INFO: Volgende week: Verdeeldheid in het Zuiden
...

INFO: Volgende week: Verdeeldheid in het ZuidenSinds de straatrellen van 25 augustus was het niet meer echt rustig geweest in de zuidelijke hoofdstad Brussel. De door de bourgeoisie opgerichte Burgerwacht had de plunderingen en vernielingen wel gestopt, maar het vuur van de rebellie was niet gedoofd. Dat bleek duidelijk op 1 september, toen kroonprins Willem zich van de situatie kwam vergewissen. Volgens de Franse ambassadeur markies Toussaint de la Moussaye was de sfeer erg grimmig en leek de prins - die ermee had moeten instemmen zijn leger in Vilvoorde achter te laten - haast 'een misdadiger die men naar het schavot leidt'. Niettemin vonden er op 1 en 2 september gesprekken plaats met radicale zowel als met gematigde leiders. Tot die laatsten behoorden de aanvoerders van de Burgerwacht, met wie de kroonprins de mogelijkheid besprak van een administratieve scheiding. In dat geval was het niet onwaarschijnlijk dat Willem junior de Belgische koningskroon zou worden aangeboden. De kroonprins was in het Zuiden overigens al altijd geliefder geweest dan zijn autocratisch ingestelde vader. De Britse premier Arthur Wellington, onder wiens bevel Willem had gediend in Waterloo, had echter geen goed gevoel bij de demarches van de kroonprins. Op 8 september schreef 'de IJzeren Hertog' aan zijn minister van Buitenlandse Zaken lord Aberdeen: 'I am very anxious about the course taken by the Prince of Orange. There is in that Prince a foundation of vanity, levity, and thirst for vulgar popularity, which makes me tremble for the success of everything he undertakes. 'Twee belangrijke dingen leek de kroonprins inderdaad over het hoofd te zien. Willem I, hoewel niet per definitie tegen een administratieve scheiding, had allerminst de intentie om de soevereiniteit over België af te staan. Bovendien werden de radicale krachten in Brussel dag na dag sterker. En hun eisen - de totale scheiding én het einde van het Oranjebewind over België - waren voor Den Haag absoluut onbespreekbaar. Tijdens een onderhoud met zijn vader op 5 september werd de kroonprins dan ook op de vingers getikt. Toch had Willem I geen serieus alternatief, zodat de zaken aansleepten. En het geduld in het Zuiden stilaan opraakte. In het Vlaamse landsgedeelte - met uitzondering van Leuven, dat sterk onderhevig was aan de 'Brusselse wind' - genoten de Oranjes nog heel wat krediet. Maar in de Waalse steden, Luik op kop, ging men de 'volksvreemde' Nederlanders steeds meer als bezetters zien en vonden de radicale boodschappen uit Brussel heel wat weerklank. Zeker nadat Willems troonrede voor de Staten-Generaal in het Zuiden bekend was geraakt. De radicalen in de hoofdstad, onder meer aangevoerd door de Luikenaar Charles Rogier, legden de toespraak uit als de aanzet tot militaire agressie en creëerden een echte angstpsychose. De koning had dan wel gezegd dat hij niet uit was op wraak en dat hij enkel de onruststokers zou aanpakken. Maar de vraag die velen zich stelden was, wie als zodanig beschouwd werd. De Brusselse gegoede burgerij, rijk geworden dankzij het mercantiele beleid van de koning, alvast niet. Zij voelde zich niet door de Nederlanders bedreigd, maar door de onberekenbare volksbenden - die werden alsmaar talrijker door de toestroom van (vooral Waalse) 'vrijheidsstrijders' - en verliet de stad. Tegen 20 september, toen overal in de hoofdstad barricaden waren opgeworpen, regeerde het volk. De gematigde krachten waren monddood gemaakt en hun leiders distantieerden zich van de francofone demagogen die de massa klaarstoomden voor de confrontatie met de Nederlanders. Ondanks de krijgshaftige taal in zijn troonrede, ging Willem niet onmiddellijk tot de actie over. Opnieuw was er dat schipperen tussen een kordaat optreden en een halfslachtige diplomatie, dat zijn beleid ook al tijdens de woelige augustusmaand bepaald had. De koning - die het Zuiden een warm hart toedroeg en in 1841 zelfs met een Limburgse katholieke edeldame trouwde - voelde zich niet goed bij de gedachte het vuur te moeten openen op het volk. Had trouwens de agressieve aanpak van de Franse koning Charles X het Parijse volk niet vastberadener gemaakt en hem in juli 1830 zijn troon gekost? Uiteindelijk zette de koning de 17e september toch het licht op groen voor een aanval op Brussel. Het commando over de 10.000 man sterke strijdmacht vertrouwde hij toe aan zijn tweede zoon, prins Frederik, die hoofdkwartier hield in Antwerpen en vroeger nog gediend had in het Pruisische leger. Willem I voelde zich gesterkt door de grote consensus die er in politieke kringen bestond omtrent een militaire actie. Alle ministers hadden zich immers akkoord verklaard, met inbegrip van de twee Belgen Edmond Charles de la Coste en Pierre Van Gobbelschroy. Ook in de Staten-Generaal schaarde de overgrote meerderheid zich achter de koning. Van de 105 leden van de Tweede Kamer stemden er slechts 19 tegen, onder wie 18 (!) uit het Noorden. De Eerste Kamer - een elitaire debatclub waar zelden oppositie te bespeuren viel - verklaarde zich unaniem akkoord. Wellicht vertolkten de parlementsleden de gevoelens van vele Belgen. In de eerste plaats dan de gegoede klassen, die de orde zo snel mogelijk hersteld wilden zien, om opnieuw ongestoord zaken te doen. De opgehitste massa in Brussel daarentegen wilde van geen wijken weten. Minder heldhaftig waren haar leiders, onder wie Rogier en de radicaal Fransgezinde Alexandre Gendebien. Allen waren ze tegen de ochtend van 23 september uit de stad verdwenen en hadden elders een veilig onderkomen gezocht. De leiding van het 'Belgisch' volksleger - een zootje ongeregeld van romantisch geïnspireerde vrijheidsstrijders, werkloze proletariërs en gelukzoekers - werd overgelaten aan buitenlandse condottieri met een vaak dubieus verleden. Onder hen 'opperbevelhebber' don Juan van Halen, een in vele veldtochten geharde Spaans-Belgische officier die naar eigen zeggen ontsnapt was uit de kerkers van de inquisitie. Vol strijdlust stonden deze avonturiers en hun manschappen op de barricaden, toen de Nederlandse troepen in de ochtend van 23 september de hoofdstad binnentrokken. De colonne onder kolonel W. Van Balveren - een van de vier die prins Frederik voor de aanval ontplooid had - beet de spits af. Omstreeks zes uur vertrok ze vanuit Sint-Jans-Molenbeek; drie uur later waren de Vlaamse Poort en omgeving bezet, zonder dat er een schot gelost was. Omdat ze geen rebellen zagen en ze buiten Brussel nogal vriendelijk onthaald waren, meenden de soldaten dat de bezetting van de binnenstad een makkelijke klus zou worden. Een dodelijke vergissing, zoals zou blijken. Zodra ze door de Vlaamse straat trokken, werden de Nederlandse eenheden beschoten en vlogen er allerlei projectielen door de ramen, tot emmers vitriool, brandende kachels en ongebluste kalk toe. In die helse chaos vielen tientallen doden en gewonden; enkele cavalerie-officieren, die zich te ver in de stad gewaagd hadden, raakten vermist. Tot overmaat van ramp gooiden Van Balverens Belgische manschappen - die er al nooit happig op waren geweest hun 'landgenoten' te beschieten - de wapens weg en verlieten de rangen. Dergelijke gevallen van desertie hadden zich ook al eerder voorgedaan, maar werden sinds de aanval op Brussel een structureel probleem. Wijselijk besliste de kolonel zijn soldaten - van wie er velen in paniek waren geraakt - terug te trekken uit de smalle straten en verdere orders af te wachten. Die kwamen er niet en de sterk uitgedunde troepen van Van Balveren zouden dan ook geen rol meer spelen in de strijd. Beter verging het de overige colonnes, de hoofdmacht van prins Frederiks leger. Zij vielen aan langs de Leuvense en de Schaarbeekse Poort en bezetten zonder veel problemen de omgeving van de Naamse Poort en het grootste gedeelte van de Koningsstraat. Aan het Warandepark en het Koningsplein - waar de meeste opstandelingen zich verschanst hadden - werden de binnentrekkende troepen afgestopt. De Nederlandse troepen beschikten nochtans over flink wat artillerie en maakten beslist indruk. Maar dat kon de verdedigers van Brussel niet van die ene gedachte brengen, namelijk dat het lot van 'België' in hun handen lag. Vier dagen lang vochten het regeringsleger en de opstandelingen een afmattende barricadeoorlog uit. In en om het koninklijk paleis werd er hard gevochten; op 25 september bezetten de Belgen het gebouw, de dag nadien de Nederlanders. Bij die gevechten sneuvelde onder meer de Nederlandse majoor Kramer, een bekwaam officier en gedecoreerd veteraan van Waterloo. Een van de meest fanatieke strijders aan Belgische zijde was de invalide Luikenaar Charlier, die op sommige ogenblikken haast als een eenmansleger optrad (zie kaderstuk). Spoedig kwamen prins Frederik en zijn staf tot het besef in welk een wespennest ze zich gestort hadden. Het Nederlandse leger was de zuidelijke hoofdstad binnengetrokken met het vooruitzicht dat er hoogstens wat symbolische weerstand zou worden geboden. Niet dat 1700 vrijheidsstrijders, gesteund door een groot deel van de bevolking, een gevecht op leven en dood zouden aangaan met een ruim vijfmaal sterkere strijdmacht. Daarbovenop kwamen de imminente desertie van de Belgische soldaten - zij vormden een aanzienlijk deel van het effectief van het 'Nederlandse' leger in het Zuiden - en de onderhuidse twijfel in Den Haag. Immers, de koning en zijn ministers wilden wel een einde maken aan de rebellie, maar ze waren niet bereid een geldverslindende uitputtingsoorlog te voeren en massale slachtingen onder de burgers aan te richten. Die tweeslachtige houding spiegelde zich duidelijk af op de troepen en de aanvoerders die in Brussel de klus moesten klaren. In de nacht van 26 op 27 september besliste de prins-opperbevelhebber zijn leger uit de hoofdstad weg te halen. Aan beide zijden waren honderden doden en gewonden gevallen. Van de Belgische gewonden die tijdens de septemberdagen in geïmproviseerde hospitalen (meestal kerken) verzorgd werden, overleed later nog een aantal als gevolg van infecties. Onder de doden - van wie velen op het Martelarenplein begraven werden - bevonden zich verschillende tieners en bejaarden en één vrouw, de in Amsterdam geboren Petronella Laurier. Het was de droeve tol voor de eerste en beslissende overwinning van de Belgische revolutie. Ondanks de inzet van bepaalde eenheden en officieren, maakten de troepen van Willem I geen al te beste beurt in Brussel. Zo blijft de vraag waarom de Nederlanders geen nachtelijke patrouilles uitzonden. Die hadden wellicht de posities van de opstandelingen kunnen lokaliseren en een aantal gerichte aanvallen mogelijk gemaakt. Meer nog, een goed gecoördineerde nachtelijke aanval had beslissend kunnen zijn, aangezien de waakzaamheid van de Belgen na zonsondergang met het uur afnam. Maar kon men zulke gedurfde acties wel verwachten van een strijdmacht die geen ervaring had met stadsguerrilla en niet echt het vertrouwen genoot van zijn bevelhebbers? Daartegenover stond dat op plaatsen waar het regeringsleger krachtig was opgetreden - bijvoorbeeld in Henegouwen en Namen - de rebellie wel snel de kop werd ingedrukt. De troepen daar werden dan ook aangevoerd door energieke bevelhebbers: baron A. de Howen en de Gentenaar Jozef Van Geen. Die laatste had enkele jaren tevoren Celebes veroverd en met harde hand een opstand in Java onderdrukt. Dat de Nederlanders de Indonesische archipel behielden, kwam onder meer omdat hun overzeese strijdkrachten steeds genadeloos optraden en ontelbare slachtoffers maakten (zoals ook het neerslaan van de rebellie in Atjeh tijdens de jaren 1890 aantoonde). Die prijs wilde Den Haag niet betalen voor het behoud van België. De Septembergevechten vormden een scharniermoment in het scheidingsproces tussen Noord en Zuid. Het eclatante succes van het rebellenleger, dat een reguliere strijdmacht tot de aftocht had gedwongen, gaf de revolutie een sterk elan. Vanuit de hoofdstad verspreidde de bevrijdingsbeweging zich snel over de rest van België, ook in het tot dan toe eerder terughoudende Vlaanderen. Her en der vormden zich bendes 'vrijheidsstrijders' - onder wie heel wat lieden met een twijfelachtige reputatie - die samen met de Brusselse Volkssturm de achtervolging inzetten van het regeringsleger. Op 8 oktober 1830, vier dagen na de proclamatie van de onafhankelijkheid, besliste het Voorlopig Bewind om van het samenraapsel van gewapende groeperingen een min of meer geregeld leger te maken. Een proces van lange adem, dat ook het jaar daarna nog niet voltooid was. Toch beschikte opperbevelhebber Lambert Nypels, die de onberekenbare don Juan van Halen was opgevolgd, midden oktober over een voldoende sterke troepenmacht om de restanten van het Nederlandse leger op de vlucht te drijven. Er vonden enkele schermutselingen plaats, onder meer in de Antwerpse Kempen, en tegen begin november 1830 was het hele Belgische grondgebied bevrijd. Wilde Willem I het Zuiden terug, dan wist hij alvast wat te doen. De reorganisatie van zijn strijdkrachten was één zaak, diplomatie een andere. Frankrijk en Groot-Brittannië trokken immers steeds openlijker de kaart van de jonge staat België. Eind 1830 waren de scheidingsperikelen dus allerminst achter de rug. Door Frank Decat