De kloof met de burger moest nu maar eens gedicht worden, en de duale samenleving te allen prijze vermeden. Wie zich daarvoor op de straten zelf inzet, staat evenwel in de kou.
...

De kloof met de burger moest nu maar eens gedicht worden, en de duale samenleving te allen prijze vermeden. Wie zich daarvoor op de straten zelf inzet, staat evenwel in de kou. VORIG JAARWAREN ze met meer dan vijftig. Nu al met een honderdtal, overwegend jonge mannen, maar ook met 27 jonge vrouwen. Zij bekommeren zich vooral om enkele duizenden jongeren uit de randgroep, drugsverslaafden, prostitué(e)s, gewelddadige voetbalsupporters, thuislozen en maatschappelijk kwetsbaren in het algemeen. Daartoe werken zij, gespreid over een dertigtal groepen, in Brussel, Molenbeek, Anderlecht, Schaarbeek, Antwerpen, Borgerhout, Hoboken, Gent, Lokeren, Brugge, Kortrijk, Oostende, Leuven, Diest, Scherpenheuvel, Lier, Mechelen, Maasmechelen, Hasselt, Houthalen, Winterslag, Waterschei, Kolderbos-Sledderlo en Maaseik. Zij spreken niet altijd en overal dezelfde probleemgroepen aan, maar zijn soepel in die dingen. Een goed straathoekwerker aanvaardt immers het deviante levenspatroon van zijn gasten ; zonder daarom zichzelf te verliezen. Een straathoekwerker blijft nu eenmaal een welzijnswerker. Zij het van het minst ambtelijke soort. Naar Amerikaans en Nederlands voorbeeld maakten straathoekwerkers, éducateurs de rue of éducateurs de proximité, ook bij ons tijdens de voorbije jaren opgang. Vooral sinds duidelijk werd dat (te) veel maatschappelijke werkers net als ontwikkelingshelpers, trouwens meer met zichzelf dan met de hulpbehoevenden bezig zijn. Eufemistisch wordt dan gezegd dat de drempel van de hulpverlening te hoog ligt. Nochtans moeten de probleemgroepen zich niet aanpassen aan de hulpverleners, maar omgekeerd. Al moeten zij daarvoor op straat, in kroegen en in bars rondhangen en hun gasten vaak offensief benaderen. Zoals de politiediensten de gestructereerde misdaadorganisaties op cruciale ogenblikken slechts aankunnen door undercover-agenten in te schakelen, die gedurende welbepaalde tijd onder valse identiteit in dat milieu onderduiken, zo ook moet de samenleving het nu hebben van streetcorner workers om te vermijden dat tal van probleemgroepen definitief in de marginaliteit wegzinken. Mede door de toename van de zogeheten kleine criminaliteit, van het daarmee gepaard gaande onveiligheidgevoel en van de overheidsinitiatieven, die daar sinds de verontrustende stembusuitslag van 24 november 1991 met miljardendure preventie-, veiligheids- en samenlevingscontracten in steden en gemeenten aan verhelpen, wordt het straathoekwerk al eens in de politionele hoek gedrumd. En toch zijn straathoekwerkers geen flikken. In de deontologische code van het straathoekwerk, zoals die door het Vlaams Straathoekwerk Overleg (Vlastrov) onlangs is opgemaakt en alvast door het Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid (VSPP) kan gepropageerd worden, is zelfs sprake van een geheimhoudingsplicht in de geest van artikel 458 van het Strafwetboek. Dit betreft het beroepsgeheim van geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen ?en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hen zijn toevertrouwd, en deze bekend maken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen...? De gegevens die een straathoekwerker verzamelt en dat zijn er soms heel wat zijn dus slechts toegankelijk voor zijn of haar teamleden en de betrokken gast. Herman Wolf en Erik Castermans, de voortrekkers van Vlastrov, wijzen er op dat de straathoekwerker vaak de enige is met wie sommige gasten buiten hun eigen kringetje nog contact hebben. Er wordt dan geprobeerd hun maatschappelijke kwetsbaarheid te verminderen door hen zelfredzaam en weerbaarder te maken. De bevraging van (jammer genoeg slechts) 38 straathoekwerkers spreekt trouwens boekdelen. De resultaten van deze enquête werden tot nog toe discreet maar niet zonder consternatie geanalyseerd. Nu zijn ze echter opgenomen in het zopas afgewerkte jaarverslag van Vlastrov, en dus publiek gemaakt. TIJDSBESTEDING.Niettegenstaande slechts een derde van de straathoekwerkers in Vlaanderen aan de enquête meewerkte, werden toch 1.625 van hun doelgroepsleden hun gasten geprofileerd. 85 procent is van het mannelijke geslacht. 42 procent van de geregistreerden is jonger dan achttien jaar. Opvallend is wel dat slechts 26 procent van de meerderjarigen niet van Belgische nationaliteit is, terwijl het aantal niet-Belgische minderjarigen oploopt tot 60 procent van de doelgroepsleden. Vlastrov voegt daar echter wel aan toe dat een groot deel van de preventieprojecten op migrantenjongeren is afgestemd en dat de registratie ervan ?kan leiden tot twee foute conclusies, namelijk dat alle migrantenjongeren maatschappelijk kwetsbaar zijn en dat er weinig maatschappelijk kwetsbare Belgische jongeren zijn.? In het geval van niet-Belgische jongeren van beneden de achttien jaar krijgen de straathoekwerkers vooral te maken met Marokkanen (43 procent) en Turken (26 procent). Bij de ouderen dan achttien, gaat het nog duidelijker om Marokkanen (29 procent) dan om Turken (8 procent). 53 procent van alle tijdens deze bevraging geregistreerde gasten gaat niet meer naar school. Van al diegenen ouder dan achttien, volgt amper 15 procent nog enige vorm van onderwijs. Het meest opvallende cijfer, waar de welzijnswerkers, ?zelf nogal van schrikken en waaraan in een volgende registratie uitgebreid aandacht zal worden besteed, wijst in ieder geval op een versterking van de uitsluitingsmechanismen.? 24 procent van de geregistreerde doelgroepleden beschikt namelijk niet over een officieel inkomen. 45 procent leeft van een vervangingsinkomen, 21 procent van de werkloosheidsuitkering, 17 procent van het OCMW en 7 procent van ziekte- of invaliditeitsuitkeringen. Geen wonder dat meerderjarige gasten het, naar eigen zeggen, vooral moeilijk hebben met hun werk, met het gebrek eraan en met hun tijdsbesteding. Dit blijkt voor de minderjarigen zelfs het belangrijkste probleem en voor de doorsnee straathoekwerker nog meer van doorslaggevende aard. Het valt trouwens op hoe de straathoekwerker doorgaans meer oog heeft voor de probleemgebieden dan zij die erin wegzinken (zie infografiek). De bevraging leert voorts dat straathoekwerkers de spreekwoordelijke drempel niet alleen zo laag mogelijk houden, maar ook andere hulpverlening toegankelijker maken. Zo worden minderjarigen vooral doorverwezen in verband met vrijetijdsbesteding en onderwijs of vorming ; meerderjarigen in verband met werk/werkloosheid, wonen, tijdsbesteding en verslavingen. Los van de algemene profilering van de gasten kon het Vlaams Straathoekwerk Overleg (Vlastrov) zijn opdracht getrouw 22 straathoekwerkers in Vlaanderen verder in detail ondervragen ; in casu de medewerkers van de regionale ankerpunten in Antwerpen ( Astrov) en Limburg ( Liss), hun collega's van Adzon in Brussel die zich vooral over prostitué(e)s ontfermen, de straathoekwerkers van Mechelen die onder andere met drugsgebruikers geconfronteerd worden en de citycoachers in Gent waar vooral gewerkt wordt met maatschappelijk kwetsbare jongeren en een (soms te) harde kern van voetbalsupporters. Deze bijkomende bevraging van het terrein leverde een aantal korte maar krachtige conclusies op, waar de bevoegde overheden moeilijk omheen kunnen. Dit zogeheten ?Grijsboek? stelt namelijk het (dis-)functioneren van enkele maatschappelijke instellingen aan de kaak. WERKEN EN WONEN.De straathoekwerkers stellen in hun ?Grijsboek? vast dat ?de tolerantie, in het bijzonder tegenover jongeren, de jongste jaren sterk is afgenomen.? Anderzijds blijkt dat zelfs jeugddiensten, dito centra en huizen ?het moeilijk hebben om de juiste methodiek en de cultuur te hanteren? waarmee ze uitgerekend (kansarme) jongeren kunnen aanspreken. Culturele verenigingen hebben hen eigenlijk niks te bieden. En als er al een aanbod zou zijn, dan ligt de drempel te hoog. Vandaar ook de suggestie om, met deze doelgroep voor ogen, meer aandacht te schenken aan multiculturele thema's. Het onderwijs geeft deze doelgroep nauwelijks meer hoop : ?Men heeft weinig of geen zicht op de leefwereld en de problematiek van voornoemde jongeren. Bij vele scholen ligt de nadruk op kennisoverdracht en bestaat de neiging om problemen op te lossen door ze buiten het schoolse gebeuren te plaatsen.? Daarom de vraag naar meer samenwerking met externe jeugd-, buurt- en straathoekwerkers én naar meer aandacht van de psycho-medisch-sociale centra (PMS). De cursussen van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB) spreken de doelgroepen wel aan. Jammer dat de lange wachttijden en de strenge selectiecriteria hier vaak demotiverend werken. En dat ?men niet kan blijven opleiden zonder perspectief op werk. Daarom zou de VDAB ook zijn bemiddelingspositie moeten verstevigen.? Straathoekwerkers worden trouwens steeds meer aangesproken ?omdat er te weinig (fatsoenlijk) werk is voor laaggeschoolden en kansarmen.? Precies die worden meestal het slachtoffer van dubieuze arbeidscontracten, onregelmatigheden op het vlak van arbeidsveiligheid, hygiëne, salariëring en discriminatie. ?Een door de overheid gesubsidieerd sociaal luik bij de interimkantoren zou voorgaande problemen kunnen oplossen.? Daarom wordt aan de overheid gevraagd de administratieve rompslomp voor de werklozen te vereenvoudigen, zeker voor maatschappelijk kwetsbare groepen. Almaar meer doelgroepsleden worden namelijk om administratieve redenen geschorst en ontvangen dan van het OCMW geen bestaansminimum meer, maar wel een terugvorderbare uitkering waardoor zij dan weer in een andere draaikolk ten onder gaan. Gevraagd wordt dat de overheid daarin het beleid herziet. Ook het wonen levert ondanks de bevoegdheden van een federaal staatssecretaris en drie Vlaamse ministers voor kansarmen een steeds groter probleem op. Los van het algemeen tekort aan nette maar betaalbare huisvesting, zijn de specifieke opvangtehuizen ?vaak opgezet vanuit middenklasse-waarden en gelijkaardige normen,? zodat de beoogde doelgroepen ook hier naast de boot vallen. Vandaar de groeiende tendens om in steden rond te zwerven en in kraakpanden te leven. Behalve deze zwervers, ?verhuist een groter wordende groep jongeren en jonge volwassenen geregeld van de ene vriend of kennis naar de andere, zonder een echte thuis of vaste stek te hebben. Hoewel zwerven niet langer strafbaar is, beschouwen buurtbewoners en ordediensten het als een overlast en wordt tegen hen opgetreden.? Wat dan weer de marginalisering versnelt. In een groot aantal steden en gemeenten wordt de migrantenproblematiek vanuit verschillende hoeken aangepakt, maar toch blijken de betrokken centra alweer niet afgestemd op de migrantendoelgroepen waarmee straathoekwerkers te maken krijgen. Zij wijzen er trouwens nogmaals op dat ?er sprake is van een sociaal-economische, veeleer dan een integratieproblematiek.? Daarom benadrukt het ?Grijsboek? dat de kosten van de gezondheidszorg alleen al een consultatie bij een huisarts voor bepaalde doelgroepen ?onoverkomelijk? zijn, temeer omdat vele kansarmen helemaal niet in orde zijn met het ziekenfonds. Ook hier vormt de adminstratieve rompslomp vaak een hinder. Specifiek in verband met drugsverslaafden, verloopt de samenwerking tussen de straathoekwerkers en de huisartsen dan weer vlot, zelfs in crisissituaties. ?Toch lijkt het aangewezen om regionaal meerdere artsen te mandateren om zich verder te bekwamen in deze problematiek.? De contacten met ziekenhuizen en psychiatrische instellingen worden daarentegen negatief genoemd. Zelfs de meeste spoedgevallendiensten blijken ?niet uitgebouwd en bereid om gebruikers in crisis te behandelen en/of op te nemen, uitzonderingen niet te na gesproken.? Ook de meeste magistraten leven kennelijk ?ver boven de dagelijkse realiteit,? terwijl gedegen advocaten voor de doelgroepen meestal onbetaalbaar zijn en pro-deo-advocaten de nodige kennis of ervaring missen. Een even oud zeer blijft de gebrekkige aandacht van justitie voor de resocialisatie van de gedetineerden. Sociale diensten in de gevangenissen, probatiediensten, comités voor bijzondere jeugdzorg en dergelijke werken dat met de beste bedoelingen aan, maar zij blijven onderbemand en dikwijls onbemiddeld. Het jaarverslag van Rastrov vraagt deze diensten ?meer autonomie, middelen en naambekendheid? te verlenen. Daar blijken echter ook de straathoekwerkers zelf meer behoefte aan te hebben. En dit is trouwens ook een van de beleidsadviezen waar de Koning Boudewijnstichting deze week donderdag mee uitpakt aan de hand van het onderzoeksrapport ?Straathoekwerk Vlaanderen? van de universiteiten van Leuven en Gent die hogervermelde bevindingen van Vlastrov nog een wetenschappelijk tintje geven ook. Zij concluderen onder meer dat straathoekwerk slechts effectief kan zijn ?indien er sprake is van continuïteit van de werkvorm. Slechts indien de(zelfde) straathoekwerkers permanent aanwezig zijn op het werkterrein kan er met de doelgroep(leden) een vertrouwensrelatie worden uitgebouwd. Straathoekwerk op ad hoc basis dat wil zeggen om een bepaald(e) probleem(groep) in een bepaalde probleemwijk aan te pakken of als kortlopend project kan niet slagen. ERKENNING.De kwetsbaarheid van de straathoekwerkers is des te groter omdat zij, behoudens de gestadige confrontatie tussen hun leefpatroon en dat van hun doelgroepen, zelf met de meest uiteenlopende en jaarlijks opzegbare nepstatuten het mijnenveld worden ingestuurd voor ongeveer 40.000 frank netto per maand. 54 straathoekwerkers zijn nu actief in het kader van stedelijke preventie- en veiligheidscontracten. Zestien werken er voor rekening van het Vlaams Fonds voor Integratie van Kansarmen (VFIK), evenveel voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), vier draaien mee als gesubsidieerde contractuelen (Gesco's) of in het Derde Arbeidscircuit (DAC), een paar als vrijwilliger en een achtal met nog andere, soms vreemde, werknemersstatuten. Dit ware op zich nog niet zo erg, mocht door het uitblijven van een wettelijk statuut het verloop in de sector niet zo groot zijn. Daardoor worden telkens weer minder ervaren straathoekwerkers op pad gestuurd. Trouwens, Vlastrov zelf moest het tijdens de voorbije maanden met een niet-gereglementeerde subsidie (1,9 miljoen frank) van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn Luc Martens (CVP) stellen. Ook federaal staatssecretaris Jan Peeters (SP), nochtans bevoegd voor Maatschappelijke Integratie, laat de straathoekwerkers aan hun lot over. De Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid Wivina Demeester (CVP), die in haar ?Drugnota? wel degelijk de verdiensten van het straathoekwerk erkent, vraagt Vlastrov en de Vlaamse Vereniging van Behandelingscentra in de Verslaafdenzorg alvast het vormingsaanbod voor beginnende preventiewerkers uit te breiden. Dit betreft echter alleen drugsverslaafden. Haar Vlaamse collega Leo Peeters (SP), bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, die nochtans in opvolging van het Vlaams Fonds voor Integratie van Kansarmen het Sociaal Impulsfonds opstart, heeft duidelijk de verdiensten van het straathoekwerk nog niet ontdekt. Tijdens de voorbije dagen schreef Vlastrov andermaal enkele leden van het Vlaams parlement aan ?om de complete patstelling inzake beleidsmogelijkheden met betrekking tot het straathoekwerk binnen de Vlaamse kabinetten te doorbreken.? In de plaats van een apart decreet te vragen of het straathoekwerk expliciet in de decreten over algemeen welzijnswerk, buurtopbouwwerk, jongerenwerk en gezondheidszorg te laten opnemen, stelt Vlastrov nu naar analogie met het Jeugdwerkbeleidsplan een raamdecreet voor. Dit zou de Vlaamse regering, in casu de ministers Demeester, Martens en Peeters, toelaten de dertig bestaande straathoekwerkprojecten inhoudelijk en financieel op elkaar af te stemmen. Meteen zou dan ook het voortbestaan van Vlastrov, van de zogeheten regionale ankerpunten en van het straathoekwerk als aparte discipline in het welzijnswerk verzekerd zijn. Zoniet laat de samenleving ook haar laatste contacten met gemarginaliseerden stikken. Frank De MoorGebrek aan nette maar betaalbare huisvesting stimuleert de tendens om in steden rond te zwerven en een bestaan zonder dak uit te bouwen.Herman Wolf (links) en Erik Castermans, de voortrekkers van het Vlaams Straathoekwerkoverleg, ijveren voor een erkenning bij decreet van deze bijzondere vorm van welzijnswerk.Tijdsbesteding vormt voor vele van de jongeren uit de randgroep een groot probleem.