, met een inhoudelijk pluralistisch karakter om te bouwen. Twee jaar geleden hebben we het initiatief genomen om de kar van de eenmaking te trekken. Als eerste heeft de UFSIA toen een memorandum opgesteld met de grondlijnen en voorwaarden voor één inhoudelijk pluralistische universiteit. Iets anders dan een rijksuniversiteit, waarvan niemand goed de filosofische ondergrond en de levensbeschouwelijke opvatting kan herkennen. Wij willen een universiteit waarin verschillende levensopvattingen echt en oprecht naast elkaar een plaats hebben en met elkaar in gesprek komen. De gesprekken tussen de drie instellingen geven blijk van een hoog niveau van dialoog. Een akkoord is in zicht. De vraag zal zijn of en hoe de Vlaamse regering aan dat voorstel tot integratie haar goedkeuring zal hechten. Het andere luik in onze dubbele strategie bij UFSIA is het nieuwe, onafhankelijke Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen (UCSIA), dat blijvend gestalte wil geven aan een jezuïtisch universitair project, aan academische activiteiten van vorming, reflectie en sociale inzet, in dienst van geloof en rechtvaardigheid. Het initiatief ging uit van leken binnen de UFSIA, met de bedoeling om de inspiratie van de jezuïeten, die gedurende anderhalve eeuw in Antwerpen onderwijs hebben gegeven, voort te zetten. Richtsnoer voor de uitbouw vormen de belangrijke decreten van de laatste drie algemene congregaties van de Sociëteit van Jezus, namelijk die over geloof en rechtvaardigheid, over geloof en cultuur, en over de dialoog met andere godsdiensten. Officieel is dit UCSIA op 1 juli boven de doopvont gehouden. We moeten nog wel op zoek naar een directeur. Of dat een jezuïet of een leek zal zijn, staat nog helemaal niet vast. Voor Antwerpen vermeld ik ook nog de communiteit van Romero, waar de redactie van Streven gevestigd is en waar ook jezuïeten wonen, die aan de UFSIA les geven. Regelmatig houden zij bijeenkomsten met medebroeders, die in Leuven of Hasselt werken. Ze vormen onze think tank rond hedendaagse vragen van geloof en cultuur. Contact met de academische wereld hebben we uiteraard ook in Leuven. Binnen de KU Leuven waren de jezuïeten de voorbije zeven jaar drijvende kracht achter het Open Jaar, een 'brugjaar' tussen secundair onderwijs en universiteit. Die werking wordt nu, enigszins gewijzigd, verder gezet in het Dondeynehuis, waar studenten uit verschillende faculteiten en jaren een gemeenschap vormen en, naast hun gewone curriculum, lessen uit een huispakket volgen. Op dezelfde noord-zuidas ligt het dienstenhuis Arrupe in Brussel. Daar zijn het provincialaat van de Vlaamse jezuïeten, het economaat, de missieprocuur en de hoofdzetel van het Centraal Beleid van de Colleges (Cebeco) ondergebracht. Rotsaert: Er zijn nog zeven Vlaamse jezuïetencolleges. Maar onze aanwezigheid is lang niet meer wat ze vroeger was. Overal is de directeur nu een leek. In slechts vier colleges zijn één of meer jezuïeten actief bij de dagelijkse schoolactiviteiten betrokken. Juridisch vormt elk college een onafhankelijke vzw, met een eigen raad van bestuur. Zo'n vijftien jaar geleden is Cebeco opgericht als juridische koepel. Dat draait goed. Intussen zijn leken opgenomen, eerst in de algemene vergadering, sinds kort ook twee in de raad van bestuur. Vanaf 1 januari 2003 zal trouwens een leek de voornaamste functie - afgevaardigde van de provinciaal - waarnemen. Alles samen zijn zes jezuïeten voltijds bezig met het beleid van de zeven colleges. Eén van hen is verantwoordelijk voor de directies van zowel secundair als lager onderwijs en brengt de directeurs regelmatig samen. Een andere staat in voor pastoraal en godsdienstlessen in het secundair onderwijs. We hebben ook een eigen dienst voor begeleiding, wat vroeger 'inspectie' heette, met voor elk vak een afzonderlijke begeleider. Rotsaert: Die samenwerking bestaat in verschillende vormen en eigenlijk al lang. Denk aan leerkrachten op onze colleges. Of aan de Gemeenschappen voor Geestelijk Leven, groeperingen van leken die vanuit een ignatiaanse spiritualiteit willen leven, regelmatig samenkomen en sociale projecten opzetten. Stilaan groeien nieuwe vormen van samenwerking tussen jezuïeten en leken. Zo is er een groepje van zeven leken, die uitdrukkelijk een hechtere verbondenheid met de Sociëteit van Jezus vragen. Zij komen regelmatig met drie jezuïeten samen in wat wij een dwarsverband noemen. We weten nog niet precies wat het zal worden, maar er is iets aan het groeien. Of het ooit tot een juridische band komt, zoals op sommige plaatsen in Europa, vind ik bijkomstig. Iets anders is dat wat in de Oude Abdij van Drongen gebeurt. Daar zijn drie koppels, waarvan twee met kinderen, komen inwonen. Hoewel slechts enkelen rechtstreeks bij de werking van het bezinningscentrum betrokken zijn, dragen zij die allemaal samen. Het is een project van leken, waaraan één of twee jezuïeten meewerken. Daarnaast is er ook een groep van vier jezuïeten en vier leken, die nu al vier jaar lang de 'geestelijke oefeningen' geven en maandelijks in de Oude Abdij samenkomen. Rotsaert: In Vlaanderen bieden zich momenteel geen kandidaten aan. Als dan toch iemand zou komen, is het zaak om eerst uit te maken of hij inderdaad tot het religieuze leven geroepen is. Is dat zo, dan zal ik natuurlijk niet zeggen: 'Werk maar liever als leek met ons mee.' Als hij een roeping heeft, neem ik hem aan. Tegelijk zal ik hem duidelijk maken dat hij intreedt in een internationale Sociëteit en dat hij een groot deel van zijn vorming ergens in Europa zal doormaken. Rotsaert: Het langst en het meest werken wij samen met Nederland. Die samenwerking kreeg in 2001 structureel vorm, doordat twee afgevaardigden van beide provinciaals benoemd werden, elk voor een bepaald domein in de twee provincies. De eerste is een Nederlander, verantwoordelijk voor spiritualiteit, de tweede is een Vlaming, verantwoordelijk voor de apostolische werken. Tussen Vlaanderen en het Zuiden - dat is Franstalig België en Luxemburg - loopt het niet zo vlot. Van alles wat er tien, vijftien jaar geleden aan gemeenschappelijke werkgroepen, onder meer over sociaal apostolaat en jeugdwerking, is opgebouwd, bestaat nu nog nauwelijks iets. Vooral het samengaan met Nederland lijkt bij onze Franstalige medebroeders moeilijk te liggen. Met de Franstalige jezuïeten werken wij wel goed samen in het erg gespecialiseerde werk van de Bollandisten en in de Vluchtelingendienst JRS Belgium. Rotsaert: Europa is nog altijd het continent met het grootste aantal jezuïeten. Dat zijn er om en bij de 7000. Ze zijn opgedeeld in 28 provincies en één onafhankelijke regio, Rusland. Het gaat meestal om oudere medebroeders, maar toch ook om zo'n 700 jongeren in opleiding, met een sterke concentratie in Polen. Hoe verscheiden de situatie en de mentaliteit ook zijn, we kunnen niet zonder samenwerking. Kernvraag lijkt me: 'Wat kunnen we beter doen, als we het samen doen?'Ik zie twee sectoren. Ten eerste is er de problematiek rond migratie. Alle landen en alle provincies hebben ermee te maken, niet alleen in West-Europa maar ook in Centraal- en Oost-Europa. Ik merk dat jezuïeten er overal mee bezig zijn. Of het nu gaat om asielzoekers of migranten, politieke of economische vluchtelingen, lijkt me in de huidige Europese context minder essentieel. Belangrijk is dat wij voor hen iets doen en dat wij het samen doen. Het is immers een levensgroot probleem, dat geen uitstel duldt. Tweede sector is het brede domein van 'geloof en cultuur'. De vraag kwam het eerst naar boven in West-Europa. Op een bijeenkomst in Malta bleek dat zowat overal de eerste apostolische prioriteit met het samengaan van geloof en cultuur te maken heeft. Intussen blijkt die vraag ook in Centraal- en Oost-Europa op te duiken. Besprekingen over toenemende secularisatie monden er bijna vanzelf uit in vragen omtrent geloof en cultuur. Het is nog niet duidelijk welke initiatieven wij op Europees vlak zullen nemen, maar er is in elk geval een dynamiek gegroeid, die een echte uitdaging inhoudt. Rik De Gendt'Wij willen een universiteit waarin verschillende levensopvattingen naast elkaar een plaats hebben en met elkaar in gesprek komen.'