Het zijn spannende tijden. Grote uitdagingen dwingen de mensheid om anders te gaan denken én handelen. Het euforische en bijwijlen verblinde neoliberalisme gaf vanaf 1980 maar vooral na de Koude Oorlog de toon aan. Maar het loopt stuk op de muur van te veel ongelijkheid, op een steeds dreigender opwarming van de planeet, de slagkracht van China dat de sturing van de economie niét overlaat aan de markt, op financiële crisissen en een pandemie. Niet toevallig had de top van de zeven rijkste industrielanden (de G7) in juni het over een zogenaamde Cornwall Consensus, een voorstel van partnerschap tussen regeringen en markten. Het was een duidelijke verwijzing naar de Washington Consensus van begin jaren 1990, die daarentegen aanstuurde op deregulering, privatisering en liberalisering. Markten en multinationals moesten zorgen voor groei, de overheid moest zo weinig mogelijk investeren of regels opleggen. Een onuitgesproken maar reëel neveneffect daarvan: rijken mochten eindeloos rijk worden en minder belastingen betalen.
...

Het zijn spannende tijden. Grote uitdagingen dwingen de mensheid om anders te gaan denken én handelen. Het euforische en bijwijlen verblinde neoliberalisme gaf vanaf 1980 maar vooral na de Koude Oorlog de toon aan. Maar het loopt stuk op de muur van te veel ongelijkheid, op een steeds dreigender opwarming van de planeet, de slagkracht van China dat de sturing van de economie niét overlaat aan de markt, op financiële crisissen en een pandemie. Niet toevallig had de top van de zeven rijkste industrielanden (de G7) in juni het over een zogenaamde Cornwall Consensus, een voorstel van partnerschap tussen regeringen en markten. Het was een duidelijke verwijzing naar de Washington Consensus van begin jaren 1990, die daarentegen aanstuurde op deregulering, privatisering en liberalisering. Markten en multinationals moesten zorgen voor groei, de overheid moest zo weinig mogelijk investeren of regels opleggen. Een onuitgesproken maar reëel neveneffect daarvan: rijken mochten eindeloos rijk worden en minder belastingen betalen. Die aanpak loopt nu vast. Er zijn meerdere diepgaande redenen waarom het zo niet verder kan. Om te beginnen heeft de globalisering - het wereldwijde kapitalisme dat na de val van het communisme rond 1990 op de rails werd gezet - de belofte niet ingelost dat iederéén er beter zou van worden. Natuurlijk is niet alles aan globalisering slecht. Het nationaal inkomen groeide sneller in de meeste ontwikkelingslanden dan in landen die al rijk waren. De zogenaamde kloof tussen Noord en Zuid werd een beetje gedicht, en dat is geen geringe realisatie. Maar het zegt niets over hoe het inkomen in al die landen werd verdeeld. En daar zat het probleem: de binnenlandse ongelijkheid nam bijna overal toe. Onderzoekers als Branko Milanovic en Thomas Piketty leerden ons dat een deel van de middenklasse in de meeste rijke landen al die jaren zijn inkomen zag stagneren en goedbetaalde industriebanen zag verdwijnen. Terwijl in een aantal opkomende landen, China op kop, een middenklasse ontstond. Verder was er de mondiale één procent die almaar rijker werd. Vooral de lokale elites (in de eerste plaats Chinese bestuurders), de top van multinationals en grote aandeelhouders zijn beter geworden van een globalisering zonder sociale, fiscale of ecologische regels, zo maken Michael Pettis en Matthew Klein duidelijk in hun boek Trade wars are class wars (2020). Globalisering ging ook gepaard met meer financiële crisissen. Eerst in ontwikkelingslanden, maar in 2008 ook in het westerse hart van het systeem. De financieel- economische crisis van 2008 versterkte de ergernis die al bestond. Eerst moesten overheden met gigantische bedragen een financiële sector redden die jarenlang had beweerd dat de overheid vooral niet moest tussenkomen. De bankiers die de crisis veroorzaakten gingen vrijuit, vaak met een riante gouden handdruk, terwijl de gewone man spoedig geconfronteerd werd met besparingsbeleid en/of in Spanje of de Verenigde Staten zelfs zijn woning verloor. Intussen zorgde het geldbeleid ervoor dat de aandelen, die vooral bij rijke mensen zitten, snel weer in waarde stegen. Het wakkerde de grote woede aan die leidde tot de opkomst van populistische politici, dikwijls met extreemrechtse ondertoon. Die zeiden luidop dat niet iedereen beter werd van de globalisering. De VS en het Verenigd Koninkrijk, waar de neoliberale revolutie de ongelijkheid het meest bevorderde, werden geconfronteerd met een onverwachte politieke schok: respectievelijk Trump en de Brexit. Maar misschien wel de voornaamste reden waarom het zo niet verder kan: met haar neoliberale globalisering ontwricht de mensheid de ecosystemen waarvan ze afhangt, met de klimaatcrisis als grootste dreiging. De gevolgen van de opwarming laten zich nu steeds sterker voelen. De markt is de voorbije decennia niet in staat gebleken om die kosten te verrekenen in zijn werking, laat staan om de innovaties en structurele veranderingen tot stand te brengen die nodig zijn voor een koolstof- arme economie. Telkens opnieuw moesten overheden tussenkomen, en dat blijft zo. Als de wereld iets wil doen aan de opwarming van de planeet, dan moeten overheden sturen: op internationaal, nationaal en lokaal vlak. Dat was en is ook de boodschap van steeds meer en steeds ongeruster klimaatmanifestanten. Ook de biodiversiteit kreeg rake klappen. De sterke economische groei in de opkomende landen ging, net zoals dat in de rijke landen was gebeurd, gepaard met de ontsluiting van grote stukken natuur en de vernietiging van vele soorten. Ook hierbij is het aan staten, meestal aangevuurd door burgers en hun verenigingen, om die aanhoudende kaalslag te stoppen. Een heel andere factor is China. De Volksrepubliek heeft aangetoond dat een economie die meer door de staat wordt aangestuurd dingen kan realiseren die neoliberale economieën niet kunnen. In het Westen investeerden grote ondernemingen immense bedragen in de aankoop van eigen aandelen, om zo hun aandeelhouders, waaronder de bedrijfsleiders, te verrijken. In China stelde de staat (de Communistische Partij, zeg maar) voorop welke sectoren over vijf, tien of twintig jaar moesten worden ontwikkeld. Met behulp van staatsbanken en staatsondernemingen, een dynamische privésector en regulering van allerlei aard werd dat vervolgens ook gerealiseerd, vaak aan een verbijsterend tempo. Geleidelijk aan begonnen staten overal ter wereld opnieuw een industrieel beleid te voeren. De Duitse werkgeversorganisatie riep in 2018 haar overheid op om zich net als China lange- termijndoelen te stellen. Tot slot is er de pandemie. In rijke landen ging de staat enorme schulden aan om het inkomensverlies bij burgers en bedrijven op te vangen dat het gevolg was van de lockdowns. Hun beleid van geld bijdrukken zorgde er bovendien voor dat de staat goedkoop kon lenen. In de ontwikkelingslanden leden burgers en bedrijven veel meer inkomensverlies, omdat de staat niet op dezelfde manier de schok kon opvangen. Dat veel ontwikkelingslanden beperkte toegang tot vaccins hebben, zorgt er ook voor dat de coronacrisis er blijft voortwoekeren, met bijhorende economische gevolgen. Voor het eerst sinds lang nam het aantal mensen in extreme armoede in de wereld weer toe - met 120 miljoen mensen volgens de Wereldbank. De Verenigde Naties gewagen van meer voedselonzekerheid in tal van ontwikkelingslanden, en die kan een voorbode van onrust en migratie zijn. Samengevat: de wereld is niet sociaal en groen genoeg, en de politiek moet dat aanpakken. En dus is de staat terug van weggeweest als actor in de economie. De pandemie heeft de evolutie die voordien al aan de gang was versterkt. De staat moest in 2008 de wereldeconomie al behoeden voor een economische depressie met massale investeringen. Met de pandemie gebeurt hetzelfde. Maar dit keer wil men niét snel terug naar een soberheidsbeleid, onder andere door de politieke terugslag na de besparingsrondes vanaf 2008. Overheden willen verdere destabilisering van de politiek tegengaan, en dus moeten forse herstelprogramma's zorgen voor meer banen en inkomen. Maar de herstelprogramma's komen er ook omdat grote publieke investeringen nodig zijn. De strijd tegen de klimaatcrisis vereist immense investeringen in een betere voorbereiding op overstromingen en droogtes, in slimme energienetten en in pijplijnen voor waterstof (dat energie kan opslaan en transporteren en mogelijk benzine zou kunnen vervangen). Om niet afhankelijk te worden van China voor strategische producten willen de VS en de Europese Unie nu hun batterijen, halfgeleiders of 5G-infrastructuur zelf maken. Ook de versterking van digitale netwerken vergt grote investeringen. In de VS ontplooit de regering van president Joe Biden diverse programma's, ter waarde van 5000 miljard dollar, voor een betere infrastructuur, vooral transport, woningbouw, digitalisering, aanpassing aan het klimaat. De EU zet een gezamenlijk herstelfonds van 750 miljard euro in. In China stuurt de staat het wereldwijde investeringsprogramma van de Nieuwe Zijderoute aan - dat overigens niet noodzakelijk veel rekening houdt met de opwarming van de aarde. De overheid is niet alleen terug als investeerder maar ook als regulator. Vooral in de strijd tegen de klimaatverandering laat zich dat voelen. Het klimaatakkoord van Parijs is sinds het aantreden van Biden meer dan ooit een ankerpunt van de internationale politiek. Zestig procent van de wereldeconomie heeft zich nu verbonden om tegen 2050 of 2060 geen koolstof meer uit te stoten. De EU geeft de weg aan met haar Europese Green Deal, een groot plan met regels en doelstellingen, om tegen 2030 al de uitstoot met 55 procent te verminderen. De EU gebruikt ook haar gewicht om elders effect te sorteren. Met een koolstofgrens- taks gaat de Unie haar eigen zware industrie beschermen tegen de invoer van staal of meststoffen uit landen die geen klimaatbeleid voeren. Zoiets was twintig jaar geleden ondenkbaar. Alles wat de handel onnodig belemmerde, was ongewenst. Op een heel ander maar erg belangrijk domein, de technologiesector, proberen staten de monopolievorming van de grote bedrijven tegen te gaan, zowel in de VS, de EU als China. President Biden heeft zo Lina Khan, die erg kritisch schreef over de machtsconcentratie bij Amazon en Facebook, aangesteld als voorzitter van de Federal Trade Commission. Die commissie geeft het beleid tegen monopolievorming in de VS vorm. 'Wij hebben niet gewacht op de Green Deal om in gang te schieten', onderstreept Luc Van Liedekerke, professor Bedrijfsethiek aan de universiteiten van Leuven en Antwerpen. Van Liedekerke beweegt zich al een half leven op het raakvlak tussen economie en ethiek. Het Belgische duurzame beleggingsvehikel Towards Sustainability, dat hij mee vormgaf, wist intussen al 400 miljard euro aan te trekken. Zo bedreigend werd de klimaatverandering gaandeweg dat een mengeling van angst, hebzucht en bezorgdheid de geldwereld in beweging heeft gebracht. Larry Fink, de CEO van Blackrock, het grootste vermogensfonds ter wereld, maakte in 2020 een opmerkelijke bocht door te zeggen dat goed vermogensbeheer vereist dat je rekening houdt met de klimaatrisico's voor bedrijven. En de Business RoundTable, een van de grootste zakenorganisaties van de VS, verklaarde in 2019 dat ook milieu en werknemers stakeholders zijn waar bedrijven rekening moeten mee houden. Ongetwijfeld anticipeerde de bedrijfswereld daarmee ook op stringenter, vooral Europese, wetgeving, waaronder een lijst van groene (duurzame) en bruine (schadelijke) beleggingsproducten. Na de klimaattop van Parijs werd het Netwerk van Centrale Banken voor de vergroening van het Financieel Systeem (NGFS) opgericht, dat onderzoekt hoe het ervoor kan zorgen dat de financiële sector klimaatrisico's afdoende verrekent om financiële stabiliteit te verzekeren. 'De klimaatverandering wordt nu gewoon opgenomen in de boekhoudkundige standaarden die iedereen moet volgen', verzekert Luc Van Liedekerke. 'Bij de waardering van activa (de werkelijke bezittingen van een bedrijf, red.) wordt nu standaard rekening gehouden met klimaatverandering en de CO2-intensiteit van bedrijfsactiviteiten.' De G7 van juni besliste ook dat beursgenoteerde bedrijven nu standaard moeten rapporteren over hun klimaatrisico's. Verwacht wordt dat de klimaattop van Glasgow, eind dit jaar, dit verder uitwerkt. Dat heeft nu al tastbare gevolgen. Oliebedrijven verliezen aan waarde, opkomende reuzen in hernieuwbare energie worden steraandelen. Hernieuwbare energie was in 2020 de enige energiebron die nog toenam. In dertig jaar journalistiek zag ik een evolutie in wat politiek en samenleving belangrijk vinden. Economische groei - de portemonnee, zeg maar - blijft belangrijk, maar het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen krijgt steeds meer gewicht. Ook op het hoogste niveau. De World Economic Outlook 2020 van het Internationaal Monetair fonds wijdde een heel hoofdstuk aan de klimaatuitdaging. Het IMF pleit daarin voor massale publieke klimaatinvesteringen en voor koolstofuitkeringen voor kwetsbare groepen met de opbrengst van CO2-taksen. Een andere doorbraak die twintig jaar geleden ondenkbaar was: dit jaar keurden alle grote staten een internationaal verdrag goed over een minimumbelasting van vijftien procent van grote multinationals. Dat past uiteraard bij de roep om een meer rechtvaardige economie. Toch wegen in de financiële sector sociale normen en mensenrechten minder zwaar door dan het klimaat, getuigt Luc Van Liedekerke. 'Continentaal Europa besteedt er wel aandacht aan. Maar de Angelsak- sische initiatieven, die heel dominant zijn in de financiële sector, focussen vooral op het klimaat. De rest is secundair.' Mensenrechten zijn meer omstreden, op nationaal en internationaal vlak. De opkomende supermacht, China, verdraagt niet dat mensenrechten - of wat China 'de westerse interpretatie van mensenrechten' noemt - worden opgedrongen. Ook de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), in het bijzonder de vrijheid van vereniging, zijn voor China onaanvaardbaar. Het Chinese verwijt dat de westerse nadruk op rechten een protectionistisch element bevat, kan niet zomaar van tafel worden geveegd. Het Westen praat inderdaad meer over mensenrechten nu China zoveel sterker is. Dat China steeds zelfbewuster zijn eigen model propageert, verklaart ook de groeiende westerse kritiek. In elk land is ook de interne strijd om een eerlijker verdeling van de rijkdom lastig. Joe Biden trad, onder druk van het Trump-fenomeen, aan met de meest sociale agenda van herverdeling in een hele generatie. Toch moest hij de verdubbeling van het minimumloon schrappen uit zijn eerste infrastructuurpakket. Ook hogere belasting van de rijken, om de uitgaven te financieren, haalde hij nog niet binnen. Het onvermogen om tot internationale afspraken te komen over mensenrechten en arbeidsnormen maakt bilaterale akkoorden, tussen staten en regio's, belangrijker. Zo bepaalt het nieuwe vrijhandelsakkoord van Noord-Amerika dat de uurlonen in de autosector een bepaald niveau moeten halen in Canada, de VS én Mexico. West-Europese landen nemen op dit terrein, mee onder invloed van hun burgersamenleving, zelfs unilaterale initiatieven. Nederland, Frankrijk en Duitsland hebben wetten die bedrijven die op hun grondgebied actief zijn, opleggen ervoor te zorgen dat ze nergens ter wereld gebruik maken van slavenarbeid, dwangarbeid of kinderarbeid. Momenteel werkt Europees Commissaris Didier Reynders aan Europese wetgeving die bedrijven een zogeheten zorgplicht wil opleggen inzake mensenrechten en arbeidsnormen. Slachtoffers uit het Globale Zuiden zullen daardoor klacht kunnen neerleggen in de EU en bedrijven kunnen beboet worden als die hun zorgplicht verzuimen. Een eerste voorstel van Reynders bevatte ook de juridische aansprakelijkheid van de bedrijfsleiders zelf, maar die is meer omstreden. 'Die kwestie is nog niet uitgeklaard', zegt Marc Maes van de studiedienst van 11.11.11, die het dossier opvolgt. 'Hoe dan ook: als de Europese zorgplicht er komt, is dat absoluut een vooruitgang.' Ook in het Belgische parlement wordt momenteel gewerkt aan een wetsvoorstel voor 'een zorg- en verantwoordingsplicht voor ondernemingen door hun hele waardeketen heen'. Hoe krachtig deze instrumenten worden, zal afhangen van de controle en de boetes. Zal er iets veranderen aan het feit dat in China geen vrijheid van vereniging bestaat? Joris Verschueren van de liberale vakbond ACLVB acht het niet waarschijnlijk dat bedrijven massaal China verlaten omwille van zorgplichtwetgeving. 'Als er strikte wetgeving komt, en vooral strikte rechtspraak, kan je verwachten dat bedrijven hogere eisen stellen aan Chinese leveranciers. Als die daaraan niet kunnen voldoen kan dit inderdaad leiden tot herschikking van waardeketens. Hervestiging van bedrijven is trouwens een element in Reynders' motivatie.' Je zou deze unilaterale aanpak ook een zwaktebod kunnen noemen. 'Als je een koolstofgrenstaks kan invoeren, waarom dan geen taks voor producten met sociale dumping?' vraagt Koen Schoors, professor economie aan de UGent, zich af. De terugkeer van de staat als centrale actor roept klassieke vragen op over efficiëntie en bureaucratie. Maar de grootste vraag is of diverse staten kunnen samenwerken aan mondiale uitdagingen. Er is een wereldwijde investeringsrevolutie nodig om de oorlog tegen de opwarming van de planeet te winnen, ook in landen die over weinig geld beschikken. Kan de menselijke soort haar tribale neigingen overstijgen om gezamenlijke problemen op te lossen, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen? Dat we voor een bedreiging als COVID-19, dat veel directer slachtoffers maakt, niet in staat zijn om de 50 miljard dollar bijeen te brengen om alle landen te vaccineren, roept de vraag op of het voor een veel diepgaander uitdaging zoals de klimaatopwarming wel zal lukken. Cynici zullen opmerken dat het verschil niet meer zo groot is. De overstromingen en hittegolven van de voorbije maanden maken ook steeds meer slachtoffers. De omwenteling is begonnen. Maar hoe rechtvaardig of duurzaam de mondiale samenleving wordt, is onzeker. Die strijd is volop bezig, en we spelen er allemaal een rol in.