Jean-Jacques Rousseau was het buitenbeentje van de eeuw van de Verlichting. Door zijn denken loopt de rode draad van de natuur.
...

Jean-Jacques Rousseau was het buitenbeentje van de eeuw van de Verlichting. Door zijn denken loopt de rode draad van de natuur.?MEN stelde zich voor dat ik beroepshalve kon schrijven, zoals alle andere letterkundigen, terwijl ik nooit anders dan uit passie wist te schrijven.? Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) werd gedreven door een innerlijk vuur, in dienst van het ware, het goede en het schone. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. In zijn privé-leven bekwam het hem alvast slecht. Verbroken vriendschappen, omdat zijn vrienden hem belogen. Geldgebrek, omdat hij van niemand intellectueel afhankelijk wilde zijn, en dus vaak slechts aan de kost kon komen als kopiist van muziekpartituren. Schuldgevoelens, omdat hij die een schitterend opvoedingsmodel ontwierp zich gedwongen zag om de vijf kinderen die zijn simpelmoedige levensgezellin Thérèse Levasseur hem schonk, van de hand te doen. Ingestorte illusies, omdat de Geneefse republiek waarin hij geboren was niets van hem moest hebben. Een indrukwekkende reeks mislukte amoureuze relaties, omdat geen enkele vrouw beantwoordde aan zijn beeld van de ideale liefde. Van nature bedeesd, geraakte hij op belangrijke momenten niet uit zijn woorden. Maar zijn pen was een raket met drie koppen die hun doel nooit misten. Tegenstanders werden fijngemalen. Uitdagende, soms staatsgevaarlijke denkbeelden werden ontvouwd. Gevoelens en gewaarwordingen werden uitgedrukt zoals alleen literair hoogbegaafden ze even precies, subtiel en gestileerd vermogen uit te drukken. De tegenstanders lieten evenwel niet op hun kop zitten. De politieke en religieuze behoeders van de oude orde verboden zijn boeken. De objecten van zijn hooggestemde gevoelens stelden zijn openhartige avances zelden op prijs. Zo werd Rousseau zijn leven lang opgejaagd, van de ene wijkplaats naar de andere vluchtheuvel, gedragen door een netwerk van welwillende aristocraten en baronessen die de mooie en gevoelige jongen met zijn onbedwingbare tranen en beeldschone frases tegen de boze buitenwereld in bescherming namen. Waar en wanneer hij maar kon, ontweek hij de stad en haar corrupte verlokkingen, en zocht de stilte en de afzondering van de natuur, zijn enige en ware ?cabinet de travail?. Ontgoocheld in mens en maatschappij, bedaard in zijn hevigste gevoelens, ging hij planten en bloemen bestuderen waarvan er sommige verbonden waren met zijn dierbaarste sentimentele herinneringen. De schrijver en filosoof Jean-Jacques Rousseau overleed in Ermenonville terwijl hij de mooiste mijmering van zijn leven aan het papier toevertrouwde. Ze was gewijd aan Madame de Warens, de goede barones die de rol van maman had moeten spelen. MOORDWAPEN.Wat maakte dat de achttiende-eeuwse aristocratie onder Lodewijk XVI in Frankrijk toch zo verzot was op de verlichte geesten die het op haar ondergang gemunt hadden ? ?Een politiek systeem is wellicht het meest in gevaar wanneer zijn meest begunstigde elite ophoudt in zijn legitimiteit te geloven,? schrijft Robert Darnton in ?The Forbidden Best-Sellers of Pre-Revolutionary France?. (Norton Paperback, 1996). Die elite mag de hypersentimentele brievenroman ?Julie ou la Nouvelle Héloise? (1761) van Rousseau meer gesmaakt hebben dan diens ?Du Contrat Social? (1762), de fel ingekorte versie van een lang betoog over de politieke instellingen. Het blijft een feit dat de door de leiders van de Terreur in 1793-1794 in beslag genomen boekenkasten van de upper class vol staken met dit soort livres philosophiques, zoals ook Voltaire, Claude-Adrien Hélvetius of Julien Offroy de La Mettrie er gaarne schreven, en die een breed scala van onderwerpen behandelden. In handen van Maximilien de Robespierre werd ?Du Contrat Social? hoe dan ook een moordwapen. Niet door de passages waar de soevereiniteit aan het volk toegekend wordt in plaats van aan de vorst of de aristocratie. Evenmin omdat vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid volgens Rousseau de pijlers van het sociaal contract behoren uit te maken. Dat zijn tenslotte grondbeginselen van de moderne rechtsstaat. Maar in het boek zitten ook denkbeelden waarmee, in naam van het volk, de Terreur zich dacht te kunnen legitimeren. Het Hoofdstuk VI (?Du pacte social?) van Boek I bevat een cruciale gedachtengang : het komt erop aan, schrijft Rousseau, om een vorm van associatie te vinden waarbij ?iedereen, zich met allen verenigend, toch slechts aan zichzelf gehoorzaamt en even vrij blijft als tevoren.? Het ideaal als het ware. Maar om dit intellectuele trapezewerk tot een goed einde te brengen, is er de algemene wil nodig. Wat is dat dan ? ?Elk van ons brengt zijn persoon in gemeenschap en al zijn macht onder de opperste leiding van de algemene wil ; en wij ontvangen in corps elk lid als ondeelbaar part van het geheel.? De algemene wil is de uitdrukking van de soevereiniteit van het volk. Het particuliere belang moet wijken, en wanneer het dat niet wil, moet het daar de gevolgen van dragen. Tot hoever dat kan gaan, lezen we in Hoofdstuk V (?Du droit de la vie et de mort?) : ?het sociaal pact heeft als doel het behoud van de contractanten. Wie het doel wil, wil ook de middelen, en die middelen zijn niet te scheiden van enkele risico's, enkele verliezen zelfs. Wie zijn leven wil behouden ten koste van dat van anderen moet het ook voor hen geven wanneer het moet. Nu is de burger niet langer rechter over het gevaar waaraan de wet wil dat hij zich blootstelt, en als de Prins hem gezegd heeft : het is passend dat je sterft, dan moet hij sterven ; aangezien het slechts op die voorwaarde is dat hij tot dan toe in veiligheid geleefd heeft, en dat zijn leven niet enkel meer een weldaad van de natuur is, maar een voorwaardelijke gift van de staat.? Ongetwijfeld heeft de Terreur deze passage, die geen concrete voorbeelden levert, op z'n eigen wijze geïnterpreteerd. Overigens werd de democratie als regeringsvorm in ?Du Contrat Social? niet aangeprezen, tenzij voor kleine staatjes. Een groot volk laat het best over zijn soevereiniteit waken wanneer het een ?verkiesbare aristocratie? het land laat besturen. Een elite dus, waartoe Robespierre zich ongetwijfeld zal hebben gerekend. Vrijwel integraal ten slotte, nam hij Rousseaus aanbevelingen inzake de burgerlijke religie over (?De la religion civile?) : ?De dogma's van de burgerlijke religie moeten simpel zijn, klein in aantal, met precisie gesteld zonder uiteenzettingen of commentaren. Het bestaan van de machtige, intelligente, weldoende, voorzienige en voorziende godheid, de heiligheid van het sociaal contract en van de wetten, ziedaar de positieve dogma's. Wat de negatieve dogma's betreft, beperk ik ze tot één enkele. Het is de onverdraagzaamheid : zij past in de culten die wij hebben uitgesloten.? ZONDEVAL.Het was overigens niet echt van harte dat Jean-Jacques Rousseau aan de principes van politiek recht in de civiele maatschappij ging sleutelen. Dat de mens in feite veel beter af was in zijn natuurlijke staat, waar hij in vrijheid kon leven zonder rekenschap te moeten afleggen aan anderen, daar was hij altijd heilig van overtuigd geweest. Hoewel hij deze ideale toestand nooit letterlijk als de oorspronkelijke conditie van de eerste mensen opvatte, kon hij vanuit dit theoretisch werkmodel haarfijn aantonen waar het in de maatschappelijke geschiedenis precies fout gelopen was. Dat deed hij in zijn ?Discours sur l'inégalité? (1755), waarin de openingszin van het Tweede Deel als Rousseaus versie van de zondeval en de uitstoting uit het Aards Paradijs kan gelezen worden : ?De eerste die het, na een terrein te hebben afgebakend, in zijn hoofd haalde om te zeggen dit is hier van mij, en mensen vond die simpel genoeg waren om hem te geloven, was de ware stichter van de civiele maatschappij. Hoeveel misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel miseries en verschrikkingen had diegene de menselijke soort niet kunnen besparen, die de heipalen zou hebben uitgetrokken of de gracht gedempt, en tot zijn gelijken geroepen had : hoedt u ervoor om naar die bedrieger te luisteren ; u bent verloren als u vergeet dat de vruchten van iedereen zijn en dat de aarde van niemand is.? Om het privé-bezit te beveiligen, was er een sociaal contract nodig. Maar de contractanten waren niet helemaal gelijk. Sommigen hadden zich veel kunnen toeëigenen en anderen dan weer helemaal niets. Het gevolg was dat de armen door het sociaal contract officieel afzagen van hun part van de rijkdommen, in ruil voor de bescherming van hun leven. ?Allen liepen hals over kop naar hun ketenen in de overtuiging dat ze hun vrijheid veilig gesteld hadden,? zo staat het in de ?Discours sur l'inégalité?. Zoals Robert Wokler in ?Rousseau? (Oxford University Press, 1995) opmerkt, kondigt deze redenering al de kerngedachte ?eigendom is diefstal? van Pierre-Joseph Proudhon en andere negentiende-eeuwse socialisten aan. Maar zeven jaar later, in ?Du Contrat Social? van 1762, was de notie sociale ongelijkheid uit Rousseaus denken verdwenen, en ging het enkel nog om gelijke politieke rechten. Deze denkwijze zou gevolgd worden door de leiders van de Franse Revolutie en zelfs door het sociaal-economisch hervormingsgezinde Terreur-regime van 1793-1794. De afschaffing van de privé-eigendom stond niet op hun programma. Het is mogelijk dat Rousseau zich voor de meer forse uitspraken in zijn ?Discours sur l'inégalité? had laten beïnvloeden door zijn toen nog ?goede? vriend Denis Diderot. Dat kunnen we eventueel afleiden uit zijn postuum verschenen autobiografische boek ?Les Confessions? waarin hij er geen geheim van maakt dat Diderot in sommige van zijn eerste geschriften zijn pen had vastgehouden, ja zelfs verantwoordelijk was voor de bij nader toezien onnodig scherpe kantjes. RUZIE.Het was op de lange voetweg naar Vincennes, waar diezelfde Diderot in 1749 gevangen zat vanwege het opruiende karakter van zijn ?Lettre sur les Aveugles?, dat in Jean-Jacques voor het eerst de filosoof wakker geworden was. Stappend las hij in de Mercure de France de prijsvraag van de academie van Dijon : ?of de vooruitgang van wetenschappen en kunsten bijgedragen heeft tot het corrumperen of het zuiveren van de zeden.? De vraagstelling prikkelde hem tot een bevlogen betoog waarin hij boudweg de culturele en sociale vooruitgang verantwoordelijk stelde voor de morele verloedering. In een mythisch en barbaars gouden tijdperk, toen de mens nog niet gegrepen was door de drang naar kennis, zag alles er zoveel beter uit. De Schepper had zijn werk goed gedaan. In zijn pogingen om het te verbeteren, had de mens er echter van lieverlede een potje van gemaakt. Op het eind van zijn opstel nam Rousseau evenwel flink wat gas terug. In feite waren het niet zozeer kunsten en wetenschappen die de ellende over de wereld hadden gebracht, maar wel de minder begaafde beoefenaars ervan. In dezelfde adem riep hij de grote wetenschappers en kunstenaars op om monumenten te bouwen ter ere van de menselijke geest. De zwakken en middelmatigen moesten zich koest houden. Hij won de prijs en oogstte zijn eerste publieke succes. Diderot, die het lef bewonderde waarmee zijn vriend een stelling verdedigde die indruiste tegen alles waar hijzelf en zijn companen van de Encyclopédie voor stonden, moedigde hem aan. Helaas voor Rousseau, ontstond naar aanleiding van zijn eerste Discours een misverstand dat tot op vandaag is blijven voortleven : dat hij de pleitbezorger was van de beweging Terug naar de Natuur, dat wil zeggen naar de oertijd van de mens. Maar voor Rousseau was dit, zoals gezegd, niet meer dan een theoretische constructie, nodig om de situatie van de natuurlijke mens zuiver te kunnen aflijnen tegenover die van de geciviliseerde. Zijn tweede discours, ?Sur l'inégalité? is daar duidelijker over. In ?L'homme qui croyait en l'homme/Jean-Jacques Rousseau? vat Marc-Vincent Howlett (Gallimard Découvertes, 1989) deze situatie zo samen : ?De mens in die zuiver natuurlijke staat is onmiddellijk in de natuur. Hij bezit geen enkele van de kwaliteiten die men in de sociale mens herkent. Hij heeft geen gearticuleerde en gemeenschappelijke taal die maakt dat iedereen iedereen begrijpt ; hij heeft slechts kreten om zich uit te drukken, hij ervaart geen verlangen noch liefde, noch jaloersheid, noch bewondering, noch vrees voor ziekte of dood. Hij denkt niet. Wat hem van het dier onderscheidt, is dat Rousseau bij hem vier eigenschappen veronderstelt die elke andere vorm van reflectie voorafgaan, die virtueel zijn en die de geschikte omstandigheden afwachten om in werking te treden : liefde voor zichzelf, vrijheid, medelijden en vervolmaakbaarheid.? Volle vijf jaar nadat Rousseau zijn ophefmakende stelling over de nefaste werking van kunsten en wetenschappen gepubliceerd had, bond Voltaire er de strijd tegen aan in een persoonlijke brief, gedateerd 30 augustus 1755, waarin hij Rousseaus argument tegen hemzelf keerde : ?De letteren voeden de geest, corrigeren hem, troosten hem ; en ze maken zelfs uw glorie uit terwijl u er tegen schrijft.? Tien dagen later gaf Rousseau hem een antwoord dat, zij het een duimbreed naast de kwestie, in redekunstige souplesse niet voor Voltaire moest onderdoen : ?Als we de eerste bron van de verwarringen van de maatschappij zoeken, zullen we ontdekken dat alle kwalen van de mensen veeleer uit de vergissing voortkomen dan uit de onwetendheid, en dat hetgeen wij niet weten ons veel minder schaadt dan hetgeen wij menen te weten. Want is er een meer betrouwbare weg om van vergissing in vergissing te vallen dan de razernij om alles te weten ? Indien men niet beweerd had te weten dat de aarde niet draaide, dan had men Galilei niet gestraft om gezegd te hebben dat ze draaide.? Wat niet weet, niet deert ? VERWENDE JOCHIES.In de bosrijke omgeving van Montmorency nabij Parijs, in het landhuis l'Ermitage dat hem welwillend aan de hand gedaan was door Madame d'Epinay, werkte de filosoof in 1759-1760 als een bezetene aan twee boeken, die bij hun publicatie in 1762 het effect van een bom hadden. Behalve ?Du Contrat Social? was er ook de vuistdikke verhandeling in romanvorm over de opvoeding van kinderen, ?Emile ou Del'éducation?, wereldwijd bekend vanwege zijn uitdagende opzet : de kinderen te willen bevrijden van de tirannie van de verwachtingen van hun ouders, en hen alle tijd te gunnen om hun persoonlijke eigenschappen te ontwikkelen. Als huisleraar van enkele verwende jochies uit de hogere kringen, had Rousseau tot zijn eigen scha en schande ondervonden dat de beste manier om van kinderen helemaal niets gedaan te krijgen erin bestond om hen dingen voor te schrijven en te verbieden. ?Emile? is in die zin met Rousseaus politieke inzichten verbonden, dat het boek de burgers, die moeten deelnemen aan de nieuwe maatschappij, de morele kwaliteiten wil inprenten om er iets van te maken, zonder dat ze hun schone ?natuurlijke? eigenschappen daarbij zouden opgeven. Nu kwam het erop aan om de noodzaak van een natuurlijke en individuele opvoeding te verzoenen met de plicht tot civiele opvoeding, een helse klus inderdaad. Volgens de recent gepubliceerde visie van de Oxfordse professor Robert Wokler is de filosoof niet in die opdracht geslaagd omdat zijn educatieve programma ter voorbereiding op het maatschappelijke leven niet uit de verf gekomen is. Wellicht kwam dat doordat Rousseau, die zich ziek voelde tijdens het schrijven, vreesde dat dit wel eens zijn laatste belangrijke werk zou zijn, en hij haast wilde maken om het te voltooien. Maar in een postuum verschenen aanzet tot een vervolg, ?Emile et Sophie, ou Les Solitaires?, portretteerde hij de volwassen Emile allerminst als een politiek bewust burger maar als een man die zijn hele wereld had zien ineenstorten. Zijn vrouw had hem in de steek gelaten en zijn modelopvoeding ten spijt hadden zijn karakteriële zwakheden de bovenhand genomen. Zoals ?Du Contrat Social? het bestaande politieke gezag aanviel door het de soevereiniteit te ontzeggen en die in handen van het volk te leggen, zo was een cruciaal onderdeel in ?Emile?, de tekst ?Profession de foi du vicaire Savoyard?, tegen het hart van de gevestigde kerkelijke machten gericht. Rousseau verzette zich tegen een ?geopenbaarde? religie en bepleitte een natuurreligie waar de hand Gods enkel in zijn scheppingsdaden erkend werd ; dogma's en mirakels waren uit den boze, het celibaat van priesters had geen zin, het enige kompas van de gelovige was zijn eigen geweten. Het kon natuurlijk niet uitblijven : zowel het parlement en de aartsbisschop van Parijs, als de calvinisten en de Petit Conseil van Genève verboden beide boeken, en lieten ze in brand steken. Maar de Nederlandse boekhandelaar-uitgever Jean Néaulme, die op tijd bij de Staten van Holland een octrooi aangevraagd en gekregen had voor ?Emile?, had in 1762 al negen uitgaven gedrukt en verspreid, eer de Staten van Holland onraad roken en hun octrooi weer introkken. De rol van de Nederlanders Néaulme en Michel Rey bij het verzorgen van de éditions originales van ?de beroemdste verboden boeken in West-Europa gedurende de 18de eeuw? is aanzienlijk geweest. (Folium, Librorum Vitae Deditum, 1954). Tegen Rousseau werd een arrestatiebevel uitgevaardigd. Hij ontkwam op het nippertje en verschanste zich in Môtiers bij Neuchâtel, een vorstendom dat aan koning Frederik van Pruisen toebehoorde. Maar de hetze tegen de filosoof had zich onder het volk verspreid, en toen er op een nacht een regen van stenen door zijn ramen vloog, moest hij opnieuw zijn biezen pakken. Van toen af was hij nergens meer echt veilig. ZINTUIGEN.Had Jean-Jacques Rousseau zich niet onvervaard in de ideeënstrijd van zijn tijd gegooid, had hij er zich enkel toe beperkt zijn muzikale en literaire kwaliteiten uit te buiten, hij had een leven in luxe, rust en wellust kunnen leiden. Zijn opera ?Le Devin du Village? genoot de bijzondere waardering van Lodewijk XV. Zijn groots opgevat plan om een filosofie van de zintuigen te schrijven, bleef bij goede voornemens. Maar de hooggestemde liefdesroman ?Julie ou la nouvelle Héloise? (1761), werd de grootste bestseller van zijn tijd en luidde een kanjer van een nouvelle vague in : de romantiek. Tot zijn eigen verbijstering kon hij voor de ingewikkelde driehoeksverhouding die aan de roman ten grondslag lag, tijdens het schrijven putten uit een bijzondere ervaring in z'n eigen leven, zoals we in zijn ?Confessions? kunnen vernemen. Het kleine verschil was dat Julie, de nieuwe Héloise, veel meer toeliet dan haar alter ego in de werkelijkheid, Rousseaus grote maar oninneembare liefde Sophie d'Houdetot. Is de ?Nouvelle Héloise? voor moderne lezers gedeeltelijk ongenietbaar door de wel erg hoge vlucht die de gevoelens er nemen, de lectuur van de ?Confessions? doet bijna nergens de kloof van twee eeuwen voelen. Dat komt deels door de in een doorzichtige sluier van literaire formuleringen gehulde onverbloemdheid waarmee de schrijver zichzelf tot in de meest pijnlijke en intieme bijzonderheden blootgeeft, en niet het minst ook door de fijn geslepen stijl waarmee hij zelfs banale facts of life als fysieke ongemakjes, nukjes en tukjes tot literatuur omsmeedt. Ondanks de openhartigheid van de ?Confessions? blijven er enkele vragen onopgelost. Liet Rousseau zich uit opportunisme van het calvinisme tot het katholicisme bekeren, en later weer andersom ? Hoe reëel was het complot dat hij tegen zich gesmeed zag en waarbij hij niet alleen zijn erkende vijanden maar ook zijn beste vrienden betrokken achtte ? Alle tekenen wezen volgens hem in die richting, alleen het brein achter het complot kon hij niet zien. De lezer, het nageslacht, werd uitgenodigd om het raadsel op te lossen. Waren de lasterpraatjes en intriges, maar ook de reële persecuties waarvan hij het slachtoffer was, hem te veel geworden en werd hij door achtervolgingswaanzin getroffen ? Zelfs een onverdachte figuur als de Belgische prins Charles-Joseph de Ligne, die de veelgeplaagde filosoof een landgoed in Fagnolles, in de streek tussen Samber en Maas, aanbood, werd door Rousseau gewantrouwd : hij kon er wel eens door anderen toe aangezet zijn om hem een valstrik te spannen ! (Eduard Chapuisat, ?Le Prince Chéri et ses amis suisses?, Librairie Payot, Lausanne, 1944). Toch vond hij uiteindelijk vrede met zichzelf en de wereld. Waar anders dan in de eenzaamheid van Gods wijde natuur ? ?Zie mij hier dus alleen op de aarde, ik die geen andere broer, vriend, gezelschap meer heb dan mezelf,? zo begon hij zijn onvoltooid gebleven laatste proza, ?Les rêveries du promeneur solitaire?. De filosoof was een mijmeraar geworden, die nog even een glimp van een aards paradijs gegund was, èn een stukje tevredenheid, bij gebrek aan het grote geluk. ?Het geluk is een permanente staat die in het ondermaanse niet gemaakt lijkt voor de mens. Alles op aarde is in een voortdurende stroming die niets toelaat om een constante vorm aan te nemen. Alles verandert om ons heen. Wij veranderen zelf en niemand kan er zeker van zijn dat hij morgen graag zal zien wat hij vandaag graag ziet. Zo zijn al onze gelukzaligheidsprojecten voor dit leven hersenschimmen. Genieten we van de tevredenheid van geest wanneer die komt.? Jan Braet Descartes en zijn god. Jean-Jacques Rousseau, achttiende-eeuwse gravure : onbedwingbare tranen en beeldschone frases.Zicht op Rousseaus Ermitage in Montmorency, achttiende-eeuwse gravure : op afzondering bij gratie van Madame d'Epinay. Rousseau als klaverenaas, speelkaart 1789 : moordwapen in handen van Robespierre.Herbarium van Rousseau : glimp van een aards paradijs.Aantekeningen voor Les Rêveries op een speelkaart : de filosoof was een mijmeraar geworden.