Als je de zestig nadert begin je aan je memoires te denken. Paul Koeck die er volgend jaar zestig wordt, is nog niet aan een autobiografie toe maar ondernam met De bloedproever toch een gecamoufleerde poging tot zelfbepaling. Het hoofdpersonage lijkt als twee druppels water op de auteur zelf. Niet alleen heet hij Paul maar, zoals de echte Koeck, is hij een soort van Bekende Vlaming die zijn eigen talkshow heeft. Hij bezit eveneens een optrekje in Spanje waar hij als architect op adem kan komen. Door een samenloop van omstandigheden raakt hij opnieuw verstrikt in een kermisattractie uit zijn Nielse jeugdjaren. In een tent zag hij toen een heuse bloedproever aan het werk die via een speldenprik en korte degustatie de toekomst van het proefkonijn in kwestie voorspelde. Vlad, de vampier-voorspeller, sleurt hem jaren later mee in een avontuur dat begint met een zoektocht naar zijn eigen identiteit en eindigt met een bizarre uitstap in de exotische wereld van de bloedmaffia.
...

Als je de zestig nadert begin je aan je memoires te denken. Paul Koeck die er volgend jaar zestig wordt, is nog niet aan een autobiografie toe maar ondernam met De bloedproever toch een gecamoufleerde poging tot zelfbepaling. Het hoofdpersonage lijkt als twee druppels water op de auteur zelf. Niet alleen heet hij Paul maar, zoals de echte Koeck, is hij een soort van Bekende Vlaming die zijn eigen talkshow heeft. Hij bezit eveneens een optrekje in Spanje waar hij als architect op adem kan komen. Door een samenloop van omstandigheden raakt hij opnieuw verstrikt in een kermisattractie uit zijn Nielse jeugdjaren. In een tent zag hij toen een heuse bloedproever aan het werk die via een speldenprik en korte degustatie de toekomst van het proefkonijn in kwestie voorspelde. Vlad, de vampier-voorspeller, sleurt hem jaren later mee in een avontuur dat begint met een zoektocht naar zijn eigen identiteit en eindigt met een bizarre uitstap in de exotische wereld van de bloedmaffia. Koeck weet zijn queeste naar zichzelf in een intrigerende fabel te verpakken waarin naar het einde toe blijkt dat niemand is voor wie hij zichzelf houdt. De protagonist die tijdens zijn lange, eenzame autoreizen naar Spanje zich graag liet meenemen door de "inhoudsloze zeepbelletjes" van zijn herinnering, komt van een kale reis thuis. In zekere zin blijkt zijn eigen familiale identiteit één gigantische zeepbel. Het bloed daarentegen kruipt waar het niet gaan kan. Bloed liegt niet, zo lijkt Koeck te suggereren. En daar kan geen herinneringskunstenaar tegen op. Koeck doet zijn best om de lezer in spanning te houden terwijl hij zijn hoofdpersonage laat afdalen in zichzelf. Koeck kan zeer scenisch schrijven en begint met een tafereel waar ook zijn tv-serie, Ons geluk, naar het werk van Walschap ooit mee begon. Koeck plaatst de lezer, zoals de kijker destijds, onmiddellijk bij een waterput waar iemand in verdronken is. Maar in tegenstelling tot het tv-feuilleton waar de handeling ongenadig verderstoomde, begint de verteller in het boek zich gedachten te maken bij de leugenachtigheid van foto's in het algemeen en van het geheugen in het bijzonder. Om maar te zeggen hoe tv en literatuur ieder hun eigen logica ontwikkelen. Daarom dat Koeck ondanks al het tv-werk, toch blijft schrijven. Wie hem leest, zal de nuanceverschillen tussen scherm en bladspiegel alleszins beter appreciëren. ANACHRONISTISCHE ROEPINGOok Christine D'haen is gefascineerd door macht en onmacht van de herinnering. Zij was al even de zestig voorbij toen ze begon aan haar autobiografische puzzeltocht. Zwarte sneeuw (1989) was het eerste luik van haar caleidoscopisch zelfportret dat ondertussen gestaag werd aangevuld. De nieuwste aflevering uit haar Dichtung und Wahrheit heet Kalkmarkt 6. D'haen is geen Koeck. Zij is een dichteres pur sang terwijl Koeck het vertellen in het bloed zit: van schrijven voor het toneel tot romanesk vertellen en filmscenario's bedenken. Maar D'haen schrijft even scenisch als Koeck zonder de stukjes echter in elkaar te laten vallen. Bij D'haen gaat het om momentopnames van een bepaalde sensibiliteit op een bepaalde leeftijd. D'haen analyseert haar roeping van dichteres door cruciale ogenblikken in die evolutie onder de microscoop van haar herinnering te houden. Koeck gebruikt de herinnering om door te dringen in de dynamiek van het leven die uiteindelijk de waarheid van het bloed is. D'haen onderzoekt haar anachronistische roeping van moderne dichteres door al even anachronistisch haar leven als het ware uit te zingen. Het melodisch bezweren van haar voorbije leven in klinkende volzinnen brengt haar dichter bij de waarheid van de kunst. Alleen kan de stem die haar voortdrijft, soms ook fout zijn of verstommen: "Ze fluistert ritmische klankenwoorden, maar zo vaak vergist ze zich, dicteert de verkeerde, het duurt lang voor ze de juiste spreekt als ik de onjuiste afwijs, en altijd breekt ze na weinige woorden af, en laat mij wachten, lang, lang, op de volgende." D'haen concentreert zich in deze aflevering van haar herinneringsarbeid op de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog toen ze in Amsterdam, Edinburgh en tenslotte Brussel belandde. Ze gaat op zoek naar het waaien van de creatieve wind. Vooral de evocatie van haar studieverblijf in de Amsterdamse Kalkstraat mag er zijn. Ze beschrijft de initiatierites tot het beoefenen van de poëzie. De koningsweg van de dichtkunst, zo D'haen, is studie: studie van de ouden en imiteren van de klassieke modellen. In een tijd waarin iedereen denkt gedichtjes te kunnen schrijven, doet het deugd om deze Vestaalse maagd van de Dichtkunst met grote D aan het woord te horen. Al wie de pretentie heeft om gedichten te gaan schrijven, zou eerst deze bladzijden luidop voor zichzelf moeten uitscanderen. Alleen in de declamatie komen D'haens woorden tot hun recht omdat D'haen zich in overeenstemming met haar poëtische geloofsbelijdenis laat leiden door de "ritmische klankenwoorden", ook als ze proza schrijft. Haar verslag van Edinburgh is heel wat minder toegankelijk omdat ze deze keer nieuwerwetse telegramstijl gebruikt. In het slot komt D'haen opnieuw tot zichzelf. Ze belandt in Brussel en vertrekt naar Brugge voor een leven als lerares en dichteres. Beide herinneringskunstenaars construeren ieder op hun manier hun eigen waarheid. Koeck kiest voor het leven, D'haen voor de kunst. Maar beiden zijn ze zich ook bewust van het precaire van hun keuze. Bij Koeck loopt het immers slecht af terwijl D'haen ook en sourdine de muze laat buiten waaien. Haar slotscène toont het beeld van een vrouw "een halve eeuw later, na haar verknoeide leven" die op haar ziekenbed nog wil tonen hoe mooi ze er uitziet. Zet D'haen misschien ironisch daarmee haar eigen muze te kijk? Paul Koeck, "De bloedproever", De Bezige Bij, Amsterdam, 371 blz., 790 fr. Christine D'haen, "Kalkmarkt 6", Meulenhoff, Amsterdam, 119 blz., 558 fr.Frank Hellemans